Essay

Na de aanslag

Door Max Urai | beeld: Lauralouise Hendrix
3 mei 2016

Het is iets van twintig minuten lopen van mijn kot in Anderlecht naar het pand van deBuren. Als ik binnenkom zitten mijn collega’s achter hun bureaus naar hun computers te kijken. Niemand heeft het licht nog aangedaan.

“Goedemorgen,” zeg ik.

“Heb je het gehoord?” zegt Ronald.

“Wat?”

Tijdens mijn wandeling heb ik niets gezien, niks gehoord. Terwijl in Zaventem de ramen uit de sponningen werden geblazen zat ik met mijn vriendin te skypen. Ik pak koffie. Na een paar minuten ben ik eraan gewend, dat dit iets is dat gebeurd is.

Ik mail mijn ouders, preventief, zodat ze zich geen zorgen hoeven te maken. “Ik ben in orde!” Mijn vader, die het nieuws nog niet gezien heeft, stuurt terug: “Mooi!”

Vervolgens beginnen de sms’jes binnen te stromen. Ik zet op Facebook dat ik veilig ben en beantwoord berichten. Oude vrienden nemen contact met me op, klasgenoten. Een van mijn leraren sms’t uit Berlijn. Ik zeg een keer of dertig dat ik veilig ben, dat ik in orde ben, dat er niks mis is, dat niemand zich zorgen hoeft te maken. Juist dat geruststellen leidt ertoe dat ik me zorgen begin te maken Eerst was dit een nieuwsitem; nu is het een nieuwsitem geworden waar ik zelf een rol in speel. Ik weet niet hoe veilig ik nog ben.

Hoe geschokt dien ik hierover te zijn? Hoe geschokt mag ik hierover zijn? Ik heb geen druppel bloed gezien; ik maak geen gebruik van het openbaar vervoer. Mij is niks overkomen. Ik heb nooit gevaar gelopen. De wijk waar ik woon zit vol Libanezen, dus dat is waarschijnlijk de veiligste plek om te zijn in Brussel, op dit moment. Mijn collega’s lijken er niet zo door gedeerd. Zij waren hier ook al tijdens de aanslag van een paar maanden geleden.

Mijn Facebookbericht dat ik veilig ben krijgt 44 likes. De aandacht voelt warm, primair. Mensen zijn blij dat ik nog leef. Het is het meest eenvoudige en tegelijk het diepste soort bevestiging dat je kunt krijgen.

Ik ben om kwart over negen aangekomen. Om tien uur is er een vergadering. Het programma voor de komende jaren moet besproken worden. Ik bedenk de term “bureaucratisch optimisme” voor het maar doorgaan met plannen maken, wat er ook gebeurt, maar realiseer me dat dat wel heel erg als Arnon Grunberg klinkt. De telefoons, die iedereen naast zijn agenda heeft liggen, blijven maar biepen. Op de achtergrond klinken geluidjes van verschillende inboxen.

Debbie heeft een kruisje aan een ketting om haar nek hangen. Ik moet aan het woord “Judeo-Christelijk” denken, en daarna aan de film Der Baader-Meinhof Komplex, en daarna dat ik moet oppassen dat ik niet echt als Arnon Grunberg ga klinken. Die film gaat over communistische stadsguerrilla’s in West-Duitsland. Ze hielden zich verborgen in flatgebouwen, sloegen snel toe, en verdwenen vervolgens. Voor wat ik weet van guerillatactieken is het zaak om na een aanslag zo snel mogelijk onder te duiken. Als dat klopt is Brussel vandaag veiliger dan het in maanden geweest is.

na de aanslag

Brussel is gemilitariseerd. Er is niet echt een ander woord voor. Er is maar één stad waar ik ooit meer soldaten op straat heb gezien dan in Brussel nu, en dat was in Moskou. De soldaten lopen rond met hun semiautomatische geweren over hun borst en een verveelde, koude blik. “Geef ons een reden,” lijken ze je na te roepen. “Geef ons een excuus om je neer te knallen, motherfucker. Wij komen ermee weg. Kom dan. Geef ons iets te doen.” Ik heb in Nederland al moeite met het constante machtsvertoon van de politie, maar dit is nog een heel slag explicieter. Militair nut kan het niet hebben: de soldaten staan zo te pronken met hun wapens dat ze er hooguit voor zorgen dat eventuele terroristen elders gaan moorden. Wat ik zie is een staat die wil tonen dat ze geweld in kan zetten, en dat mensen daar bang voor dienen te zijn. In een gesprek met een collega heb ik me eens serieus afgevraagd of dit geen staatsterrorisme is. Ze ging er niet op in.

Als ik iemand was die er uitzag als “een potentieel gevaar” (bruin) zou ik me goed bedreigd voelen door al die militairen. David Graeber merkte eens op dat je middenklasse bent als je je veiliger voelt wanneer je politie op straat ziet, in plaats van minder veilig. Hier in Brussel voel ík me al minder veilig door al die soldaten, en veel witter en middenklasser dan ik vind je ze niet. Wat er moet broeien onder de huid van de mensen die in deze stad worden nagestaard door mannen met geweren als ze zich op straat vertonen kan ik me nauwelijks voorstellen, maar het kleine beetje empathische inleving dat ik kan opbrengen maakt me al woest.

We gaan verder met de vergadering. Terwijl Wim vertelt over de begroting vraag ik me af hoe het voelt om te worden geraakt door een explosie. Een enorme vuurbal die je lichaam raakt. Ik probeer me in te denken hoe het voelt als je arm wordt afgerukt, maar ik kom niet verder dan me voor te stellen dat je ondraaglijke pijn in die arm voelt, alsof er een mes door je hand wordt gestoken. Het is dezelfde soort pijn die ik me indenk als ik me voorstel hoe het is om gekruisigd te worden – een gedachte die ik vaak heb als ik in kerken ben. Maar het punt is natuurlijk dat die hele arm weg is, dat je er niks meer aan voelt. Je voelt alleen de wond aan je schouder.

Buiten klinken sirenes, maar dat kan ook voor iets anders zijn. Zelfs in een stad onder lockdown hebben mensen schoorsteenbrandjes.

Door mijn zenuwen heb ik te veel koffie gedronken. Ik murmel iets terwijl ik opsta en ga naar de wc. Het is een klein hokje – 1,5 bij 1 meter, schat ik – zonder raam erin. Op de muren en de vloer zitten grijze tegels; het enige licht komt van een spot. Terwijl ik zit moet ik denken aan de cellen in Guantanamo. Ik vraag me af of dit het soort situatie is waar moraliteit ophoudt, of dat dit is waar moraliteit begint. Die zin plopt zo mijn hoofd in. Het duurt een paar tellen voor ik hem onderschep. Geen van beiden, natuurlijk. Moraliteit is een doorlopend spectrum. Geweld maakt het alleen harder nodig.

Diezelfde David Graeber omschreef geweld als “the form of stupidity to which it is most difficult to come up with any intelligent response”. Ik begin me te ergeren aan mijn intellectuele gemurmel, wou dat ik George Orwell was (dat wil ik wel vaker) die dit kon duiden en een vlammend oordeel kon vellen. Het enige wat ik nu weet is dat er bijna dertig mensen dood zijn. Ik vraag me af of ik ergens bloed kan geven, maar op de radio hoor ik dat dat blijkbaar niet nodig is.

Tegen de lunchpauze vraagt iemand hoe het met me gaat.

Over de auteur

Max Urai (1991) houdt van mandarijntjes, anarchisme, science-fiction, The Mountain Goats, dikke Amerikaanse romans, zelf chili maken, Jeroen Mettes, webcomics, Technicolor musicals, en merkwaardige lettertypes.

Over de illustrator

Lauralouise is fotohistoricus en (beeld)redacteur, tegen wil en dank gefascineerd door dieren, Duitsland en de kunsten. Als de woorden niet willen maakt Lauralouise beeld, voor zichzelf en soms ook voor De Optimist.

Lees meer van

De Nieuwe Lichting: Max Urai

Door Max Urai

De Optimist vroeg de nieuwe lichting afgestudeerden van schrijfopleidingen in Nederland en Vlaanderen om hun eindwerk in te sturen. In DE NIEUWE LICHTING presenteren wij fragmenten uit dat werk en stellen wij de schrijvers van de toekomst voor. Op deze zonnige herfstdag stellen wij aan u voor: Max Urai, pas afgestudeerd aan Creative Writing Artez. Hoe ben je […]

Lees meer uit de categorie Essay

Carmen Felicitas

Door Carmen Felix

Carmen Felix gaat graag op zoek naar de schoonheid in het alledaagse, het lelijke en het banale. Onderwerpen waarover het makkelijk klagen is beschouwt zij voor ons met een roze bril in de nieuwe rubriek ‘Carmen Felicitas’. Haar eerste gelukslied gaat over de Veronica-gids. Beeld: Juliëtte Verberk   Het geluid van het voluptueuze Veronica Magazine […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper