Kort verhaal

Acht

Door Sytske van Koeveringe | beeld: Paul Stümpel
11 juni 2016

‘Ik kom mijn fiets halen,’ zegt de man. Zijn stem is zacht, bijna onverstaanbaar. Hij draagt een versleten spijkerjas en een rode sjaal. Grote armen, lange benen, brede schouders.
‘Ja, dat zei u net ook al, maar ik dacht: u zal het wel koud hebben,’ zeg ik. Ik haal de binnenband door de emmer water en kijk naar mijn klant. Zijn broek is te kort maar te breed, de ribstof wordt door een riem om zijn taille gehouden.
De radio praat onze stilte vol.
‘Omdat u zo snel naar de kachel liep,’ probeer ik nog. De man knikt, kijkt naar mijn handen. De binnenband had ik er al uit voordat hij kwam. Ik hoor het sissende geluid dichterbij komen, ik zoek het gaatje in het zwarte rubber. Mijn handen tintelen van de kou, zijn even vuil als de binnenband. Of het zwart ooit van mijn handen afgaat betwijfel ik. Leonie vond het ‘geen porum’, zei ze met een gezicht alsof ze met een takje de hondenpoep uit haar schoenzool peuterde. Dit was het eerste waar ze commentaar op had. Daarna werd het erger.
De man lijkt ver weg. Zijn handen in zijn broekzakken, zijn blik ditmaal op de grond gericht. Alles is versleten aan hem. Alsof hij al een heel leven achter de rug heeft, maar zo oud zal hij niet zijn.
‘Wanneer heeft u uw fiets gebracht?’ Met klanten werken is het moeilijkste van mijn vak. Doen alsof.
De sjaal van de man is veel te dun en te kort voor de tijd van het jaar. Ik wrijf mijn handen over mijn donkerblauwe broek, die inmiddels ook zwart is geworden. Onder mijn broek een thermolegging, die ik ook in de nachten draag. Zelfs in het voorjaar is het hier koud. Ik blaas in mijn handen, die stijf zijn.
De grote man knikt, maar zegt niets.
‘De fietsen die ik vanochtend gerepareerd heb staan daar,’ zeg ik. Een slordige armbeweging naar de deur. ‘Meestal halen de klanten hun eigen fiets er zo uit. En daar vertrouw ik op.’ Van mijn baas heb ik geleerd om net als een radiozender te zijn: altijd doen alsof de zon schijnt.
De man kijkt niet naar de gewezen plek, maar om zich heen: van de tl-lampen boven de werkplaats naar de wand met gekleurd en vies gereedschap. En van de werkbank naar de rekken met fietsen, een rij op de grond en een rij met rekken aan de muur erboven.
‘Aan de linkerkant hangen tweedehandsfietsen, aan de rechterwand de nieuwe. De zaak moet het de laatste jaren vooral van de tweedehandsjes hebben. Nieuwe kopen mensen via het internet.’ De man houdt zijn lippen op elkaar. Ik kijk hem vragend aan, hij kijkt mij met dezelfde blik aan.
Ik ontferm me over de fiets die aan het plafond hangt. Een gaatje in de binnenband: ik begrijp niet dat mensen daarvoor al naar mij toekomen. Plakken kan iedereen. ‘Maar de mensen willen niet vies worden,’ zei mijn baas toen een stagiair zich had aangemeld, maar na vier dagen niet meer kwam opdagen. Ook stagiairs inwerken is een lastig onderdeel van mijn werk. Al die energie, tijd en geduld voor niets. Er is geen enkele scholier die blijft. Niemand wil dit worden als ze echt oud zijn.

 

optimist_first delivery_big-01 4

 

Ik plak zonder na te denken. Zoals afwassen. Toen Leonie vier maanden geleden nog bij mij was, deed zij alle huishoudelijke taken. De eerste indruk die ik van haar had, was een mooie vrouw. Lichtblauwe ogen. Strakke gelaatstrekken en frisse uitstraling. Alsof ze nooit oud zou worden. Ze had iets jongs en fysieks terwijl ze niet van sporten hield en een kantoorbaan had. Mannen keken naar haar om als ik met haar over straat liep.
Ik laat de binnenband langs mijn gezicht glijden, weer zacht gesis. ‘Hier zit de boosdoener.’ Ik laat de band leeglopen. En plak een nieuw stukje rubber op het gaatje.
De grote man staat nog altijd dicht bij de gaskachel. Vaak komen klanten zomaar langs. Praten over het weer of vertellen wat ze beleefd hebben. Zoals gister de overbuurman kwam mededelen dat hij samen met een ander stel een overeenkomst sloot over een leenhond.
‘Een leenhond?’ vroeg ik. Ik werkte aan mijn eigen fiets. Het is een rustige week.
‘Net als een krant die je deelt met de buren. Wanneer je hem uit hebt geef je hem door,’ zei de overbuurman vrolijk.
‘Of een auto?’ vroeg ik. Mijn ouders deelden vroeger een auto met de buren.
‘Precies! Of een auto! Een hond is leuk, maar ik heb er niet altijd tijd en geld voor. Daarom hebben we dit plan bedacht.’ Hij had een fonkeling in zijn ogen die ik lang niet bij hem gezien had. Wat er precies met hem aan de hand was de afgelopen maanden durfde ik niet te vragen. Daarvoor ken ik hem niet goed genoeg.
‘Sorry, ik moest dit even fiksen. Heeft u het bonnetje dat bij uw fiets hoort? Of zag u uw fiets al staan?’ Ik veeg mijn handen af met een zwart geworden theedoek. De man vist een wit papiertje uit de zak van zijn jas.
‘Heeft u wel het goede bonnetje bij u?’
De man knikt en wijst naar het gekreukte papiertje in mijn handen. Ik bekijk het nogmaals: het ronde logo linksboven, het adres van de winkel rechts, de klantgegevens in het midden met een beschrijving van de reparatie en de kosten. De onderkant van de bon hoort aan het stuur te hangen. Ik ga de gerepareerde kant af, de juiste zit er niet tussen. Het handschrift is ook niet van mij.
‘Vreemd,’ mompel ik. ‘Wanneer heeft u uw fiets gebracht?’
De man kijkt naar boven, zijn vingers een voor een omhoog, mompelt in een onbekende taal.
‘Acht.’
‘Acht weken geleden? U weet dat er per dag een euro bijkomt?’
‘Jaar,’ zegt de man moeizaam. Ik hoor aan zijn uitspraak dat hij niet uit Nederland komt.
‘Acht jaar?’ vraag ik verbaasd.
De man knikt. In zijn ogen zit veel. Op de radio weer reclame. Zonder radio kan ik niet werken, dan word ik onrustig en ga ik malen. Laatst was er een middag geen stroom en moest ik met een verlengsnoer stroom bij de buren kapen. De radio lukte, maar de fietsen repareerde ik die middag in het donker.
‘Toen werkte ik hier nog niet eens,’ zeg ik. Ik houd het papiertje nog steeds voor me. Mijn benen worden week en in mijn hoofd wordt het licht. Alsof ik uren niet gegeten heb.
‘Sorry maar een fiets van zolang geleden hebben wij niet meer staan. Alle fietsen die langer dan een maand blijven, zetten we in de verkoop. We zijn geen opslagplek.’
‘En nu?’ vraagt de man. Hij zet grote ogen op. Ze zijn lichtbruin, vaal.
‘Dat weet ik niet. Ik kan mijn baas bellen, maar ik weet honderd procent zeker dat hij hetzelfde zal zeggen als ik.’
De man haalt zijn schouders op, wrijft zijn handen warm en glimlacht zijn witte tanden bloot. ‘Dank u wel,’ zegt hij.
Ik sta met het papiertje in mijn handen. De fiets die ik gister heb opgepoetst staat achter in mijn kamer, bij mijn andere acht. Het enige waarom dat een kamer heet, is omdat daar een matras ligt en een keukenblok staat. Voor de rest heeft het veel weg van een opslagplek van een fietsenmaker.
‘Heeft u een andere fiets?’ vraag ik.
‘Nee.’ De man staat al in de deuropening. ‘Niets’
‘Ik heb er wel één voor u,’ tegelijkertijd vraag ik me af waarom ik dit doe. Leonie mocht er niet eens aan zitten. Kijken werd me al te veel, jaloezie schoot door me heen als ze een van mijn fietsen aan de kant zette om fatsoenlijk aan tafel te kunnen zitten.
‘Of we zoeken een huis of ik ga bij je weg,’ zei ze op de laatste dag dat we samen waren. ‘Waarom?’ vroeg ik. Maar ik had de keuze al lang gemaakt. En ik voelde geen verdriet of schuld. Pas na weken alleen te zijn kreeg ik een honger. Of die honger een lust of een verlangen was, weet ik niet. Er is tot nog toe geen vrouw die het bij mij uithoudt. Wel bij mij, maar niet hier. Niet in dit donkere, koude hok, waar het ruikt naar olie en metaal.
‘Hoeveel?’ vraagt de man, hij haalt enkele muntstukken en papieren uit zijn broekzak.
‘Een moment.’ Ik snel naar achter.
‘Sorry maat,’ mompel ik tegen de fiets terwijl ik hem de winkel inrol.
De man komt twijfelend naar me toe, zijn ogen glinsteren net als die van de overbuurman gister.
‘Als je belooft er voorzichtig mee te zijn, mag je hem hebben,’ zeg ik. Een steek in mijn maag. Maar dit moet, zoals ik de laatste tijd iedere week een daklozenkrant koop. Eerst vond ik zwervers schooiers, vieze mensen die te lui zijn om werk te zoeken, maar ineens vroeg ik aan de zwerver bij mijn supermarkt hoeveel zo’n krantje kostte. Ik had het niet in de hand. Sindsdien is het een wekelijks ritueel geworden en praten we over het weer.
‘Nee.’ zegt de grote man ongelovig. Zijn ene hand al op het bruine, leren zadel, de andere in het midden van het stuur.
‘Neem maar, en houdt het geld. Als hij stuk is kom je naar mij toe. Ik ben de enige die weet hoe hij werkt.’ Er zit een druk op mijn borst. Alsof die is ingesnoerd, of iemand er op is gaan zitten.
‘Snel, anders verander ik nog van gedachten,’ zeg ik. Langzaam loopt de man met de fiets naar buiten en roept tijdens die paar meter: ‘Dank u wel, dank u wel.’
Ik draai de radio op zijn hardst. Jachtig prop ik de binnenband in het wiel van de fiets.

 

 

Over de auteur

Sytske van Koeveringe (1988) schrijft. Haar werk is o.a. te zien op de Gids, Hardhoofd, MisterMotley en Das Magazin. In 2014 is ze afgestudeerd aan de Gerrit Rietveld Academie richting beeld en taal. Ze zat bij de eerste lichting van Slow Writing Lab van het Letterenfonds. Momenteel werkt ze aan haar debuut 'Het is maandag vandaag', dat in april bij De Bezige bij verschijnt.

Lees meer van

Stijlestafette: Zwart-wit

Door Sytske van Koeveringe

Voor onze themamaand De Stilist vroegen wij deelnemers van De Stijlestafette om een variatie à la Queneau op onze oertekst te schrijven. Voor de een begint de nacht en voor de ander eindigt hij zoals die man die nu voorbijfietst: een massieve bureaulamp in de ene, het stuur vasthoudend met de andere hand. Naar huis, slapen, die […]

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

In memoriam Elizabeth Reed

Door Leo van der Sterren

‘Godverdomme, wat een bezoeking!’ De limiet aan wat een mens warmtematig kon verdragen, deed zich gelden. De gedachte dat er aan de hitte niet te ontsnappen viel, had iets beklemmends, had bijna hetzelfde effect als een langzame, maar zekere wurging. Ja, zo voelde het aan. Het deed hem denken aan een nachtmerrie waar geen einde […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper