Proza

DE NIEUWE LICHTING: Ines Nijs

Door Ines Nijs | beeld: Sjors Driessen
11 september 2016

De Optimist vroeg de nieuwe lichting afgestudeerden van schrijfopleidingen in Nederland en Vlaanderen om hun eindwerk in te sturen. In DE NIEUWE LICHTING presenteren wij fragmenten uit dat werk en stellen wij de schrijvers van de toekomst voor. Deel 2: Ines Nijs met Zoé, een coming-of-ageverhaal waarin een dochter zich losmaakt van haar moeder, waarmee ze afstudeerde aan de SchrijversAcademie Antwerpen. Samen met Ines kozen we twee fragmenten en voegden die samen.

 

Wat zijn de thema’s in je werk, waar schrijf je het liefst over?
Ik schrijf over relaties, over wat mensen maakt en vooral breekt in hun omgang met anderen. Een moeder en een dochter, een man en een vrouw, een werknemer en een werkgever, alle mogelijke relaties werk ik uit in een verhaal. Ik bekijk de verhoudingen tussen macht en onmacht en toon wat gezegd en vooral wat verzwegen wordt.

Wie of wat inspireert jou?
Ik lees veel en kies met zorg de boeken die ik koop of uitleen. Zowat elk van die boeken kan me inspireren. Een novelle van Diane Broeckhoven of een thriller van Marion Pauw, voor elk genre vind ik het juiste leesmoment.
Daarnaast haal ik inspiratie uit alles wat ik om me heen zie of hoor en zelf beleef. Ik probeer die indrukken in een verhaal naar mijn hand te zetten. Mijn karaktertrek om te overdrijven en uit te vergroten is een goede hulp bij het schrijven. Ook wandelen levert vaak nieuwe invallen op. Net als dommelen. Vlak voor het dommelen slapen wordt, komt het idee. Soms is het iets waard, vaak ook niet.

Wat zijn tijdens je studie je meest leerzame valkuilen/uitdagingen/fuck-ups geweest?
Op 1 staat: show don’t tell. Telkens weer kreeg ik het te horen tijdens de schrijfopleiding. Tot ik eindelijk begreep waar het om ging. Ik schrapte alle zinnen waarin ‘ik zie, ik hoor, ik denk, ik voel’ voorkwam en herformuleerde de scènes tot de directe beleving van de personages tastbaar werd in de beschrijvingen en de dialogen. Mijn teksten werden meteen een stuk levendiger.
Op 2 staat: in de eenvoud toont zich de meester. Een groots familie-epos over drie generaties vrouwen wilde ik schrijven, bevolkt met een rits nevenpersonages. Het werd uiteindelijk een intiem moeder-dochterrelaas. Aan dat epos ben ik nog niet toe en dat heb ik op tijd beseft.
Op 3 staat: mijd oppervlakkigheid. Soms wilde ik te veel losse eindjes te stevig vastknopen, wat leidde tot het soort van huis-, tuin- en keukenpsychologie waar niemand op zat te wachten.

Waar hoop je over vijf jaar te staan?
Over vijf jaar hoop ik dat niet alleen mijn eerste, maar ook mijn tweede verhaal geschreven en – een mens mag dromen – gepubliceerd is. Het eerste verhaal, mijn eindwerk, waaruit hier een fragment is opgenomen, gaat over Zoé en haar moeder. Een moeder met weinig tijd, aandacht en liefde voor haar dochter. Na school en in de vakanties wordt Zoé opgevangen door de buren. Wanneer de buurvrouw sterft, moet Zoé, tien jaar oud, naar het internaat. Daar leert ze de mooie én de verraderlijke kanten van meisjesvriendschappen kennen. Ze ontdekt er ook de lichamelijke liefde. Gaandeweg leert Zoé zichzelf en haar moeder beter begrijpen, wat leidt tot een onafwendbare confrontatie tussen moeder en dochter in het jaar dat Zoé achttien wordt.
Het tweede verhaal gaat over Sybille, een uitgebluste veertiger, uitgever van non-fictieboeken, die zich buitenspel gezet voelt door de digitale ontwikkelingen in haar sector. Wanneer ze zich voor een nieuw uitgeefproject verdiept in de mysterieuze dood van een luchtvaartpionier uit de vorige eeuw, komt ze niet alleen een familiegeheim op het spoor, maar ontdekt ze ook dat de pionier in zijn tijd al worstelde met de demonen van de vooruitgang. Na jaren waarin hij werd gevierd voor zijn vliegkunde, werd hij aan de kant geschoven voor piloten die niet op hun zicht en hun zintuigen vlogen, maar op instrumenten en op instructies uit een koptelefoon. Fnuikte het zijn gevoel van eigenwaarde en joeg het hem de dood in, of was er meer aan de hand? Sybille gaat tot het uiterste in haar zoektocht naar de waarheid.

Optimismemeter. Hoe optimistisch ben jij over je schrijfcarrière op een schaal van 1-5? Eerlijk zeggen. En do elaborate, please.
Als ik denk aan wat ik de afgelopen jaren heb geleerd door te schrijven en te herschrijven, klimt mijn optimismemeter met gemak tot het cijfer 4. Als ik denk aan hoeveel mensen schrijven en publiceren en aan de commerciële en andere overwegingen die uitgevers moeten maken, dan strandt de optimismemeter bij het cijfer 2.

 

‘Ik ben klaar voor meer,’ zeg ik. Rudi en ik liggen in onze hut van hooibalen, achterin de stal van de schoolboerderij. Het is zaterdag en ik ga dit weekend niet naar huis. Naast ons schuifelen de koeien, ze schrapen hun hoeven over de betonnen vloer, kletsen hun staarten tegen de metalen hekken. Dadelijk gaan ze herkauwen.
Rudi kijkt me verbaasd aan. ‘Doe ik het niet goed? Dit heb je toch graag?’ Hij tikt met zijn vinger tegen de stof van mijn broekje, wrijft over de vlek die er niet meer uit gaat in de was, iets waar ik me al lang niet meer voor schaam. Al mijn broekjes hebben zo’n vlek, maar volgens mijn moeder zijn ze nog goed genoeg. Zolang ze passen, moet ik ze dragen. Een luxe, die moderne onderbroeken zonder ingenaaid elastiek. Ze gaan eeuwig mee.
‘Ik wil gewoon meer, is dat zo vreemd na al die tijd?’ Ik klink bozig, ik voel me bozig. Waarom zegt hij niet gewoon ‘eindelijk, laten we eraan beginnen’?
‘En dit? Vind je dit ook niet fijn meer?’ Hij likt aan zijn middelvinger, legt zijn handpalm op mijn buik en glijdt met zijn hand langzaam mijn rok en daarna mijn broekje binnen. ‘Zoé,’ fluistert hij.
Een schok gaat door me heen zodra zijn natte vingertop me raakt en ik sluit mijn ogen.
‘Zie je wel,’ zegt hij en ik open mijn ogen weer.
‘Misschien ben ik het gewoon beu om jou af te trekken,’ zeg ik.
Lange tijd blijft het stil.
‘We kussen niet eens,’ zegt hij dan. Hij klinkt hees.
Ik schud mijn hoofd. Hij weet dat ik niet kus. Dat weet hij.
‘Goed dan.’ Hij trekt me overeind. Via de ladder klimmen we de hooizolder op en laten ons in het hooi vallen.
‘Hier kan niemand ons zien,’ zegt hij. Alsof hij het al heeft uitgetest. Hij schuift naar me toe en wil zijn lippen op de mijne drukken. Snel draai ik mijn hoofd weg. Zijn stoppelige kin schuurt langs mijn wang. Raspend, als de kin van Carola’s vader. Ik duw de gedachte weg.
‘Laten we lepeltje-lepeltje liggen, heel even,’ opper ik. Ik vlij me tegen Rudi aan.

Carola’s vader schoor zich aan de keukentafel. Twee keer per dag.
‘Als ik niet in de weg loop, mag ik dan kijken?’ vroeg ik. Tien jaar oud was ik en ik mocht voor het eerst uit logeren bij mijn vriendin van het internaat.
Carola’s vader lachte en knipoogde naar me.
Ik ging een beetje dichter bij de stoel staan waarop hij zat. Vanuit de woonkamer riep Carola dat de film begon. Grease. Met John Travolta, die net als Carola’s vader een putje in zijn kin had. Een putje met een stoppelveld erin.
‘Ik kom,’ riep ik terug, maar bleef staan.
De vader doopte een dikke kwast met witte haren in een gedeukte, aluminium kom die hij had gevuld met warm water. Daarna stroopte hij een reep papier van een stick. ‘Zeep,’ zei hij. Hij draaide de natte haren van de kwast over de top van de stick, net zolang tot er schuim op zat. Dat schuim wreef hij over de linkerkant van zijn gezicht. Over zijn wang, op zijn kin, tot halverwege zijn hals.
‘Goed kijken nu,’ zei hij. Hij legde zijn hoofd in zijn nek en trok zijn bovenlip over zijn boventanden zodat het stukje huid onder zijn neus strak stond. Met kleine raspende halen begon hij te scheren. Eerst naast zijn neus, dan onder zijn neus tot in het gleufje en daarna zijn kin en hals. Af en toe trok hij zijn lip wat strakker naar binnen.
‘Zo,’ zei hij. ‘En nu de andere kant.’
Hij klopte het scheermesje uit tegen de rand van de kom. De haartjes dreven op het water. Toen stond hij zo bruusk op dat ik geschrokken een stap achteruit zette. ‘Eerst even spoelen.’ Hij draaide de keukenkraan open, spoelde spetterend zijn gezicht af en depte het droog met de handdoek die naast de gootsteen hing. Die waarmee ik net de borden had afgedroogd.
‘Wil je voelen?’ Hij kwam naar me toe. Ik zette nog een stap achteruit. Nee, schudde ik. ‘Niet zo verlegen, ik eet je niet op,’ lachte hij. Snel liep ik bij hem vandaan, maar hij ving me met zijn grote handen. ‘Deze kant is zacht,’ grinnikte hij en hij wreef zijn linkerwang tegen de mijne. ‘En deze is hard.’ De stoppels op zijn rechterwang schuurden pijnlijk over mijn huid.

Zoe-01

Rudi’s vingers wandelen over mijn zij. Prikkend, plagend. ‘Je valt toch niet in slaap?’ vraagt hij.
Ik grom en draai me op mijn rug. Om de stoppels niet meer te voelen en te zien, trek ik mijn truitje over mijn hoofd. ‘Knijp in mijn borsten, Rudi,’ beveel ik en op de tast neem ik zijn handen en leg ze op mijn borsten. Hij knijpt erin. Hij knijpt te hard. Om hem af te leiden, trek ik mijn broekje uit en gooi het weg. De rok die ik altijd draag wanneer ik hem opzoek, houd ik aan.
‘Ik heb meer dan één rok, hoor,’ doorbreek ik de stilte. Mijn stem klinkt dof onder het truitje. ‘Maar deze is de breedste.’ Ik zoek zijn gulp, voel de bult en slik.
‘Je maakt vreemde geluiden, Zoé, gaat het wel?’ vraagt Rudi. ‘Wil je ophouden, wil je weg?’
Ik wilde weg, ik wilde naar huis, maar Carola liet me niet gaan. Die eerste nacht in haar huis werd ik ziek. Mijn keel deed pijn en ik kon niet ophouden met hoesten.
‘Zo kan ik niet slapen,’ klaagde Carola.
Ik lag in het bed naast het hare, het bed van het jongste zusje dat in de kamer ernaast bij de oudste zus sliep.
‘Kom,’ zei Carola toen ik bleef kuchen, ‘we gaan dampen.’
Op de gang slikte ik mijn hoest in en volgde Carola naar de keuken. Ze haalde de aluminium scheerkom van haar vader uit de kast, vulde hem met heet water en deed er een lepel Vicks in.
‘Hang je hoofd boven de kom’, beval ze. Ze gooide een handdoek over mijn hoofd en stopte de uiteindes onder de rand van de kom.
‘Ik stik!’ kuchte ik. Ik deed mijn ogen dicht en probeerde de paniek weg te duwen.
Carola’s hand duwde mijn hoofd dieper over de kom. ‘Dampen, Zoé,’ zei ze.
‘Hoe doe je dat?’ hijgde ik. Ik opende mijn ogen. Het was donker onder de handdoek. Ik wilde opstaan, maar de hand hield mijn hoofd in bedwang.
‘Heel diep inademen, en dan heel rustig uitademen,’ klonk het boven me.
Langzaam wenden mijn ogen aan het duister. Ik zag het water blinken in de kom. En op het water, plakkend in de half opgeloste Vicks, dreven de haartjes.
‘Adem je diep in?’ vroeg Carola.
Ze kriebelden in mijn keel, de haartjes. Ze versmachtten me. Ik rukte mijn hoofd uit Carola’s klauwen en hoestte alle haartjes weg. Zo hard dat er een gulpje avondeten uit mijn mond kwam. Draadjes stoofvlees dreven in de kom waarin Carola’s vader morgenochtend zijn baard moest scheren.
Ik begon te huilen. ‘Wat vies,’ snikte ik.
‘Zoé!’ Rudi pompt mijn arm op en neer. ‘Gaat het wel?’ vraagt hij weer.
‘Met mij wel, en met jou?’ Ik adem diep in, trek mijn truitje verder over mijn hoofd en leg het naast Rudi in het hooi. Mijn haren knetteren. Rudi’s lippen die weer de mijne zoeken, landen ergens in mijn hals. Een stroomschokje duwt hem weg.
‘Jij bent gevaarlijk,’ zegt hij. Hij ritst zijn broek open en trekt ze uit.
‘Ik vonk. Nog even en ik ontbrand.’ Ik hef mijn bekken en meteen schaam ik me. Lachwekkend, dat ben ik. Ik wil opstaan.
Maar Rudi grijpt me vast, trekt me naar zich toe en legt mijn been over zijn buik. ‘Kom maar,’ zegt hij, ‘lig maar bovenop.’
‘Nee, jij moet bovenop, ik wil voelen hoe sterk je bent.’ Dat is niet waar, dat wil ik helemaal niet. Maar zelf bovenop liggen wil ik nog minder. Ik draai me op mijn rug en spreid mijn armen en benen. Alsof ik een sneeuwengel ga maken in het hooi. Rudi zet zijn knieën langs weerskanten van mijn lichaam. Zijn onderbroek ziet er wat grijzig uit, alsof hij te vaak bij de donkere was heeft gezeten. Er zit een gele vlek in. We hebben veel gemeen, hij en ik.
Dan ligt hij op me. Wat is hij zwaar. Zijn gezicht hangt vlak boven het mijne zodat ik niet weet waar ik moet kijken.
‘Je hebt je onderbroek nog aan,’ zeg ik.
‘En jij je rok.’ Steunend op zijn elleboog schuift hij zijn onderbroek naar beneden en mijn rok naar boven en wanneer hij weer op me gaat liggen, zit de stof van mijn rok ongemakkelijk tussen onze buiken gepropt. Een ongemak dat ik snel vergeet wanneer hij tegen me aan begint te duwen. Hij probeert niet meer om me te kussen. Hij heeft zijn adem nodig. Hij hijgt, beweegt heen en weer, onhandig stotend.
‘Ken je dat speelgoedje, een bilboquet?’ vraag ik. ‘Zo’n houten staaf en een balletje met een gat erin dat je moet …’
‘Stil, Zoé,’ onderbreekt hij me.
Ik zwijg en volg wat hij doet. Hij wil erin. Dat wil ik toch ook? Hij zoekt zijn weg.
‘Ik vind het niet, toon me waar,’ zegt hij gespannen. Zijn geduw plet mijn schaamlippen.
‘Maak het niet kapot,’ steun ik. Hij hoort het niet, hij duwt en pookt ernaast, eronder, erboven. Net wanneer ik wil protesteren, hem van me af wil duwen en onder hem vandaan wil rollen, komt hij in me en blijven alle woorden steken in mijn keel. Terwijl hij begint te stoten, blijf ik heel stil liggen. Mijn armen gestrekt naast mijn lichaam. Niet ademen, niet bewegen. Dan gaat het beter. Niet nadenken. Luisteren, kijken. Naar zijn glimmende oogleden, naar de speekseldraad tussen zijn half geopende lippen, de inspanning op zijn gezicht. Zo houd ik het wel vol. Zo kan het nog langer duren. Dan plots stopt het stoten. Dan plots, terwijl hij secondelang onbeweeglijk boven me hangt – zo lang dat ik ongerust mijn handen naar zijn billen breng en duw, doe maar verder, toe – dan plots is daar de siddering die door zijn lijf trekt. ‘Zoé,’ kreunt hij. Doodstil onder hem liggend kijk ik toe, houd ik het vast, sla ik het op, dit gezicht, deze stem.
‘Zoé,’ herhaalt hij.
Ik weet niet wat ik moet zeggen. ‘Piep,’ giechel ik en een lach overvalt me. Schokkend draai ik mijn hoofd opzij zodat mijn neus in het hooi terechtkomt en begint te jeuken, kriebelen, waar is mijn hand om te krabben? Op Rudi’s billen, ik ben niet snel genoeg. Ik nies en duw Rudi uit me.
‘Wil je me zo snel kwijt?’ Hij ploft op zijn zij naast me neer en legt zijn hand op mijn buik. ‘Waarom lach je? Vond je het fijn?’ vraagt hij.
Ik veeg de tranen uit mijn ogen en knik. ‘Ja,’ zeg ik.
Hij buigt zich naar me toe, strijkt met zijn duim over mijn lippen en laat zich dan achterovervallen. Zo blijven we liggen, naast elkaar op onze ruggen, kijkend naar de spinnenwebben die aan de balken zwieren.
Even later trek ik mijn broekje en mijn trui weer aan en veeg het hooi van mijn rok.
‘Moet je al gaan?’
Ik knik.
‘Je komt toch terug?’
Dat heeft hij nooit eerder gevraagd.
De rest van de dag voel ik iets kloppen tussen mijn benen. Twee keer sta ik op het punt me ziek te melden om naar mijn kamer te gaan. Maar ik houd me in, stel het uit en als ik ’s avonds eindelijk onder mijn laken lig en me het beeld van Rudi’s gezicht voor de geest haal, hoef ik mezelf nauwelijks aan te raken.

Wil je het volledige afstudeerwerk van Ines Nijs lezen? Je kan het bestellen door te mailen naar ines.nijs@telenet.be.

Over de auteur

Ines Nijs is filoloog van opleiding, redacteur van beroep. Ze schrijft verhalend proza over mensen, over wat ze zeggen en wat ze verzwijgen. Haar stijl is dynamisch en laat tegelijk veel ruimte voor suggestie. Twee van haar korte verhalen werden gepubliceerd in het literaire tijdschrift Gierik & NVT. In juni 2016 studeerde ze af aan SchrijversAcademie Antwerpen.

Over de illustrator

Sjors Driessen maakt tekeningen onder de naam Topsy Turvy Magic en houdt zich vooral bezig binnen de muziekindustrie met soms wat uitschieters naar redactioneel werk en dat bevalt hem prima.

Lees meer uit de categorie Proza

De Nieuwe Lichting: Lieve De Bondt

Door Lieve De Bondt

De Optimist vroeg de nieuwe lichting afgestudeerden van schrijfopleidingen in Nederland en Vlaanderen om hun eindwerk in te sturen. In DE NIEUWE LICHTING presenteren wij fragmenten uit dat werk en stellen wij de schrijvers van de toekomst voor. We sluiten de reeks af met Lieve De Bondt. Lieve is vertaalster, en rondde haar opleiding aan de SchrijversAcademie […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper