Kort verhaal

Stijlestafette: Wijdlopig

Door Fenna Riethof | beeld: Lisa-Marie van Barneveld
13 januari 2017

Voor onze themamaand De Stilist vroegen wij deelnemers van De Stijlestafette om een variatie à la Queneau op onze oertekst te schrijven.

Het is vrijdagnacht, of zaterdagochtend – in ieder geval is het net vrijdag geweest en zaterdag geworden. Binnen gehoorsafstand van de gemiddelde mens hebben zeker vijf kerkklokken in Amsterdam één keer geluid, of ze zijn geluid door een geautomatiseerd systeem, of misschien zelfs door een beiaardier.
Op de Torensluis, verwar hem niet met een sluis, het is een brede stenen boogbrug, staan drie mensen. Staan is overkoepelend; ze buigen, hurken en knielen.
Een van de twee jongens (ze hebben geen schijn van baardgroei, maar zouden ‘mannen’ genoemd worden door nieuwslezers) buigt op de stoep over het zadel van een fiets, een designexemplaar (de fiets, dus ook het zadel). Opvallend is het Cars-kinderzitje achterop, of nee, het is niet zozeer het zitje dat opvalt, maar de combinatie fiets-jongen en het feit dat de jongen het hangslot niet open lijkt te krijgen.
Jongen twee (die we alleen als nummer twee aanduiden omdat we hem niet als eerste bekijken) heeft zijn armen om een knielend figuur geslagen. De knielende figuur is aan het kokhalzen. Alleen de geluiden verraden dat dit een vrouw is. Misschien is het ook wel een meisje, maar in elk geval: een vrouw. Een substantie vloeit tussen en over de straatstenen, niet sijpelend of stroperig maar iets daartussenin, het kan weinig anders zijn dan braaksel – kots, zo u wilt. Het tijdstip doet vermoeden dat ze te veel of verkeerde alcohol heeft gedronken maar het kan ook zijn dat ze ziek is, zwanger, of mishandeld. Misschien is uit de kleur en geur van de uitgespuugde maaginhoud op te maken wat de misselijkheid heeft veroorzaakt, maar we staan helaas te ver weg.
Voor, naast, bij café Van Zuylen, dat dicht is, staan een man en een vrouw (er is een sociaal-maatschappelijke beweging die zegt dat je nooit helemaal man of vrouw bent, maar hoogstens percentueel meer het ene dan het andere) met gelijksoortige kapsels: steil en assig – dat lijkt het tenminste in de vale straatverlichting – en van schouderlengte. Hun jassen, voorzien van glans en gesp, reiken tot hun kuiten. De overeenkomsten roepen de vraag op wie wie imiteert. 
Wat ze daar doen, is speculeren. Misschien hebben ze zojuist een sigaret staan roken en zijn ze geïnteresseerd geraakt in de Torensluis, dat wil zeggen in de drie mensen op de Torensluis, om precies te zijn: wat ze daar aan het doen zijn.
Dan verschijnt er een zilverkleurige Volkswagen Mégane Stationwagen met fietsendrager achterop, al suggereert ‘verschijnen’ dat hij er van het ene op het andere moment was. Er is wat aan vooraf gegaan. De auto kwam uit noordelijke richting (vooruit, een vleugje oost) en reed niet harder dan vijftien kilometer per uur over het Singel (de bestuurder reed uiteraard, als je met ‘rijden’ ‘besturen’ bedoelt), maar niemand sloeg daar acht op: het voertuig kreeg pas een rol toen het de Torensluis op draaide.

De gezinswagen, een die je veel ziet in Nederland en dan vaak met gekleurde raamstickers ter hoogte van de achterbank, komt zo goed als midden op de boogbrug tot stilstand (nu doen we automatisch weer alsof de auto alles zelf doet, onverbeterlijk!). Het portier aan bestuurskant gaat open. Ogenblikkelijk komt buiten al het andere in beweging – allicht niet stante pede, maar een (praktisch onwaarneembare) fractie van een seconde later. En niet ál het andere, dat is ook maar een manier om het te zeggen, nee, het drietal op de Torensluis schiet uit hun gekromde houding, de één moeizamer dan de ander.
Dus, het portier gaat, nee zwááit open, te hard, stuitert terug, wordt weer opengeduwd, een man stapt uit. Goed is hij niet te zien. Met wat velen daadkracht zouden noemen loopt hij naar de fiets met het zitje, buigt zich eroverheen, maakt in drie, vier seconden het slot los (jongen nummer één staat ernaast, met een blik die je bij verschillende soundtracks anders zou uitleggen), rijdt de fiets mee en tilt hem op de fietsendrager.
De man perst het frame in het daarvoor bedoelde kliksysteem, draait twee kunststof wieltjes aan en gespt vier geribde riempjes strak rond de velgen, hij doet dit alles met een gemak dat op ervaring duidt.  Daarna loopt hij naar de vrouwfiguur, die op dit moment niet aan het overgeven is. Hij lijkt geen poging te doen over haar spuwsel heen te stappen, toch stapt hij er niet in – sommigen zouden dat toeval of geluk noemen, het kan evengoed subtiele behendigheid zijn. Wellicht is ook dat ervaring.
Hij voert de vrouw, die nu, als we iedereen onder de dertig ‘jong’ noemen, jong blijkt te zijn, met zich mee. Een beter werkwoord dan meevoeren is er niet voor de wijze waarop hij haar vasthoudt, bij de schouders, en met zich meebeweegt, op zijn tempo. Hij doet de autodeur aan bijrijderskant open en boet niet aan daadkracht in wanneer hij haar op de stoel zet. Er is zeker wat geduw bij, maar niet omdat ze tegenstribbelt, daar lijkt geen sprake van.
De twee jongens (laten we ons er makkelijk vanaf maken en ze ‘jongemannen’ noemen) bewijzen nu pas echt bij elkaar te horen – al wekten ze die indruk de afgelopen minuten ook al, ondanks hun gebrek aan communicatie en dat ze niet per se dicht bij elkaar stonden/bogen/knielden, noch dezelfde soort kleren lijken te dragen.
Als de Volkswagen is verdwenen – natuurlijk is die nog érgens – lopen ze de Torensluis af en Het Singel op. Nu is het interessant je af te vragen waar die eerste precies eindigt en die laatste begint, maar dat doen de jongemannen waarschijnlijk niet. De tweede jongeman, die de jonge vrouw vasthield, blijkt de kleinste van het stel – niet dat dat ertoe doet. ‘Jij betaalt ook nooit wat, smiespelt hij voor zich uit. Het woord ‘jij’ bewijst in principe niets, maar het is aannemelijk dat hij het tegen de jongeman naast zich heeft. Als ze de Torensteeg ingaan verdwijnen ze. Niet van de aarde, al weet je dat nooit zeker, maar uit beeld.
Bij café Van Zuylen staat nog steeds het langharige, langjassige duo. Nu kussen ze, met elkaar welteverstaan. Maar er is tong bij dus dan heet het zoenen. Onderscheid maken is nu nog moeilijker, maar als je met je rug naar de Torensluis staat, is de linkerfiguur de man. Wie het verschil tussen links en rechts niet weet: hij staat het noordelijkst.
Zoals de Volkswagen Mégane Stationwagen (Zou de overgevende vrouw een moeder zijn? Dat mag je op basis van leeftijd niet uitsluiten) er net plotseling leek te zijn, zo staan deze twee nu ogenschijnlijk plotseling te tongen. Maar er moet wat aan vooraf zijn gegaan.

Over de auteur

Fenna Riethof (24) publiceerde begin 2016 haar eerste korte verhaal en wel op De Optimist. Daarna verscheen er meer van haar, onder andere bij Absint en Tijdschrift Ei. Fenna is freelance journalist voor AD Magazine en De Utrechtse Internet Courant (DUIC). In haar vrije tijd giet ze fictie bij de feiten.

Over de illustrator

Lisa-Marie van Barneveld is editorial illustrator. Ze houdt van korte deadlines en moeilijke onderwerpen. Haar geheime superkracht is meer verf op haar handen/kleren/tafel/kat krijgen dan op het papier.

Lees meer van

De Wilde Bizon

Door Fenna Riethof

‘Schrok je daar niet van?’ vroeg mijn vader. ‘Wat bedoel je?’ vroeg ik. ‘Je schrok niet.’ ‘Nee, ik schrok niet. Jij?’ ‘Nee.’ ‘Want het ging niet mis.’ ‘Nee.’ Ik zag de craquelé rond zijn ogen en de matheid van zijn haar, dat volgens hem op foto’s witter overkwam dan het was. We zaten op een […]

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

Een sierlijk beest

Door Levi Jacobs

Hassan staat tegen het raam geplakt en kijkt naar de kont van een kameel. ‘Zie je die heupen op en neer gaan? Dat geile ritme? Zo gaan de billen van de danseressen ook.’ En hij doet het voor. Met zijn handen op de heupen beweegt hij op en neer en kijkt met getuite lippen de […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper