Kort verhaal

Marterjong

Door Else Boer | beeld: Renske van Enckevort
7 april 2016

De marter is verdomd voorzichtig. Twee keer heeft ze haar kop uit de boomholte gestoken en hem een blik gegund op haar gele hals, alsof ze net door een veld paardenbloemen is gerend. Ze is nog niet in het zicht van de camera geweest.
   Jonathan zit verder van de boomholte af dan gisteren. De marter heeft jongen, misschien dat ze daarom niet uit haar hol komt. De camera heeft hij op dezelfde plek geplaatst, hij wil haar het liefst in beeld brengen wanneer ze met een prooi aankomt, maar zijn deadline is over twee dagen: een foto van alleen de marter – als ze ooit uit haar hol komt – is goed genoeg.
   Met de ontspanner in zijn handen wacht hij.
   In een vlaag van interesse vraagt zijn moeder hem een keer: ‘Je kan dat ding toch op automatisch zetten? Schiet je camera een paar plaatjes en hoef jij er niet de hele tijd bij te zitten.’
   Hij begint over de compositie, de belichting en de brandpuntafstand – dingen die hij handmatig moet bepalen.
   Ze wuift met haar handen. ‘Laat maar.’
   ‘En de camera alleen is al zesduizend euro, hè?’ zegt hij.
   ‘Zoveel? Je bent toch wel verzekerd? Moet je wel doen hoor, straks gaat er iets kapot. Je krijgt er niet voor niks van die dikke hoezen bij.’
   Daarna hebben ze het er niet meer over.
   In het begin fotografeert hij vooral vogels en kleine knaagdieren, inmiddels is er bijna geen dier meer dat hij niet voor de lens heeft gehad. Vooral edelherten zijn favoriet bij het publiek, maar een hert fotograferen is amper een opgave. Het enige wat je nodig hebt is geduld en een goede telelens: ze zien er voortdurend uit alsof ze voor je poseren. Hun nekken gestrekt, ogen groot, oren gespitst. Herten zijn de modellen van het dierenrijk, klaar voor de cover.
   Af en toe schiet hij een landschap. Groen doet het altijd goed in kantoren.
   Vogels blijven zijn favoriete onderwerp. Het begon ook met het vogelen – met Ben, om precies te zijn. Ben, de twitcher. Op de middelbare school spijbelt Ben continu om weer ergens een nieuwe vogelsoort te spotten. Als ze in de derde zitten belt Ben Jonathan nog voor zeven uur ’s ochtends: er is een groep gieren gesignaleerd in Limburg, of hij zin heeft om mee te gaan. Ze zitten samen tweeënhalf uur in de trein en Ben vertelt dat gieren zo’n 70 kilometer per dag kunnen afleggen; dat gierzwaluwen nooit aan de grond komen, maar in de lucht slapen en zich langzaam naar beneden laten zweven; dat torenvalken ultraviolet zicht hebben, zodat ze muizenpis kunnen opsporen. De groep gieren blijkt tegen de tijd dat ze in Limburg zijn al in het Ruhrgebied te zitten, maar daarna spijbelen ze samen, Jonathan steeds vaker met camera.
   Nog steeds stuurt hij foto’s naar Ben. Als hij voor het eerst een kleine bonte specht schiet, komt Ben langs met een kratje bier. ‘Omdat je dat kleine kutbeest eindelijk op film hebt’.
   Grijnzend heft Jonathan zijn bier: ‘Op kleine kutbeesten.’

‘Wat voor beestjes heb je vandaag gezien?’
   Hij hoort haar stem soms in zijn hoofd. Misschien komt het door de stilte van het bos, hoort hij ineens woorden in het ruisen van de bladeren. Ze vraagt hem of hij komt eten, of hij geen vierkante ogen krijgt van Photoshop. ‘Je moet daar wel een beetje mee oppassen hoor,’ zegt ze aan tafel. ‘Straks verpest je je zicht nog.’
   Zijn vader bromt dat het allemaal wel zal meevallen.
   ‘Hij verpest wel meer. Zijn kansen op een meisje bijvoorbeeld,’ zegt Lisan. ‘Of is Ben meer je type?’
   ‘Ach, laat hem toch,’ zegt zijn moeder. ‘Jonathan is gewoon een beetje op zichzelf, toch lieverd?’
   Hij haalt zijn schouders op. 

   ‘Je had laatst toch een foto verkocht aan een vogelblad?’ vraagt zijn vader.
   ‘Een roodborstje.’
   ‘Zie je?’ knikt zijn vader Lisan toe.
   ‘Maar hij moet niet vergeten om te leren voor zijn wiskunde.’ Zijn moeder snijdt haar vlees in kleine stukjes.
   ‘Anders gaat hij toch gewoon op zijn zestiende aan het werk, dat deden wij vroeger ook.’
   Zijn moeder perst haar lippen op elkaar. Ze doet dat vaker als zijn vader praat.
   Vader richt zich weer tot Jonathan: ‘Ik heb op zolder nog een paar oude lenzen liggen. Misschien kun je er wel wat mee. Zit ook een macrolens bij, leuk voor insecten.’
   ‘Getver,’ zegt Lisan. ‘Wie betaalt daar nou voor?’
   Zijn vader knipoogt. Zijn moeder zucht.

Hij wint zijn eerste fotoprijs als hij veertien is, met de macrolens die zijn vader hem heeft gegeven. De foto heet ‘Hommel op bloem’. De meeldraden die aan het achterste van de hommel blijven kleven, lijken het insect terug de bloem in te trekken, het resultaat is volgens de jury een ‘perfecte weergave van de symbiose tussen flora en fauna’. Hij krijgt 2000 euro voor iets wat hem bij het insturen niet eens is opgevallen.
   Vanaf dan gaat het snel, alsof alles wat hij doet een succes moet worden. Hij wordt door het Engelse blad Birds genomineerd als young talent, zijn foto’s worden gebruikt op de site van Natuurmonumenten en de opdrachten stromen binnen: foto’s van het wild in Park de Hoge Veluwe voor de nieuwe folder; een spread in het blad Naar buiten; een reclamecampagne voor Landal GreenParks.
   Zijn vader feliciteert hem met al zijn publicaties, eerst nog met een schouderklopje en later schriftelijk, vanuit zijn nieuwe appartement. Zijn vader heeft ruimte nodig, schrijft hij, en vindt die op een plek die nog geen 70 vierkante meter beslaat. ‘Jij en ik lijken op elkaar,’ zegt hij aan de telefoon. ‘We zijn einzelgängers. Gaan gewoon onze eigen weg.’
   ‘Oké,’ zegt Jonathan. Hij ging er altijd vanuit dat zijn vaders weg gelijk opliep met die van zijn moeder.
   ‘Uiteindelijk moet je gewoon jezelf gelukkig maken, toch? Anders kan je iemand anders ook niks bieden. Ik kan je moeder niet gelukkig maken, dat moet ze zelf doen, begrijp je?’ Zijn vader is even stil. ‘Help haar maar een beetje daar.’
   ‘Oké,’ zegt Jonathan weer.
   Na het vertrek van zijn vader lijkt ook het huis kleiner te zijn geworden, alsof hij alle ruimte heeft meegenomen. In iedere kamer die Jonathan nu binnenloopt is zijn moeder aanwezig, liggen haar zakdoekjes, boeken, stapels tijdschriften en koud geworden thee. Zijn vaders methode voor geluk werkt niet direct – de eerste maanden na de scheiding heeft zijn moeder rode ogen.
   Lisan brengt haar glaasjes water, Jonathan probeert zo min mogelijk thuis te zijn. Overdag is hij buiten en met Ben blijft hij nu ook nachten weg – om everzwijnen te zoeken in het bos en daarna lam te worden.
   Soms staat zijn moeder ’s nachts in de gang op hem te wachten. Hij negeert haar. Hij kan niet meer naar haar kijken: de wallen onder haar ogen, dat haar dat ze vergeet bij te kleuren en steeds grijzer wordt, haar nagels afgekloven. Misschien dat ze daarom steeds harder begint te praten, misschien dat hij haar daarom nog steeds hoort als hij op zijn campingstoeltje wacht op een boommarter.
   Soms klinkt zijn moeders stem eerder smekend dan boos: ‘Verdomme, Jon, wanneer kap je nou met dat gespijbel? Weet je wat ik hier heb? Een brief, van de leerplichtambtenaar. Hij gaat een proces-verbaal opmaken. Een proces-verbaal.’
   Op andere momenten praat ze zo zacht dat hij haar bijna niet meer verstaat: ‘Waar was je nou?’ Op die momenten voelt hij zich zwaar worden, onderdeel van een team dat allang is opgeheven.
   Meestal schreeuwt ze. Zo lang kan je niet wegblijven, we hebben een afspraak, onder mijn dak volg je mijn regels.
   Hij schreeuwt terug. Ik blijf weg zo lang ik wil, het is hier niet uit te houden, waarom denk je dat pa wegging?

Wat hij het mooist vindt aan vogels is hun overmoed. Of, met gebrek aan goede wil, hun domheid.

In een struik vlakbij zit een pimpelmeesje, het hipt behoorlijk dicht in de buurt van het marterhol. Jonathan sist. Het beestje komt dichterbij, kopje schuin.
   Ben heeft hem geleerd dat hij moet sissen, dan komen ze op het geluid af. De pimpelmees houdt zijn kop schuin, recht, schuin, bekijkt hem van alle kanten. Jonathan kijkt terug. De vogel is ongeveer zo groot als zijn duim. Het moet nog een jong dier zijn: op de kop is hij nog niet helemaal blauw, eerder een vaal groen.
   Wat hij het mooist vindt aan vogels is hun overmoed. Of, met gebrek aan goede wil, hun domheid. Dat een vogel die nog geen tien centimeter hoog is hem, een man van bijna twee meter, zonder schroom aankijkt. Even denkt hij erover zijn tweede camera te pakken, maar het beeld is niet bijzonder genoeg: een pimpelmees is het mooist in vlucht, zijn vleugels als een blauwe waaier uitgespreid.
   De mees blijft nog heel even zitten en vliegt dan op. De manier waarop mezen vliegen is ook mooi: ze zweven in golven en slaan nu en dan met hun vleugels. Soms denkt hij erover te gaan filmen. Elk beeld dat je wel fotografeert staat tegenover honderd beelden die je niet kunt vangen.
   De mees zag het eerder dan hij: een bruine snuit steekt uit de boomholte. Het zwarte puntje gaat op en neer.
   Hij vindt het nog steeds spannend hoe een dier stapje voor stapje richting de camera gaat: snuffelend, tastend, nieuwsgierig, denkt hij. Dieren handelen vanuit instinct, een primaire drang om te eten, te doden en te slapen. En toch is het onmogelijk niets te herkennen in de sluipende gang van een marter, de vlucht van een pimpelmees, het cirkelen van een groep gieren. Vreugde, verdriet, trots: Jonathan denkt het allemaal wel eens te zien.
   De marter kruipt behendig via de stam naar beneden en inspecteert het zwarte fototoestel dat voor haar staat. Ze blijft voor de camera staan, op haar hoede. Jonathan drukt meerdere keren af. De marter staat precies waar hij haar wil hebben.
   Dan draait ze zich om keert terug naar haar hol. Hij blijft zitten, gespannen, zijn blik gericht op de boom. Het blijft even stil, dan hoort hij een hoog piepen. Aan zijn nekvel sleept de moeder een jong mee naar buiten. Het jong houdt zich vast aan de stam, zoals hij zijn moeder ziet doen. Begeleid door het hoge gepiep van de volwassen marter komen er nog twee jongen naar buiten.
   Het eerste jong strekt zijn nek en klimt voorzichtig verder naar boven. Over een paar weken springt het met gemak van boom naar boom. Het dier verdwijnt langzaam uit Jonathans zicht, verstopt onder het bladerdak van de boom.
   Het duurt een paar minuten voor de moeder het gemis opmerkt. Ze laat een kort, schril gekrijs horen en spitst haar oren om het gepiep van haar jong op te vangen.
   Liefde, denkt Jonathan, terwijl hij de telelens op zijn tweede camera installeert. Nu zie ik liefde.

Over de auteur

Else Boer (1991) schrijft korte verhalen en publiceerde op Passionate Platform, in tijdschrift Absint en in Op Ruwe Planken. In 2015 stond ze in de finale van Write Now!, waar één van haar verhalen een eervolle vermelding kreeg. Ze is letterkundige en werkt als docent Nederlands.

Over de illustrator

Renske van Enckevort is beeldend kunstenaar en schrijver. Ze woont en werkt in Amsterdam.

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

De hond

Door Wiebe Brouwer

Als mijn auto eindelijk bij mijn bejaarde moeder op de oprijlaan staat, loop ik meteen naar haar voordeur. Ze klonk door de telefoon flink in paniek, maar ook al heb ik een sleutel, toch druk ik eerst op de bel. ‘Jij!’ Blijkbaar stond ze me op te wachten, want ze doet meteen open. Haar ogen […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper