Essay

De Stilist: Een nieuwe avant-garde

Door Miriam Rasch | beeld: Jeroen Kooren
25 januari 2017

Aan alles komt een eind, dus ook aan De Stilist. Maar voor we overstappen naar ons volgende hoogtepunt (de Poëzieweek), eerst nog een fijn essay van Miriam Rasch.

De letteren hebben een nieuwe avant-garde nodig. En dan niet de avant-garde van de modebladen en architectenbrillen, en ook niet de avant-garde van Silicon Valley-disruption. Nee, een avant-garde zoals de strijdbare en politiek gedreven ontregeling van wat de ‘historische avant-garde’ heet, dat arsenaal van tegendraadse kwibussen – surrealisten en expressionisten, dadaïsten en futuristen – die radicaal durfden te kiezen voor iets nieuws, iets anders. En die tegelijkertijd niet te moeilijk deden. Zoals de dadaïsten, die met z’n allen een zaaltje afhuurden om in kartonnen kostuums de mensen iets eigenaardigs voor te schotelen, of iets wat de goegemeente woedend en verontwaardigd achterliet. Niet om te zieken (al ging het voor sommigen van hen daar misschien wel om), maar om te laten zien wat mogelijk is als je je kont tegen de krib van de burgerlijkheid gooit.

In 2016 verscheen bij uitgeverij Vantilt de vertaling van De vlucht uit de tijd van Hugo Ball. Op de omslag zie je Ball in zo’n kartonnen kostuum staan, het is een foto van precies een eeuw eerder, uit 1916, van het Cabaret Voltaire in Zürich. ‘Hugo Ball reciting “Verse ohne Worte in kubistischem Kostüm”’ heet de plaat. De verzameling notities en essays van de dadaïst begint opvallend herkenbaar:

Zo zagen in 1913 wereld en maatschappij eruit: het leven is volledig verstrikt en geketend. Er heerst een soort economisch fatalisme en dit wijst elk individu, of het zich nu wel of niet verzet, een bepaalde functie toe, en daarmee een belang en het karakter dat erbij past. […] Wat nodig is, is een liga van alle mensen die zich aan het mechanisme willen onttrekken; een levensvorm die zich verzet tegen de bruikbaarheid. Orgiastische overgave aan de tegenstelling van al datgene wat bruikbaar en nuttig is.

Het zou vandaag geschreven kunnen zijn; in honderd jaar tijd zijn slechts de accenten verschoven. We moeten nog steeds bruikbaar en nuttig zijn, efficiënt, productief en winstgevend. Economisch fatalisme, functionaliteit voor alle mensen – het klinkt maar al te bekend in de oren. Het leven is een onderneming en de kunst een vervulling van publieksbehoeften. Als ieder individu een functie krijgt toegewezen, zoals Ball schrijft, dan is dat om hem binnen een systeem van functionaliteiten te laten passen, in een blauwdruk van de werkelijkheid die te optimaliseren is, die voorspellingen kan doen over de toekomst en die door die voorspellingen de toekomst meteen wat dichterbij brengt.

‘Zo zagen de wereld en maatschappij eruit’, en zo zien ze er dus nog steeds uit, maar hoe is een ‘orgiastische overgave aan de tegenstelling’ in deze tijd dan voor te stellen? Avant-gardisten zouden zeggen: als radicale vormvernieuwing. Dat is namelijk waar de gevestigde orde bang voor is. De vraag is waar zo’n vormvernieuwing zich op zou kunnen richten. Ook daarvoor kunnen we te rade gaan bij de historisch avant-gardisten en hun fascinaties. Liefde voor techniek en het gebruik van fragmentatie als stijlmiddel van verzet, bijvoorbeeld, zouden een hedendaagse avant-garde ook kunnen kenmerken.

Snelle auto’s, fabrieken vol machines, de grote stad met haar neonlichten, trams en de ondergrondse, allemaal zie je ze terug in de kunst van de historische avant-garde. Nu hebben we zelfrijdende auto’s, het precariaat, smog en hooverboards, maar echt vernieuwend is dat ook weer niet. Twee tendensen binnen de hedendaagse technologische ontwikkelingen kenmerken onze tijd echter op hun geheel eigen wijze: kwantificering en automatisering, samen op koers naar world domination, met behulp van data en algoritmes. Alles in de functionele blauwdruk van de werkelijkheid die tegenwoordig gemeengoed is, is te tellen en te berekenen, onderworpen aan statistiek. Kwantificering is alfa en omega, en het doel ervan is zoveel mogelijk van de functionaliteit te kunnen automatiseren – van rechtspraak en opsporingsonderzoek tot misschien wel kunst en de receptie van die kunst.

(Als je tot het uiterste doordenkt waar deze twee tendensen voor de letteren toe kunnen leiden, dan kom je uiteindelijk op een punt dat ik metonymisch zou willen aanduiden met de NS Publieksprijs. De literatuur en de literatuurkritiek verworden tot een geautomatiseerde opiniepeiling, die binnen niet al te lange tijd gekoppeld wordt aan een surveillancesysteem dat de voorkeuren van het publiek in real time meet en daar conclusies uit trekt. In de meest dystopische toekomst schrijven computers onze boeken. Die natuurlijk, zonder uitzondering, de NS Publieksprijs winnen.)

De vraag die de avant-gardist stelt is deze: hoe kun je iets schrijven dat kwantificering en automatisering vanbinnen uitholt? Een mogelijkheid is om, contra-intuïtief, de techniek zelf en de logica ervan zo ver mogelijk door te voeren als mogelijk en deze dan voor je eigen doeleinden in te zetten. Een grappig voorbeeld daarvan is Analogy – een collectief voor tekstproductie dat in de kartonnen kostuums van de 21e eeuw, namelijk als start-up met incubators, angel investors, business models enzovoorts, onbegrijpelijk proza aan de man brengt.

Fragmentatie is een andere strategie, een die contemporaine avant-gardisten eveneens delen met hun historische broeders en zusters, maar die in nieuwe vormen te herkennen is. Lijsten, prozagedichten, ZKV’s, onbetrouwbare memoires verteld aan de hand van steekwoorden – ze doorbreken het gesloten narratieve systeem van het verhaal dat met begin-midden-eind toewerkt naar een pointe, naar een take home-message, naar catharsis.

Automatisering gone rogue en fragmentatie van het geheel zijn de avant-gardistische wapens tegen de betweters die zelfgenoegzaam in hun eigen filterbubbel rondwentelen, of ze nu aan de linker- of de rechterkant van het spectrum verkeren, of ze nu behoren tot de 1% of de 99%. Vergeet de scheiding tussen ‘volk’ en ‘elite’ (wat mij betreft woorden die de komende jaren niet meer genoemd mogen worden), belangrijker is de (misschien al even belegen) tegenstelling tussen burger en, bij gebrek aan een beter woord, bohemien. Deze bohemien is gekant tegen het Grote Verhaal en tegen de functionaliteit waarin ze zich geplaatst ziet, tegen het idee dat algoritmes vertellen wie ze is en tegen de implicatie dat die algoritmes haar daadwerkelijk zouden kunnen determineren.

Reikt die beweging tegen ook tot buiten de kunst, tot actie of zelfs activisme? In een recente aflevering van Tegenlicht ging het over kunst als activisme, tot nauwelijks nog als kunst te herkennen politiek-geëngageerde interventies aan toe. Het interesseert de kunstenaars, zoals Renzo Martens en Femke Herregraven, niet echt of wat ze doen kunst is, zo bleek (behalve misschien als het gaat om het aanboren van de fondsen voor de uitvoering van zo’n project). Ze reizen de wereld rond, op zoek naar een manier waarop zij betekenis kunnen toevoegen aan die wereld (en ik kon het niet helpen dat ik almaar dacht aan de gigantische ecologische voetafdruk die deze kunst achterlaat, terwijl ze niet zelden probeert om juist de problemen met klimaat en globalisering zichtbaar te maken). Hoe zal dat zich ontwikkelen als de noodzaak tot activisme juist dicht bij huis steeds nijpender wordt? Als het niet meer vanzelfsprekend is om van hot naar her te vliegen, de opwarmende planeet rond? Als de fondsen helemaal zijn opgedroogd en er geen geld meer is maar alleen tijd, vrije tijd voor je hobby, ‘kunst’, te beoefenen na gedane arbeid? Gaat de kunst dan helemaal op in activisme en verzet, of in politiek? Of wint het verlangen naar het grote verhaal dan definitief en ten koste van het experiment?

In Trumpiaanse of Wildersiaanse tijden, waarin hoger, duurder en meer goud altijd beter is, waarin het nationale en eigene en grootse gevierd dient te worden, zal de kunst – vernieuwende, experimentele, kritische kunst – ongetwijfeld nog meer het onderspit delven.

In Trumpiaanse of Wildersiaanse tijden, waarin hoger, duurder en meer goud altijd beter is, waarin het nationale en eigene en grootse gevierd dient te worden, zal de kunst – vernieuwende, experimentele, kritische kunst – ongetwijfeld nog meer het onderspit delven. Des te meer reden om je ‘orgiastisch over te geven aan de tegenstelling’ – de tegenstelling aan functionaliteit en bruikbaarheid, efficiëntie en winst, kwantificering, automatisering en aan glimmend gepolitoerde verhalen, slechts met moeite te onderscheiden van een reclamecampagne. Wie gaat als eerste de toe-eigening (of op z’n Engels: appropriation) van ‘verzet’ door iemand als Wilders onderzoeken als artistiek project? Wie volgt de actie op van de zoon van Vivienne Westwood en Malcolm McLaren, die 6 miljoen euro aan punk-memorabilia verbrandde uit protest tegen de kapitalistische appropriation van de punk? Is die actie eigenlijk kunst? Of maken de poppen van David Cameron en Boris Johnson die ook in vlammen opgingen het tot een activistische daad? Is dit kunstkritiek of een nieuwe vorm van dadaïsme? Doet het er eigenlijk toe wat het is?

Het radicaalste wat je kunt doen in een landschap van kwantificering en automatisering is het omarmen van anonimiteit. Anonimiteit is natuurlijk het grote probleem van internet: al die vuilbekkende ‘bezorgde burgers’ die anoniem schelden op wie ze maar willen, maken van het internet een ‘cloaca maxima’, om onze eigen historisch avant-gardist Marsman aan te halen. Uiteraard zijn er nog steeds ‘eieren’ die met gebruikersnaam joepie123 mensen uitschelden op Twitter, maar het verbijsterende is vooral dat alle scrupules juist lijken te verdwijnen. Mensen spuien hun doodverwensingen en verkrachtingsfantasieën gewoon onder hun eigen naam op Facebook, met een vrolijke familiefoto ernaast. Dat boze mensen niet meer echt geven om anonimiteit, is een aanwijzing dat deze waardevol kan worden voor anderen: anonimiteit zou precies een wezenskenmerk van het kritische kunnen worden, toegeëigend als een ‘orgiastische overgave aan de tegenstelling’. Theo van Doesburg, de grote man van De Stijl, koos voor zijn dadaïstische teksten niet voor niets I.K. Bonset als pseudoniem, wat gelezen kan worden als ‘ik ben zot’.

Stel je voor, ten langen leste leggen we onze egoboostende socialemediaprofielen van ons af. Na al die jaren werken aan je ‘personal brand’ gaat de streep erdoor. Weg met de ondernemingsmetaforen. Maar, vraag je misschien, als mijn ‘personal brand’ niet meer bestaat, kan dan niet iedereen aan de haal gaan met mijn briljante ideeën en daar zelf de eer en de royalty’s voor opstrijken? Ja, dat kan. Het moeilijkste is ongetwijfeld het opgeven van ons eergevoel. Wensdromen over royalty’s hebben de meesten van ons al lang geleden losgelaten. Dus waarom niet? Als er iets briljants verschijnt, zal niemand weten uit welke geest het komt. Als jij iets geniaals schrijft, zal niemand weten dat het uit jouw geest komt. Is dat doodeng of juist bevrijdend? Dostojevski stelde de vraag: als God niet bestaat, is dan niet alles geoorloofd? Probeer het eens anders: als de God Ik niet bestaat, wat is er dan mogelijk?

Over de auteur

Miriam Rasch is schrijver en werkt als onderzoeker bij het Instituut voor Netwerkcultuur (Hogeschool van Amsterdam). In 2015 won zij de Jan Hanlo Essayprijs Klein. Ze werkt nu aan een essaybundel.

Over de illustrator

Jeroen Kooren studeerde af aan ArtEZ, richting illustration design en is redacteur bij vormplatform.nl. Zijn werk als visual artist is te bewonderen op jeroenkooren.nl.

Lees meer van

De GelegenheidsOptimist

Door Miriam Rasch

Met ‘De GelegenheidsOptimist’ willen wij een podium bieden aan bloggers die wij goed vinden; bloggers met een originele, optimistische invalshoek. Deze week brengt filosoof, literatuurwetenschapper en blogger Miriam Rasch een full circle ode aan het zwart. Ode aan het zwart Een ode aan het zwart – kan dat wel als gelegenheidsoptimist? Toegegeven, het zwart is […]

Lees meer uit de categorie Essay

De GelegenheidsOptimist

Door Carmen Felix

Met ‘De GelegenheidsOptimist’ willen wij een podium bieden aan bloggers die wij goed vinden; bloggers met een originele, optimistische invalshoek. Deze week wentelt schrijver en redacteur Carmen Felix zicht in de warmte van de mijmering.  Mijmering De vraag ‘waar word je gelukkig van?’ wordt door velen steevast beantwoord met tamelijk saaie dingen als ‘de geur […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper