Kort verhaal

Een paar nachtjes slapen

Door Raoul Noortmann | beeld: Jaron Beekes
6 juni 2017

Ze vraagt of ze voor deze ene keer chips als toetje mag. Grote ogen, de blauwe zak in haar kleine handjes. Dan gaat ze de hele week op tijd naar bed.
We staan in het laatste gangpad van de supermarkt. Colaflessen, zoutjes en helemaal aan het eind flessen wijn en kratten bier. Het is maandag.
Ze tilt de zak op, biedt hem aan, en kijkt alsof ze wil zeggen: echt waar, ik beloof het. Van haar moeder moet ze om acht uur in bed liggen. Maar haar moeder zit ergens in Londen op een vergadering van de jonge partners van een oude Engelse bank en daar is ze heel blij mee. ‘Heel veel centjes verdienen,’ zei ze tegen Babette toen ze vorige week vertrok. Tegen mij zei ze dat ze tijd voor zichzelf nodig had.
Ik wijs naar een zak groentechips en zeg tegen Babette dat ze die mag pakken. Voor in het weekend, als haar moeder er weer is, maar dan moet ze wel de hele week op tijd naar bed. ‘Deal or no deal.’
Ze kijkt naar de zak in haar hand, naar de andere in het schap en dan naar mij, vraagt dan of groentechips ook van paprika’s worden gemaakt en hoe lang het duurt voor het weekend is.
‘Een paar nachtjes,’ zeg ik.
‘Precies?’ Voor haar had het net zo goed volgend jaar kunnen zijn.
‘Gewoon een paar.’
Ze heeft op school gehoord dat een paar altijd twee is.
‘Goed onthouden,’ zeg ik en ik leg mijn hand op haar hoofd. ‘Heel goed.’
Ze kijkt mij weer aan, ik knik naar het schap en zonder te aarzelen verruilt ze de ene zak voor de andere. Ze huppelt naar de kassa.

Thuis snijd ik de wortelen, de uien en de aardappelen. Zij mengt het gehakt en de eieren in een grote gele kom. Ze staat op een krukje naast mij om bij het aanrecht te kunnen, met de achterkant van haar hand probeert ze haar lange vlecht uit de kom te houden. Terwijl ik haar vlecht vasthoud, draait ze drie kleine ballen.
‘Je mag er best twee grote van maken,’ zeg ik. ‘Meer hebben we niet nodig.’
Ze kijkt even naar de kom. ‘Ik houd niet van grote gehaktballen.’
‘Prima,’ zeg ik, ‘als je straks nog honger hebt, mag je die andere ook opeten.’
‘Of we bewaren hem.’
‘Of we bewaren hem,’ herhaal ik. ‘Je weet maar nooit.’
Terwijl zij de ballen met een vork door de gesmolten boter in de pan roert vraag ik me af hoe lang een gehaktbal in de koelkast eigenlijk goed blijft.
Tegen de tijd dat de ballen bruin en gaar zijn, is het halfacht. Na het stampen loopt ze met een vol bord voor mij uit de woonkamer in. Op het kleine houten tafeltje voor de bank zet ik mosterd, ketchup en jus neer. De ketchup is voor haar, de mosterd roer ik met een lepel door de jus in het kuiltje in de stamppot op mijn bord. Ik proef, het is te pittig, en om te compenseren doe ik halve schepjes jus in het kuiltje tot dat overstroomt.
‘Mama zegt dat je daar dik van wordt.’ Ze heeft de ketchup vast en haar handen gaan heen en weer, ze knijpt net zo lang tot de hutspot is verdwenen.
Met een volle vork wijs ik naar haar bord. ‘En dat dan? Daar word je zeker groot en sterk van?’
‘Mama zegt dat het gezond voor ons is.’
‘Mama zegt wel meer.’
Pas als ze het klepje van de fles heeft dicht gekregen – hard drukken, dat is de truc – kijkt ze op, alsof ze voelt dat ik nog wel het een en het ander over haar moeder kwijt wil.
Ik zeg: ‘Eet smakelijk, pop.’
We eten onze gehaktballen en we kijken naar een programma waarin autodieven op heterdaad betrapt worden. Samen lachen we om hoe stom sommige mensen zijn.

Pas als ze het klepje van de fles heeft dicht gekregen – hard drukken, dat is de truc – kijkt ze op, alsof ze voelt dat ik nog wel het een en het ander over haar moeder kwijt wil.

Boven beweegt Babette met haar voeten het uiteinde van haar bed dat al een tijdje te klein is. Gepiep en gekraak. Het is kwart over negen als mijn telefoon door het krakende bed begint te zingen. Automatisch neem ik op, zonder te kijken wie het is.
‘Hey,’ hoor ik. Ik herken haar stem. In Londen is het een uur eerder.
‘Hey,’ zeg ik.
‘Hoe is het met Babs?’
‘Ze slaapt nog steeds slecht.’
‘Heeft ze genoeg gegeten?’
‘Natuurlijk.’ Ik zie die ene kleine gehaktbal voor me, in een kommetje in de koelkast, die daar op haar ligt te wachten. Even zijn we allebei stil, dan vraag ik wanneer ze naar huis komt.
‘Ik weet het niet.’ Ze zucht. ‘Ik kan hier blijven als ik wil. Iemand moet hier blijven.’
Ik vraag niet of ze dat wil en ook niet voor hoe lang dat dan is, ik luister alleen. Ze praat over de rust in haar hoofd en de rust in de kamer van het hotel. Na een tijdje zegt ze dat ze hoopt dat ik het begrijp. ‘Dat hoop ik zo.’
Ik knik.

Als de lijn dood is, blijf ik nog een tijdje zitten voor ik opsta en de keuken inloop. Met mijn handen op het aanrecht kijk ik naar buiten. Straks, als Babette eenmaal slaapt en er niemand in de kamer zit die zegt dat ik geen restjes mag eten, niemand die zegt: niet snoepen sukkel, daar word je dik van, is het niet alleen donker maar ook stil.
De helft van de groentechips schud ik in een bak. Als ik de opengescheurde zak probeer te redden met wasknijpers bedenk ik me en schud ik de zak leeg. We kunnen altijd nieuwe halen. Met de bak en een pakje appelsap loop ik de trap op naar Babette, die nog steeds met het voeteneind speelt.
Zodra ik de deur opendoe, houdt haar gefriemel op.
‘Slaap je al?’
Ze zegt niets maar ik hoor haar ademen alsof ze heel hard probeert niet te ademen.
‘Je toetje,’ zeg ik.
Haar ogen knijpt ze stijf dicht.
Ik zit op de rand van haar kinderbed en steek een stuk of vijf chips in mijn mond. Luidruchtig kauwend zeg ik: ‘Jammer dat je al slaapt, nu moet ik alles in mijn eentje opeten.’
Ze doet een oog een klein beetje open. ‘Is het al weekend?’
‘Bijna,’ zeg ik.
‘Een paar nachtjes?’
‘En dan nog een paar.’
Ze doet ook haar andere oog open en kijkt naar de gele bak en de chips die daar inzitten. Dat van die paar nachtjes gelooft ze wel en ik denk niet dat ze nog weet waarom ik in de eerste plaats tot het weekend wilde wachten. Ze gaat rechtop zitten en neemt een handje chips dat ze voor zich op het dekbed legt. We eten chips tot onze monden droog zijn en als de bak na een tijdje leeg is drinken we samen het pakje appelsap op.

Over de auteur

Raoul Noortmann (1989) studeerde cultuurgeschiedenis en journalistiek. Hij woont en werkt in Utrecht. Eerder schreef hij stukken voor Hard//Hoofd, de Revisor en de Fusie.

Over de illustrator

Jaron Beekes (1982) is al sinds de oprichting in 2008 als illustrator aan De Optimist verbonden. Naast artikelen, cartoons en opiniestrips in onder andere NIW, Folia, Het Parool en nrc.next publiceerde hij de graphic novels De Lens van Spinoza (De Bezige Bij, 2011) en Epstein, het brein achter The Beatles (De Bezige Bij, 2013). Hij woont en werkt in Amsterdam. jaronbeekes.nl

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

Likken lippenstift

Door Joost Heijthuijsen

Ik was aangenomen bij Tejatergroep Het Kollektief omdat ik tijdens de auditie op bevel een stijve kon krijgen. Uit een flinke bos schaamhaar stond daar twintig centimeter wilskracht te kloppen voor de kritiese tejatertraditie. Later heb ik gebeft met een gedicht van Lucebert in mijn rug gekerfd door een dramaturge, gepijpt omdat heteroseksualiteit een imperialistisch […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper