Feuilleton Kort verhaal

De Wentelverhalen 1: Gavon – De winnaar

Door Sytze Schalk | beeld: Mathilde Bindervoet
28 oktober 2016

Lida-stad, een steeg. 22 november, jaar 1856 van de Pins-Monarchie, 06:30 uur.

‘Als je dood bent, moet je het zeggen.’
Een krakende stem. Meer niet. ‘Maar je ligt erbij alsof je een hartslag hebt. Kijk me ’s aan!’
Ogen openen. Moet lukken. Eerst tot spleetjes, wennen aan het licht. Het miezert, en het beetje adem dat ik uitblaas verandert in wolkjes, in koude damp. Ik lig om een lantaarnpaal gevouwen. De lampenhouder heeft een bloemenmotief, en boven de lamp is een cilindervormige, aluminium koker geplaatst: een oneindigOneindig‘Voordat we de Oneindig hadden leefden we in Lida als dieren, primitieve holbewoners. Het was de uitvinder Tesser die ontdekte dat je via een complex radarsysteem in een afgesloten cilinder met weinig kracht een bijna oneindige bron van energie kunt opwekken. Nu zie je de Oneindig overal, van de lampen in onze huizen tot aan de lopende banden in de fabrieken. Eén draai aan de Oneindig is genoeg om een straatlantaarn urenlang van licht te voorzien.’(Lezing op de Lidaanse Universiteit) . Tommo is nergens te bekennen.
‘Je ligt voor mijn paal. Ophoepelen.’
De rest van de steeg is smal en benauwd, met aan weerszijden kleine bakstenen huisjes. Het is donker achter de ramen. Er komt iemand voor me staan, een oud mannetjeLantaarnmannetje‘Als ik aan Lida denk, zijn de lantaarnmannetjes het eerste beeld dat ik zie, een leger van oude botten en vlugge vingers. Niemand weet hoeveel lantaarnmannen er precies zijn, maar ze zijn er altijd al geweest en zullen er altijd zijn. Vloekend en tierend schuifelen ze ’s nachts door de straten van de stad, om de lantaarnpalen op te winden. Zij geven Lida licht.’(Brief van een geëmigreerde Lidaan) . Hij heeft een rimpelgezicht vol smeervegen. Dun, wit haar plakt aan zijn wangen. Hij draagt een bruine overall, met een riem vol hamertjes, schroevendraaiers en ander gereedschap. Het mannetje knielt bij me neer en probeert me omver te rollen, weg van de lantaarnpaal, maar wanneer hij mijn kreupele been vastpakt, gaat er een scherp, brandend gevoel door me heen waardoor ik in een reflex mijn vuist in zijn gezicht sla. Het mannetje stommelt achteruit, jammerend en vloekend.
‘Stomme rat. Stomme strontvlieg. Komt de stad in en brandt alles af, zodat een man zijn werk niet meer kan doen.’
Het mannetje wil uithalen om me te schoppen, maar hij aarzelt als hij mijn kleren ziet.
‘Daar zou ik iemand naar laten kijken als ik jou was,’ mompelt hij. ‘Als er nog een ziekenhuis overeind staat.’
Ik kijk naar mijn kleren. Er zit een grote bloedvlek op mijn shirt. Ik voel met mijn vingers bij de plek waar de vlek het donkerst is. Niets. Geen wond. Het oude mannetje haalt zijn schouders op, slaat zijn benen om de lantaarnpaal en klimt omhoog. Hij is lenig, en binnen een paar seconden heeft hij de top van de paal bereikt. Hij pakt een hendel van zijn riem, steekt die in de oneindig, en geeft een harde zwengel. De lamp flikkert, en komt tot leven.

Ik probeer op te staan, maar dat gaat moeizaam. Kracht zetten op mijn benen lukt niet echt, dus grijp ik me vast aan de lantaarnpaal. Ik hijs mezelf stukje bij beetje omhoog.
‘Waar ben ik?’ roep ik naar boven.
‘De weg kwijtgeraakt terwijl je mensen aan het afslachten was?’
‘Ik heb geen mensen –,’ begin ik, maar krijg de rest van de zin mijn mond niet uit. Ik verander van onderwerp. Tommo. Het mannetje moet iets gezien hebben.
‘Waren er nog anderen? Een reus van een jongen? Bruin haar, brede neus?’
‘Zie jij hier verder iemand, strontvlieg? Alleen jij bent zo stom om hier te blijven liggen.’
‘Vertel me waar ze de gewonden naartoe hebben gebracht.’
Het mannetje is klaar. Hij glijdt van de lantaarnpaal naar beneden, ontwijkt mij en klopt zijn handen af. Voordat hij de hoek omgaat draait hij zich nog één keer om: ‘Er zijn geen gewonden. Of je leeft nog, of je bent dood. Zo was deze nacht.’
Ik voel tranen opkomen. Omdat ik woedend ben, omdat ik bang ben, ik weet het niet. Het enige dat ik op dit moment zeker weet is dat hij er niet is.
‘Hij heeft me nodig,’ roep ik naar het mannetje, met overslaande stem.
‘Ze hebben alle lijken verzameld en in de bootjesLijkbootjes‘Mama is vannacht doodgegaan, ik heb haar niet meer gezien. De mannen kwamen en hebben haar meegenomen. Vanochtend nam papa me mee naar een groot gebouw. Het was er donker en het stonk. Er was water en overal lagen bootjes. Op een van de bootjes lag mama onder een deken. We hebben haar spullen in het bootje gelegd en wat eten voor onderweg. Toen ging ze op reis. Naar de Zee, naar Daar. Papa zegt dat het beter is zo.’(Dagboekfragment van een 8-jarige Lidaanse jongen)  gelegd. Als je geluk hebt kun je ze nog net zien wegdrijven.’

dewentel_bindervoet

Het Wildergebergte. 21 november, jaar 1856 van de Pins-Monarchie, 21:32 uur.

We staan op een plateau in de heuvelsWildergebergte‘De Wilderbergen staan als een muur ten westen van onze stad. Dat is de grens, dat is waar Lida eindigt. Voorbij de stad eindigt onze beschaving en begint de wildernis. De Wilderbergen hebben ons altijd beschermd voor gevaren van buitenaf. Maar wij moeten ons beschermen tegen de gevaren die zich schuil houden in de bergen.’(Toespraak van Koning Pins)  ten westen van de hoofdstad. Beneden in het dal vieren de mensen feest. Het is de KoningsnachtKoningsnacht‘Een Nationale Feestdag ter ere van de onlosmakelijke band tussen de Pins-koningen en het Lidaanse volk. Zo noemen de officiële brochures het. Ik noem het een ordinair zuipfestijn. Maar van mij mogen ze. De Lidanen verdienen het om één nacht per jaar hun ellende te vergeten, met vuurwerk, drank en rare kleding.’(Dagboek van de Babriaanse ambassadeur in Lida) . Tommo staat naast me. Ik sla mijn armen om zijn nek. Hij buigt voorover, pakt mijn benen, en legt ze in de stijgbeugels die om zijn zij hangen. Dan pakt hij de leren riem en bindt mijn middel aan zijn middel. Tommo zeult mij mee, en ik hang om zijn nek. Ik ben zijn tweede schutter tijdens het jagen, en de ogen die in de kaarten van de anderen gluren. Soms ben ik ook de stem die het overneemt als hij niet uit zijn woorden komt.
Om ons heen staat een bonte verzameling WildermensenWildermensen‘De mensen uit Lida denken dat we barbaren zijn die hun zonen en dochters meesleuren in de nacht. Zij weten niet hoe wij hier overleven, in de Wilderbergen. De honger maakt dat we alles delen. De kou maakt dat we elkaar warm houden. Wij zijn betere mensen dan zij zelf zijn, door alles wat we al eeuwenlang ontberen.’(Toespraak van een van de leiders van de Wildermensen, tijdens de Nacht van de Revolutie) . Iedereen maakt zich klaar om te vertrekken. We zullen via de catacomben de stad binnenvallen. Voor veel Wildermensen zal het de eerste keer zijn dat ze LidaLida-Stad‘Lida is een prachtige hoofdstad, een afschuwelijke hoofdstad, een heerlijke hoofdstad, een doodsaaie hoofdstad. Het hangt er maar net van af op welke straathoek je toevallig staat. Voor sommigen is Lida de drukte van de haven, voor anderen de chique winkelstraten. Iedereen die hier komt leert één ding: je kunt er heel lang doorheen dwalen, maar je komt er nooit meer uit.’(Lidaanse Troubadour)  van dichtbij zien. Ik leg mijn hoofd op Tommo’s kruin. Hij heeft bruin borstelhaar dat kriebelt aan mijn neus. Ik hou van die kriebel. Hij aait me eventjes over mijn wang.
‘Denk je dat ze daar beneden ergens zullen zijn?’ vraagt hij.
Ik sta vaak ’s nachts met Tommo op dit plateau te kijken naar de gigantische vrachtschepen in de havenDe Wijk van de Havens‘Waar zou de wereld zijn zonder onze havens? Jaar op jaar groeien onze winstcijfers, en met reden. De havens van Lida zijn het kloppende hart van ons land, de motor van onze economie. Zelfs onze buurlanden zijn afhankelijk van onze pieren en pakhuizen. Hoe zou het staal uit Babrius anders in Kobrinde terecht moeten komen dan via de rivier de Tek, via ons?’(Inleiding tot de jaarcijfers van de Vereniging van Havenmeesters van Lida)  en de zee van lichtjes. Ik heb nog nooit een lantaarnpaal van dichtbij gezien. Tommo beweert dat alle lantaarnpalen om de paar uur opgewonden moeten worden door een leger van oude lampenmannetjes. Hij wil zijn ouders terugvinden. Ze legden hem te vondeling toen hij twee jaar was. Als ik heel eerlijk ben, ga ik alleen maar mee omdat het de enige manier is om bij hem te blijven. Als het aan mij zou liggen, zouden we de bergen nooit verlaten. Ik zou niet weten waarom we ons leven zouden moeten wagen voor mensen die ik nog nooit heb gezien, en die nog nooit iets voor ons hebben gedaan. Als je door een stel ongewassen geitenjagers moet worden bevrijd van je koning, dan verdien je ook geen vrijheid, denk ik. Maar Tommo gaat vannacht naar beneden, en ik zit aan hem vast.
Er klinkt gefluit vanuit de ingang naar de Wildermijnen.
‘Kom,’ zegt Tommo, ‘tijd om te gaan.’

Lida-stad, de Promenade. 21 november, jaar 1856 van de Pins-Monarchie, 22:18 uur.

Het eerste dat ik zie wanneer Tommo de putdeksel wegschuift en de straat op kruipt zijn de etalages van de Wijk van de WinkelsWijk van de Winkels‘Koningsdag-uitverkoop! Sla nu uw slag! De nieuwste stoffen en jurken uit Kobrinde! Exotische mango’s en ananassen van de Eilanden! Fraaie Oneindigs voor elk inkomen! Alles mag weg voor een prinselijke prijs! Wat u ook zoekt, u vindt het altijd aan de Promenade, in de Wijk van de Winkels!’(Advertentieblaadje van de Wijk van de Winkels) . Ze zijn feestelijk versierd voor de Koningsnacht, en overal is licht: van de uithangborden voor de restaurants, van reclamezuilen voor ontharingscrème, en van de lantaarnpalen, die zo fel schijnen dat het lijkt alsof de lampen van bladgoud zijn gemaakt. Maar er is iets geks aan de hand. Het is een feestdag, er zouden overal mensen moeten rondlopen, er zou muziek moeten klinken, of toespraken van de koning. Maar het is stil op straat. Ik haal mijn ogen van de reclameborden, en dan zie ik het: we zijn omringd.
De soldaten van de Koninklijke GardeDe Koninklijke Garde‘Je hoeft maar één ding te weten, kadet: jij bent de vlam van onze natie. Jij bent het enige schild tussen de koning en de duisternis. Vind je dat een zware last? Mooi, dat is het ook. Jij wilt toetreden tot de Koninklijke Garde van Lida, en wij accepteren alleen het beste van het beste. Vanaf vandaag leef jij alleen nog maar voor koning Pins.’(Toespraak voor de nieuwe kadetten van de Koninklijke Garde op de Militaire Academie)  hebben aan weerszijden van de straat een barricade opgebouwd en openen het vuur op de Wildermensen die door de hele straat uit de putten komen kruipen. Bovenop de barricades staan een jongen en een meisje. Ze schreeuwen bevelen naar de soldaten om hen heen. Waarschijnlijk zijn zij de luitenants van hun divisie. Ze lijken nog niet eens volwassen, maar ze dragen al wel een oceaanblauw uniform, en op hun borst zijn medailles gespeld.
Ik verstijf. Ik ben wel gewend aan het geluid van geweren, maar er heeft nog nooit iemand op mij geschoten. Ik weet dat ik terug moet schieten zodat Tommo tijd heeft om dekking te zoeken, maar het geweer in mijn handen lijkt ineens een bizar ding. Het had net zo goed een hark kunnen zijn.
‘Gavon! Een beetje hulp graag!’
Tommo’s stem brengt me weer bij zinnen. Ik ruk de veiligheidspal van mijn geweer en begin te schieten op de figuren in de verte. Mijn wilde schoten raken alleen de reclamezuilen, maar het geeft Tommo de tijd om weg te duiken achter een restauranttafeltje. Terwijl Tommo zijn eigen geweer begint te laden, blijf ik om me heen schieten, en een van kogels schampt een verkeersbord op de hoek van de straat. De kogel verandert van richting, en boort zich precies tussen de ogen van de luitenantsjongen. De jongen tolt, maakte een halve draai en rolt van de barricade af. De soldaten van de Garde houden op met schieten. Het luitenantsmeisje slaakt een gil, werpt haar geweer weg en rent naar de jongen. Ze neemt zijn lichaam in haar armen en begint hartverscheurend hard te huilen. Mijn handen trillen, en ik gooi mijn geweer op de grond.
De andere soldaten komen om het luitenantspaar heen staan. Het huilen van het meisje stokt en ze kijkt op. Ze pakt haar dolk uit haar riem en stormt op ons af. Ik trek aan Tommo’s haar, en hij rent de dichtstbijzijnde steeg in, maar in mijn paniek trek en spartel ik zó hard dat hij zijn evenwicht verliest. Hij valt achterover, met zijn volle gewicht op me en ik voel hoe alle adem uit mijn lijf wordt geperst. Tommo slaat met zijn armen om zich heen, zoekt de vaste grond onder zich, maar voordat hij iets kan doen, is het meisje bovenop hem gesprongen. Ze heft haar dolk op en steekt in op Tommo’s borstkas. De dolk gaat dwars door zijn lichaam heen en ik voel de punt tegen mijn eigen buik aanprikken. Tommo pakt het hoofd van het meisje en breekt in één beweging haar nek. Haar hoofd valt op dat van Tommo, haar lange haren vallen over mijn gezicht, kriebelen in mijn neus. Ik zie alleen nog Tommo’s achterhoofd, en ik hoor een raar, gorgelend geluid dat uit zijn keel komt. Ik krijg geen lucht, ik kan me niet bewegen. Maar ik moet hem helpen. Hij heeft me nodig.

Lida-stad, een steeg. 22 november, jaar 1856, 06:45 uur.

Het licht van de lantaarnpaal schijnt in mijn ogen. Het is niet zo fel meer nu de zon begint op te komen. Ik probeer me Tommo’s lichaam voor te stellen in een lijkboot. Het zou niet eens passen. Ik sluit mijn ogen, en net als ik heb besloten dat ik nooit meer ergens heen ga en dat ik altijd onder deze lantaarnpaal zal blijven liggen, is er een stem. Meer niet.

‘Ik begreep dat jij op zoek bent naar je vriend. Ik kan je hem helpen hem te vinden.’

Lees hier deel 2 van De Wentelverhalen.

Over De Wentelverhalen

De koning is dood. Wat nu?

‘De Wentelverhalen’ is een maandelijkse verhalenreeks over het fictieve land Lida en de ‘Scherfvinders’: journalist Gavon, rechercheur Limme, troubadour Ani en scholier Klement. Terwijl Lida opnieuw wordt opgebouwd na een bloedige revolutie, proberen de Scherfvinders het mysterieuze verleden van hun nieuwe wereld te ontrafelen.

Elk Wentelverhaal kan op zichzelf gelezen worden, maar samen vormen ze een doorlopende reeks. De Wentelverhalen zijn onderdeel van De Wentel: het eerste ‘multiverhaal’ van Nederland, dat tot leven komt in uiteenlopende vormen: literatuur, theater, computergames, illustraties en meer. Zo kun je vanaf voorjaar 2017 ‘De 7 Dagen van Klement’ spelen, de eerste literaire game van De Wentel.

Kijk voor meer informatie en verhalen ook op de facebookpagina van De Wentel: www.facebook.com/dewentel.

Over de auteur

Sytze Schalk (1988) is (toneel)schrijver, regisseur en gamedeveloper. Hij maakt multiverhalen, en zijn projecten spelen zich allemaal af in de fictieve wereld van De Wentel. Sytzes verhalen gaan over empathie en de vraag hoe je kunt samenleven in een wereld die geregeerd wordt door angst voor de ander. Sytze schrijft, regisseert en ontwerpt o.a. theatervoorstellingen, literatuur, kaartspellen, apps en computergames. En op een dag zal hij Pokémontrainer worden.

Over de illustrator

Mathilde Bindervoet tekent vrolijke figuren en droeftoers bij andermans tekst en eigen hersenspinsels. Om haar naam aan te dikken met wat internationale allure tekent ze onder de Franse vertaling van haar achternaam: @bindrepied. Vindbaar in de virtuele wereld op: www.mathildebindervoet.nl

Lees meer van

De Wentelverhalen 2: De beul

Door Sytze Schalk

Lida-stad, Aula van de Universiteitscampus. 23 november, jaar 1, 02:12 uur. Het is feest. Het halve dierenrijk is hier, samengeklonterd op de dansvloer, in het roze licht van de aula. Ze zijn jong, en ze zijn vrij. Ze dragen maskers en ze houden elkaar gevangen hier. Houden mij gevangen. Ik zit roerloos op de bank […]

Lees meer uit de categorie Feuilleton Kort verhaal

Afspraakje

Door Frank Heinen

Jean trekt een gezicht naar de spiegel. Op zijn uiterlijk valt niet echt iets aan te merken. Niet dat hij zichzelf als wild aantrekkelijk zou omschrijven, dat niet, maar hoe noemen ze dat? Hij mag er zijn. Grote onvolkomenheden ontdekt hij niet in zijn spiegelbeeld. Nu ja, misschien zijn ogen. Die zijn aan de doffe […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper