Kluger Hans Kort verhaal

Bij meren van regen

Door Ferdinand Lankamp | beeld: Reinout Dijkstra
8 december 2016

De naam van Jacobus Malan hoorde ik zeven dagen geleden voor het eerst. De man die hem uitsprak, kapitein Remer, las de verdere orders zo zacht voor dat hij slechts met moeite boven het wapperen van het tentzeil uit te horen was.
           Slechts zeer zelden, moest ik weten, kwam een Duitser in de weidse graslanden van het noorden, bij de grens tussen Duits-Zuidwest-Afrika en Angola. De inheemse bevolking was blanken gewend die de weg kenden, de taal spraken en de gewoontes eerbiedigden, zoals de zendelingen met hun merries en de smokkelaars met hun ossenwagens. Wij waren maar vreemden voor ze.
            Remer zou nooit toelichten waarom hij juist mij had uitgekozen om hem te vergezellen. Misschien had hij er nooit over nagedacht, misschien was het hem om het even. In elk geval leek hij nauwelijks beter te weten dan ik waar we in godsnaam naartoe zouden gaan.

Onze gids, die zich de volgende ochtend vroeg was komen melden, had nog nooit kamelen gezien en lachte zich een breuk toen hij de onze zag. Al hikkend en klappend in zijn handen liep hij heen en weer, dan weer voor ons, dan weer naast ons, dan weer achter ons. De beesten werden er wat onrustig van.
            Hij ging voor ons uit, te voet, beperkte zich tot grinniken, neuriën en enkele dienstmededelingen in gebrekkig Duits. ‘Wasser, zwei Stunden.’ Met zijn rechterarm maakte hij een nonchalant werpgebaar richting het noordoosten. We keken die kant uit, door het licht, maar zagen niets dan grasland, wat verloren rotsen en bomen, en een zacht oprijzende heuvel aan de horizon. Na vrijwel exact twee uur verscheen een bron tussen het savannegras, vanuit het niets. We lachten.

Vijf dagen geleden, op de tweede dag van onze reis, zag ik in de verte de schittering van de regenmeren: enorme massa’s water die in het natte seizoen waren ontstaan en binnen enkele weken weer zouden verdampen. Daartussen gleden kudden runderen voort, als wolkenschaduwen zo traag, elk vergezeld door het silhouet van een herder en zijn staf. Ik geloof niet dat ik iets gezegd heb.
            We bereikten een bron, sliepen vroeg in en werden bij het krieken van de dag door onze gids gewekt. ‘Nordnordost. Fünf Stunden. Viel Glück.’ Hij gaf ons beurtelings een hand, vertrok toen in de richting waar we vandaan waren gekomen. We keken hem na. Op zijn rug viel het ochtendzonlicht, dat feller werd naarmate hij zich verder van ons verwijderde.
            Ik had de taak gekregen de horizon in de gaten te houden, op zoek naar tekenen van beschaving. Mijn ogen waren beter, beweerde Remer, die als navigator fungeerde. Hij omklemde voortdurend zijn kompas en waarschuwde onmiddellijk wanneer we van onze koers dreigden af te wijken.
            Na een paar uur rijden verscheen een stip aan de horizon, anders dan alle andere stippen. Van opluchting brachten we zacht briesende geluiden voort, ik geloof dat Remer zelfs werkelijk lachte. De vlakte had onze bestemming onthuld.
            Een houten klokkentorentje, een rieten dak ondersteund door maagdelijk witte muren: dat was de stip, zo zagen we toen we naderbij kwamen. Links van het kerkgebouwtje ontspon zich, tegen het blauw van de hemel, een kleine stofwolk. Een ruiter op een paard in draf, aan de overzijde van een massa trillende lucht.
            De ruiter stelde zich voor als Ravolainen. Hij droeg een witte, breedgerande hoed; zijn oogkassen leken verwrongen door het afspeuren van de vertes rond de zendingspost, en in de groeven en het bruin van zijn huid lagen jaren van zon en hitte besloten. Ooit moest hij minder vreemd zijn geweest. We lichtten kort onze hoeden, hij de zijne.
            ‘Nur zwei?’ zei hij met een zwaar accent.
We knikten. Hij reikte ons vers water aan.

Samen met wat jongere zendelingen leidde Ravolainen ons rond op de post, die naast het kerkgebouwtje uit wat gelijkvloerse woningen en hutjes voor de werklui bleek te bestaan. We ontmoetten een paar jonge bekeerlingen, weesmeisjes die in witte jurkjes waren gepropt en die in het Fins, Zweeds en Duits passages uit de Kleine Catechismus konden opdreunen. Ze praatten heel zacht en klonken gelukkig.
            Onder het eten vertelde Ravolainen een en ander over de zending. Het ging niet alleen om de verkondiging van de blijde boodschap, nee, de bevolking moest ook weerbaar worden gemaakt tegen de uitwassen van de moderne beschaving. Men kende de waarde van geld niet, wist niet hoe men met overvloedige hoeveelheden drank moest omgaan, haalde levensgevaarlijke capriolen uit met vuurwapens waarvan de werking maar half werd begrepen. Hij zei van alles over het belang van matiging, noemde dat de voornaamste voorwaarde voor ware beschaving, enzovoorts. Toen zei hij de naam van Jacobus Malan. Dat is nu vier dagen geleden; het was de eerste keer dat ik hem hoorde zonder dat hij door Remer of mijzelf werd uitgesproken.

Remer en Ravolainen gingen de nederzettingen langs. De vaders moesten op de hoogte worden gebracht van onze aanwezigheid, zodat ze wisten dat ze Malan snel konden overdragen als ze hem in de kraag vatten. Hun eerste tocht was de ochtend na onze komst, drie dagen geleden; ik geloof dat ze diezelfde dag nog wel drie of misschien zelfs vier keer op pad zijn gegaan, de dag erop nog vaker.
            Ik bleef achter, verpoosde op de veranda’s en binnenplaatsjes of tuurde juist de verte in, op zoek naar wilde beesten om over naar huis te schrijven. Een kleine schoolklas zong een lied voor me, in het Duits. Ik probeerde genoeg te eten en te drinken.

Gisterochtend vroeg wekte Ravolainen ons. Luidkeels noemde hij de naam van Jacobus Malan, wel een paar maal achtereen. ‘Ze hebben hem! We moeten gaan!’
            Buiten was het nog donker. De kamelen, die het niet gewend waren ‘s nachts te rijden, stribbelden wat tegen en moesten met sussen en sissen tot bedaren worden gebracht. We zagen bijna niets.
            Ravolainen vertrok te paard. We volgden hem, konden nog net zijn silhouet ontwaren; aan de horizon begon de hemel al te gloren.
            Toen het licht was bleek het land om ons heen nagenoeg volmaakt vlak, op een plots oprijzende (en evenzo plots verdwijnende) lage richel in het noordwesten na. Bij die richel meende ik een stilstaande ossenwagen te zien, met de ossen al voorgespannen. Traag knikten en schudden ze hun koppen.
            Recht voor ons was een groep hutten die in een halve cirkel rond een open plaats waren gebouwd. Daar verzamelde zich een kleine menigte, die onder ons naderen bleef aanzwellen. Ze zwaaiden en al snel hoorden we hun stemmen over de vlakte schallen, ze riepen telkens hetzelfde. Remer wendde zich tot mij, mompelde dat Ravolainen en hij naar de nederzetting zouden gaan, en dat ik naar de ossenwagen bij de richel moest. En ik ging.
            De ossen loeiden zacht toen ik de achterkant van de ossenwagen besteeg. Buiten kon ik de drank al ruiken en de warmte al voelen. Ik boog het hoofd, sloeg het zeil opzij, stapte op een enkel gespreid laken dat helemaal doordrenkt was. Onder de zolen van mijn laarzen kraakten scherven van een of twee flessen die kapotgevallen of -geslagen waren. Op sommige zat bloed. Er waren rake klappen uitgedeeld.
            Aan mijn linkerhand stonden houten, onbedrukte kisten die ik slechts met behulp van mijn bajonet open wist te wrikken. Nog meer drank, uit alle windstreken. Aan mijn rechterhand, gelegen in de lengte van de ossenwagen, een vijftal oude Portugese of Spaanse geweren, in tamelijk goede toestand. Overal vliegen. Het werd te warm, ik moest de wagen uit.

Het was al halverwege de ochtend toen Remer en Ravolainen buiten de nederzetting verschenen. De zon begon te schroeien, de lucht te beven. Remer op zijn kameel en Ravolainen op zijn paard leken monsterachtige schimmen die hoog boven de hutten uit torenden. Zo hingen ze even in de lucht voordat ze zich op en neer schokkend in beweging zetten.
            Er kwam iemand mee. Eerst was hij nog een trillende lijn in de lucht ter hoogte van het borstbeen van Remers kameel, toen een vlek die duidelijk een mens was: een stevige romp op korte benen, een kalend hoofd met een bebaard gezicht. Steeds dichterbij, tot ik in de schaduwen van zijn kassen zijn koolzwarte ogen zag. Ik noemde zijn naam, hij groette me.
            Remer had het uiteinde van een touw om zijn pols en hand gewikkeld. Daarvandaan liep het in een elegante boog van enkele meters naar Malan, wiens hele bovenlichaam erdoor omsnoerd werd. Hij scheen volkomen hulpeloos, was gedwongen achter Remer aan te draven.
            Hij had al toegegeven dat hij alle waar vanuit Angola via Swartbooisdrift naar Zuidwest-Afrika had gebracht. Daar had hij woekerwinsten willen maken. We bleven bij de ossenwagen hangen, bespraken wat we zouden doen. Remer besloot Ravolainen ter plekke aan te stellen tot voogd over de geconfisqueerde waar. We zouden nog even naar de zendingspost gaan voor voorraden, maar onmiddellijk daarop zouden we vertrekken. We hadden nog genoeg uren licht om de bron te bereiken waar onze gids ons had verlaten. Terwijl hij dit alles voorstelde gleden vanonder de rand van zijn hoed zijn ogen langs de hemel. Heel even een geweldenaar.

reinout-dijkstra_ferdinand

Gisteren, vlak na het middaguur, verlieten we de zendingspost. Remer en ik op onze kamelen, Malan te voet achter ons, nog altijd vastgesnoerd en door Remer voortgetrokken. Hij bleek goed Duits te verstaan en het redelijk te spreken, stelde allerlei vragen over de kamelen: over rijtechniek, over hun meegaandheid, over hun voeding en waterbehoefte, over hun uithoudingsvermogen, enzovoorts. Hij had ze nog nooit van zo dichtbij gezien, zei hij.
            Uiteindelijk moesten we ons wat haasten om voor het donker bij de bron te komen. Malan werkte mee door zijn pas te versnellen. Uit wat barse opmerkingen bleek dat hij buitengewoon bekend was met het gebied; bomen, rotsblokken en geringe hoogteverschillen waren voor hem unieke en onmiddellijk herkenbare oriëntatiepunten.
            Eenmaal bij de bron bonden we hem vast aan een vijgenboom. Hij morde niet, leek het allemaal vanzelfsprekend te vinden. We maakten een vuur, voerden hem, trokken met onze tanden dikke repen biltong stuk. Een feestmaal. Remer genoot, dat denk ik echt. Hij lachte, verhief zelfs zijn stem.
            Een eigenaardige nacht, gisternacht. Remer en Malan verwonderden zich over het duister, als was het hun eerste nacht ooit, keken omhoog, bespraken de maan en de sterren die zo anders waren dan ik gewend was. De zuidelijke hemel: Malan had nog nooit een noordelijke gezien, zei hij.

Hij was een geboren Afrikaan, vertelde hij, grootgebracht op een boerderij aan de voet van de Magaliesberg. Daar woonde hij met zijn ouders en twee jongere zusters tot zijn achtste of negende levensjaar, hij wist het niet meer precies, toen het gezin zich aansloot bij een karavaan Boeren die elders hun heil wilden zoeken. De bestemming was het gebied waar we ons nu ongeveer ophielden, langs de grens tussen Zuidwest-Afrika en Angola. Daarvoor moest de grote Kalahari worden overgestoken.
            ‘We hebben heel veel vee, en hun hoeven werpen stof op, verstaat u? Heel grote stofwolken. We raken verdwaald zo, we komen in gebied met weinig water, de fonteine is te snel leeg. Vee sterft, ossen sterven. De vaders vechten en mijn moeder moet baie, eh, weinen, verstaat u?’
            Zo vertelde hij zijn verhaal, in een mengelmoes van Duits en Kaaps-Hollands. Hij besloot met de ochtend waarop hij zijn ouders en zusters wilde wekken, die naast hem in de ossenwagen de nacht hadden doorgebracht. Bij het trekken aan zijn moeders arm vlogen honderden vliegen op van hun lichamen. Van de dorst gestorven. Ze werden dezelfde dag nog in de woestijn begraven.
            We besloten het vuur te doven en te gaan slapen. We hadden de volgende dag nog enkele tientallen kilometers af te leggen.

We vertrokken vanochtend vroeg. Al binnen een uur begonnen mijn ogen pijn te doen door het turen naar de horizon. Wanneer ik mijn blik richtte op iets dat naderbij was, zag ik bij vlagen wazig of dubbel. Ik weet eigenlijk niet of ik vannacht geslapen heb. Malan bleef maar vragen stellen over de kamelen en vatte soms zijn opgedane kennis samen in een paar steekwoorden. ‘Genau, genau!’ hikte Remer dan.
            We kwamen bij een bron, aten en dronken, praatten wat met elkaar, en vervolgden onze weg. Dat was even na het middaguur, misschien een uur geleden.
            Na drie kwartier begon Malan geestdriftig te kakelen. ‘Dadelijk de meren! Vooruit, kijk vooruit!’ herhaalde hij, en ik tuurde en tuurde, probeerde een echte waterschittering tussen de luchtspiegeling te ontwaren.
            ‘Ik zie niets.’
            ‘Kijken!’
            ‘Zijn we al zo dicht in de buurt?’
            ‘Kijken!’
In mijn ooghoek zag ik dat Remer wat naar voren gebogen zat. Ook hij was aan het turen. We zagen zeeën van dichter gras, meer stipjes waarvan we inmiddels wisten dat ze plukjes struikgewas en bomen zouden blijken. En toen, in een witte streep tussen het groen van het gras en het blauw van de hemel, zonlicht dat, onmiskenbaar, weerkaatst werd vanaf een watervlak. Dat moet nog geen vijf minuten geleden zijn geweest.
            ‘Daar!’ zei ik. Met een brede glimlach wendde ik het hoofd naar Remer.
            ‘Het is toch allemaal goed dat …’ zei hij, maar voordat hij zijn zin kon afmaken was hij verdwenen. Zijn been vloog nog door de lucht, het zadel waarop hij gezeten had gleed achter hem aan. Zijn kameel kreunde en bromde, er klonk een doffe klap, een zucht. Heel even dacht ik dat hij gewoon gevallen was. Heel even.
            Ik draaide mijn kameel een kwartslag. Tussen de plukken savannegras achter ons lag een dik stuk touw dat een paar meter verderop eindigde in een nutteloos hoopje. Het ging zo snel dat mijn geest het niet kon bijbenen.
            Een kleine oerkracht aan mijn been en mijn flank zoog me neerwaarts, mijn voeten werden uit de stijgbeugels gelicht, het zadel gleed een stuk met me mee. Ik landde op mijn schouder, probeerde op mijn zij te rollen maar werd op mijn rug gedrukt. Mijn geweer, tussen mijn lichaam en de aarde in, leek al mijn wervels te vermorzelen.
            Bovenop me zat Malan, zijn linkerhand in mijn gezicht, zijn rechterhand tot een vuist gebald, vervaarlijk trillend ter hoogte van zijn schuimende en opeengeklemde kaken. Zijn ogen had hij wagenwijd opengesperd; het koolzwart bleek te zwemmen in een zee van wit. Ik deed iets met mijn handen om hem af te weren.
            ‘Nur schlafen,’ zei hij. ‘Anders kom je achter me aan. Kom, laat me je een klap geven. Je kameraad slaapt ook. Nur schlafen. Je kunt dadelijk zelf naar de meren lopen. Ik neem niet al jullie biltong mee, dat beloof ik.’
            Ik riep de naam van Remer en draaide, onder druk van Malans hand, mijn hoofd opzij. Tussen het gras en de kamelenpoten door zag ik hem liggen, zijn hoed half van zijn hoofd, zijn nek onnatuurlijk gebogen, zijn ogen niet meer langs de hemel glijdend. Mijn mond en neus vulden zich met stof. Ik riep alles aan, van de krekels in het gras tot de zon in de hoogte, en zette kracht.

Wat daarna gebeurde moet ik nog bevatten. In elk geval sta ik nu weer overeind. Misschien bloed ik ergens, ik zal vast wat hebben gekneusd of gebroken. Maar ik ben niet moe meer. Malan is er nog, tegenover me. Hij hijgt en kijkt wat bedremmeld, het is hem niet gelukt.
            Remers lichaam ligt ergens achter me, bij de kamelen, die heel gedwee halt hebben gehouden en nu brommend staan te wachten tot iemand hun gebiedt weer te gaan lopen. Ik vraag me af of hij het weet. Ik trek mijn hoofd met wat korte rukjes opzij en naar achteren, in de richting van het lichaam.
            ‘Ik geloof dat hij dood is.’
            Hij wacht een paar tellen, kijkt. Zijn schouders zakken, ter plekke lijken diepe kuilen in zijn jukbeenderen te ontstaan. Hij weet het, hij herkent de dood.
            ‘Je moet mee,’ zeg ik. ‘Dat is het beste. Je moet mee.’
            Hij lijkt me niet te horen. Wat was hij van plan geweest? Ons tijdelijk uitschakelen, waarschijnlijk, de kamelen meevoeren naar Swartbooisdrift om ze in Angola te verkopen. En met dat kapitaal zou hij weer van voren af aan beginnen. Dat was alles. Het lijkt nu van een bijna volmaakte onschuld.
            ‘Ik wilde niet …’ stamelt hij, ‘ich dachte hy slaap nou.
            ‘Je moet mee. Kom!’
Ik strek mijn hand uit, hij doet een halve stap naar achteren.
            ‘Kom,’ zeg ik nogmaals. ‘We moeten gaan.’
            En hij draait weg, versnelt, vlug als water. Hij gaat. Nu heb ik slechts mijn plicht te doen, denk ik. Ik breng mijn geweer naar mijn schouder, briesend en steunend en vloekend, mijn rug is nog verkrampt. Ik rommel een vettige kogel uit mijn patronentas, laad, leg aan, richt. Mijn ogen stellen zich met enige kramp scherp. Langs mijn loop zie ik zijn rug schokken. Ik zet me schrap.
            De eerste kogel suist langs zijn hoofd, even bukt hij werktuigelijk voorover. Herladen, aanleggen, richten. Er zoemt iets om me heen.
            Zijn rug schokt nog in de verte, zijn hoofd is klein als een speldenknop. Hij zal uitzien op het gelige groen van het gras, de schittering van de regenmeren, het lichte blauw van de lage hemel. Wat zal hij horen? Het is nog niet te laat, het is zaak een vaste hand te hebben.
            Nog steeds gezoem, soms zachter, soms luider. En dan houdt het op. Een vlieg landt op mijn wang.

Over de auteur

Ferdinand Lankamp (1989) is schrijver. Zijn debuutroman zal verschijnen bij Atlas Contact.

Over de illustrator

Reinout Dijkstra zit vaak urenlang over zijn bureau gebogen. Om zich heen liggen vulpotloden, vermolmde fijnlijners, stapels papier en enkele dingen die lijken op stiften. Voor hem staat afgekoelde koffie, maar daar heeft hij geen oog voor. Af en toe zegt hij 'hm' in verschillende intonaties. Zie reinoutdijkstra.nl.

Lees meer van

De generaal

Door Ferdinand Lankamp

Op een meidag in 1855, een kleine veertig jaar na Waterloo, schuifelden vijftien oudere heren beurtelings op afroep een vertrek binnen. Kuchend en mopperend dat vroeger alles beter was volgden ze de eerbiedige instructies op van de veel jongere fotograaf. Op diens verzoek hadden ze die dag hun tenues de ville thuisgelaten; in plaats daarvan […]

Lees meer uit de categorie Kluger Hans Kort verhaal

Likken lippenstift

Door Joost Heijthuijsen

Ik was aangenomen bij Tejatergroep Het Kollektief omdat ik tijdens de auditie op bevel een stijve kon krijgen. Uit een flinke bos schaamhaar stond daar twintig centimeter wilskracht te kloppen voor de kritiese tejatertraditie. Later heb ik gebeft met een gedicht van Lucebert in mijn rug gekerfd door een dramaturge, gepijpt omdat heteroseksualiteit een imperialistisch […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper