Poëzie

In vertaling: St. John Roberts

Door Meirion Jordan | beeld: Peggy de Bruin
16 november 2016

Cultureel/literaire initiatieven zijn niet elkaars concurrent, maar juist elkaars vrienden en collega’s. Daarom wisselen De Optimist en literair tijdschrift Kluger Hans vier keer per jaar een eerder gepubliceerde tekst uit, gekozen door de redactie, om bij de ander nogmaals voor het voetlicht te plaatsen. Onderstaande gedicht, geschreven door Meirion Jordan en vertaald door Raf De Bie, verscheen eerder in Kluger Hans #29.

Peggy de Bruin_Jordan

St. John Roberts, martelaar sinds 10 december 1610

1.

Laat me de pechvogels in Londen 

beschouwen – nee laat me de pest

beschouwen, op het punt van uitbreken

dat jaar, de hete straten

fermenteerden de doden met hun kronkelende

korsten, zwellende hopen dood

huilden neer vanaf de kar.

2.

Laat ons de verschillende

vreemdelingen, zwervers, 

notoire figuren beschouwen, 

aangekomen door reisposten,

wandelingen, laat ons

Spanje en de Lage Landen beschouwen,

jullie geschiedenis van onrust,

jullie geschiedenis van meningen verkondigen,

jullie geschiedenis van meningen niet verkondigen.

Al deze dingen zijn gebalanceerd,

al deze dingen zijn beschouwd,

gewogen, rondgegaan, goedgekeurd en afgestempeld,

al moeten we waarschuwen dat

jullie zelf gezocht kunnen worden

jullie zelf gevonden kunnen worden

op alle manieren die in onze beschaving 

ongewenst zijn.

3.

Dan, in de ochtend, elke ochtend

zo noodlottig als de vorige,

steken we kolen aan om ons

te verwarmen, denken over

witte mist die dik over de rivier

klimt, de witte toren, Baynards,

vele andere paleizen. We menen

roetdeeltjes te zijn, uitgestoten

van koorts om neer te strijken

op de witte omhulsels

van de stervenden, op de doden

en op de arme doden.

4.

Wat is het resultaat van al

deze complexiteit, wat is

het einde, het is het vermogen

om in je beenmerg de behoefte

te vinden om op te staan om vier uur,

enkele uren voor vier, om de ridders

het verre einde van een steeg te zien

oversteken tussen houten steunbalken

en te verdwijnen zoals de schaduw 

van een lach, om je dan achteloos 

te begeven in het huis van ziekte, van grote smet,

van zielenplaag en om die bleke 

weerspiegelingen van handen in de jouwe

te nemen en enkel de meest

verwachte woorden uit te spreken –

5.

ondervindend dat ook jij ze 

nodig hebt, ondervindend dat ze

tweedracht stoppen binnen in

je vreemde corpus, deze pezen

waarvan vier gekleurde strengen

je doen overhellen naar gal,

vrolijkheid, ochtend, nacht,

opstaan, slapen, bidden, zelfs als 

die bleke handen je wegtrekken, 

je vingerafdrukken achterlaten

in dat zachte, in dat boterzachte,

dat kneedbare, die was.

6.

Wij zijn gearresteerd, we reizen, 

keren terug en worden opnieuw

gearresteerd, verbannen,

zonder papieren, onze papieren

zijn waardeloos, onze papieren

zijn enkel papier, ze zijn enkel

pap, en wij die geheime gedachten

koesteren – lazari, quondam paupere

wij varen over, wij keren terug,

raken verloren, raken bijna

verloren op de wijde mouw van de

oceaan, op de wijde veeg, nek,

keel, slokdarm die ons hier

scheidt van daar.

7.

Kooplui van de Italiaanse handel,

de Vlaamse, Rijnlandse, de Ambassadeur,

uiteraard zullen zij, uiteraard komen zij,

sturen ze hun dienaars en hun dienaars’

vrouwen om discreet voedsel in dunne

doeken of papieren te wikkelen, 

te leveren, te delen, terwijl

zij eraan komen.

8.
Zij zullen zeker naar hier geroeid worden

door stevige, eenlettergrepige

vreemdelingen op de trappen van

het getij, naar Baynards, om

toehoorders te zoeken, met name om

verzoekschriften te maken, om 

vrijlatingen te verkrijgen,

en we zullen een knik vol medelijden

te zien krijgen als we uit onze cellen

komen – als we met wat geluk vreemde vogels

hun veren zien gladstrijken

op vers gemaaide grasvelden in de ochtend,

wetende dat ze hier buiten het seizoen zijn,

wetende dat ze hier snel zullen vertrekken.

9.

Wij denken niet terug. We zetten

onze gedachten niet terug naar de

eerste bloeddruppels als seconden in

onze universele klok, we meten niets

anders dan passie. We weten dat we

gereisd hebben, zien dat we vreemdelingen

zijn geworden, zelfs vreemdelingen

voor vreemdelingen, wij zijn zelf

bewoners geworden van Bethlehems

kribben – wij, die onze eigen tongen eruit

rukken, ze vervangen. Die onze ogen eruit

rukken, onze nagels, onze haren met de 

zwakke wortels.

10.

Wij denken niet terug; we denken

enkel vooruit, hoewel, in de nacht,

als de slaap ons bezoekt, zien we 

de bergen, de donkere natte hellingen 

van Mawddwy bedekt onder bossen.

We zien de kerk met zijn graven die

zich openen, de gek bevrijdend,

schildknaap, koster en deugniet,

domweg knipogend alsof dit

niet het einde der tijden is

maar vandaag, alsof ze opnieuw

vrijuit kunnen gaan, eieren of bier

lenend van hun neven, alsof

dit niet het einde is, de troon

hangt in de blauwe hemel. En zo

waak ik, de vloer tegen mijn ruggengraat.

11.

Waarna duisternis volgt; waait, 

slaat, mishandelt, sterke winden

schudden de hemelse schoorsteenpotten

door elkaar. Martelingen voorafgaand 

en volgend op veroordelingen, 

Newgate heeft de mogelijkheid 

om ons allemaal te dagvaarden

in onze plechtige kledij, heeft

de macht om alle broze dingen

in twee te breken, te malen,

te vermalen als bloem, te verbranden, 

uit te hongeren, te splitsen, pijnigen,

hameren, om alle imperfecties eruit

te smeden, om ons opnieuw te maken – 

ons van onszelf af te scheiden, om ons

politiek te ontleden hoofdzakelijk

door schuld en verraderlijke gedachten.

12.

En in de dood betekent medelijden weinig

maar toch iets. In de dood verliezen we 

onszelf, onze lichamen, ons gevoel van

thuis, de top, het dal, het oosten of het westen 

van ons bestaan. We keren niet terug. We 

verliezen onze lichaamsdelen, onze ogen, 

gezichten, ons gestel, krijgen wormen, 

kevers, verliezen ze, worden leger

en leger. We verliezen: we raken

verloren in het worden van anderen hun 

verlies, we zijn immuun aan gered worden. 

We worden wat anderen van zichzelf

weten te redden.

13.

En van dit alles helemaal afgescheiden,

ontleed, werkelijk niemand meer, 

politiekloos wezen, verschijnen we, 

we rusten afzonderlijk. We zijn

omsloten door goud, we zijn omsloten

door lood, lucht, eerbied, als kerken

in hun bijna circulaire landen, hun graven

en heuvels. Onze lichamen worden heilige

afwezigheden, werken van goud

en zonlicht en het geluid van

helemaal niets.

14.

Waarbij geluid, waarbij dat diep

gespreide moeras waar woorden ontbreken

ons slechts één keer laat omkeren,

laat ons dan over onze schouders terugkijken, 

slechts één keer en dan vertrekken.

Laat ons de pest van dat jaar beschouwen,

de hete straten. De doden en de arme doden.

Over de auteur

Meirion Jordan is dichter, redacteur en muzikant. Hij werd geboren in Cwmllynfell, Zuid-Wales, en studeerde wiskunde aan Somerville College in Oxford. Tijdens zijn studentenjaren in Oxford won hij de Newdigate Prize. Zijn debuutbundel, Moonrise (Seren, 2008) werd genomineerd voor de Forward-prijs voor beste debuut. Zijn pamflet over buitenstaanders en vreemdelingen in Norwich, Strangers Hall (Gatehouse, 2009), werd genomineerd voor de Jarrold East Anglia Book of the Year Award. Zijn meest recente bundel Regeneration werd gepubliceerd door Seren in 2012. Hij trad op tijdens tal van literaire manifestaties en festivals zowel in het Verenigd Koninkrijk als in andere Europese landen. Zo was hij onder meer te gast op het Ledbury Poetry Festival (GB), het Hay Festival (GB) en het Internationales Literaturfestival Berlin (D). Daarnaast is hij redacteur van Gatehouse Press dat onder meer het literair tijdschrift Lighthouse uitgeeft. Gatehouse Press promoot het werk van nieuwe Brits talent. Hij treedt ook op als violist met traditionele Britse en Ierse muziek. Bron: Poëziecentrum.be

Over de illustrator

Peggy de Bruin is afgestudeerd aan Design Academy Eindhoven, is werkzaam als beeldredacteur en houdt van collages maken van stukjes internet. Daarnaast heeft ze een zwak voor drag queens en primaire kleuren (http://penelopeprimarily.tumblr.com/). Meer werk: http://peggydebruin.nl/

Over de vertaler

Raf De Bie (1986) woont en schrijft in Antwerpen. Hij studeerde aan SchrijversAcademie Antwerpen en maakte twee jaar deel uit van de redactie van literair tijdschrift Kluger Hans.

Lees meer uit de categorie Poëzie

Vers in de Etalage: Jorina van der Laan

Door Jorina van der Laan

Op de kermis klimmen we uit de karretjes van het reuzenrad en dreigen te springen. We worden opgemerkt, maar niemand grijpt in. Alsof er buiten ons om is afgesproken dat het te laat is om ons op te rapen. We blijven nergens langer dan nodig is: de zweefmolen waar onze jongere broertjes in overgeven, de […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper