Essay

Angst voor iedereen. Een essay naar aanleiding van de eindexamenexpositie van de Rietveldacademie

Door Martien Bos
3 augustus 2017

‘Mysteries. We love mysteries. Life is filled with them. But some are very abstract.’
David Lynch, tv-interview met Charlie Rose, 1997.

Vorig jaar liftte ik naar Spanje en belandde ik na acht dagen in San Sebastian. Daar vond ik via de Airbnb-app op m’n telefoon een goedkope slaapplek in Sevilla, mijn volgende bestemming. De volgende dag reed een agent van het Cuerpo Nacional de Policía me van San Sebastian naar Sevilla, waar hij me afzette in een verre buitenwijk. Het duurde even voor ik het juiste flatgebouw gevonden had en toen ik, half in trance van vermoeidheid, de juiste verdieping bereikte, stond Maria al in de deuropening.
      Zonder dat ik de kans kreeg mijn backpack af te doen, werd ik door haar de keuken ingetrokken. Daar zaten zeven vriendinnen al aan een ronde tafel. Blauw-zwart leek het thema, de kleur van een maanloze nacht: het glom vettig om hun ogen en hun monden en was de onvermijdelijke keuze voor kleurspoeling geweest. Ze keken me aan met een combinatie van verwachting en chagrijn, alsof ze al uren op me zaten te wachten.
      Ik had het gevoel dat ik het allemaal maar moest laten gebeuren, alsof ik in een droom was beland. De regels die hier golden kende ik niet.

De Franse schrijver Georges Perec heeft zich jarenlang bekwaamd in de regels van de droom. Bij elk moment van ontwaken schreef hij op wat hij zojuist gedroomd had. Voor hem was het in eerste instantie geen literair experiment, maar een advies van de psychiater bij wie hij psychoanalytische behandelingen onderging.
      Als kind had Perec beide ouders verloren in de Tweede Wereldoorlog, een trauma waarover hij expliciet heeft geschreven in W of de jeugdherinnering. Biografen suggereren dat hij daarnaast in al zijn werk het wegvallen van zijn ouders verwerkt. Dit zou Perec doen door verlies stilistisch te thematiseren en tijdens het schrijven zichzelf beperkingen op te leggen: dat is het bekende kenmerk van Perec, schrijven volgens even strenge als zinloze regels. Zijn roman La disparition is wat dat betreft het bekende summum van zijn ver doorgevoerde beperkingen: de letter e, in het Frans net als in het Nederlands de meest gebruikte letter van het alfabet, ontbreekt volledig.
      Als er één plek is waar je jezelf geen regels kunt opleggen, dan is dat in de droom. Voor Perec betekende het noteren van zijn nachtelijke hersenspinsels dan ook een nieuwe manier van schrijven. Tussen mei 1968 en augustus 1972 heeft hij 124 dromen opgetekend. Die dromen zijn onlangs vertaald door Edu Borger en als De duistere winkel uitgegeven in de Privé-domeinreeks van de Arbeiderspers.
      Perecs dromen zijn enigmatisch en abstract, helder en obscuur tegelijk en komen soms nachtmerrieachtig over, maar zuivere nachtmerries zitten er zelden tussen. Neem bijvoorbeeld de eerste zinnen van droom 50:

‘Iemand is erin geslaagd via de dunne douchewand mijn huis binnen te dringen. Hij klopt en roept me. Zijn stem heeft trouwens niets vijandigs.’

Of wellicht verontrustender, het begin van droom 64:

‘Het is vast en zeker P. die, onder het strelen van mijn hoofd, dat kaal is – mijn haar is niet meer dan een soort van pruik of masker – merkt dat mijn ‘voorhoofdsbeen’ (eigenlijk een schedelbeen dat de hele bovenkant van de schedel afdekt, als het deksel van een soepterrine, maar dan platter en nauwelijks bol) loszit en beweegt.’

Denk verder aan veranderende ruimtes, als vanzelfsprekend aanwezige beroemdheden als Alain Delon en Jean-Paul Belmondo, aan onlogische verbindingen. De ongestuurde fantasieën hebben iets onberekenbaars en benauwends.
      Een dergelijke beklemming ervoer ik tijdens het bekijken van de afstudeerexpositie van de Rietveldacademie, die van 5 tot en met 9 juli gehouden werd in de gebouwen van de Amsterdamse kunstacademie zelf. Op de dag dat ik er een bezoek bracht, was het om negen uur ’s ochtends al bloedheet en tegen de tijd dat ik naar binnen kon, snakte ik naar wat schaduw en een briesje wind. De expositie was verdeeld over twee gebouwen, elk voorzien van veel glas, maar geen airco. Had ik echt airconditioning verwacht in een kunstacademie? Ik maakte de fout door in de kelders te beginnen en daarvandaan naar boven te werken, waar de temperaturen door de felle zon op de ramen exponentieel leken toe te nemen.
      De benauwende hitte bleek een passend decor voor de kunstzinnige verontrusting die me te wachten stond.

Still uit ‘Autonomous Things’ van Hansje Hofland. (hansjehofland.com)

     
Er draaide een korte film waar in hallucinerend paars en rood een vlucht van een androïde duif over een postapocalyptisch landschap nauwlettend in de gaten werd gehouden door een getatoeëerde en halfnaakte ninja. (‘Autonomous Things’ van Hansje Hofland)
      In een andere korte film vond iets erg ongemakkelijks met tanden plaats in de neonlichtkleuren van een snackbar. (Onderdeel van ‘The Graveyard Slot’ van Timna Tomiša)

Still uit ‘The Graveyard Slot: Tooth Fairy’ van Timna Tomiša. (timnatomisa.com)

     
Weer in een ander vertrek, aan dezelfde gang, werd het even dromerige als spookachtige animatiefilmpje van Sergey Golubev vertoond, The Hidden Forest. In eenvoudige lijntekeningen draait een wezen in een museum een schilderij om en belandt zo in een ondergelopen bos. Daar vindt hij een fiets, probeert hij een vlinder te vangen en ondergaat een noodlottige metamorfose die zo bij Ovidius vandaan komt.
      Ik passeerde een zwart gordijn en liep een donker vertrek in, waar plotseling een soort glitchy breakcore uit verdekt opgestelde speakers knalde. Op de grond vond ik een lichtbalk met teksten als ‘my life is a sexual paradox’. Om de hoek, achter een ander gordijn, lag, tussen een berg vuilniszakken, een enorme print van een illustratie van Jezus. (‘Miss Kombat’ van Sandra Golubjevaite, alias slayrweddings)

Werk van Sandra Golubjevaite. (slayrweddings.net)

     
Op een hogere verdieping was er een jungle van witte boomwortels die zich tegoed deden aan blauw vocht door het met hun witte worteldraden omhoog te zuigen uit de oogkassen van mysterieuze kommen. (‘Ersatz Jungle’ van Alice Héron)
      Afstudeerders Sophie Serber, Frédérique Albert-Bordenave en Evelina Jonsson waren door de school bekroond met een GRA-Award. Was het toeval dat er ook van hun werk een onmiskenbare dreiging uitging? Serber kleurde kinderkleurplaten uit een supermarkt somber in en maakte er mysterieuze wandkleden van, Albert-Bordenave hing een bewegende, ingewikkelde kooiconstructie op in een dreigend strijklicht en Jonsson presenteerde een 3D-ervaring van een monsterachtige wandbegroeiing.

Werk van Evelina Jonsson. (evelinajonsson.com)

     
Ik geloof dat die nachtmerrieachtige beklemming een uiting is van een zekere angst, maar niet van een ‘praktische’ soort: geen angst voor aanslagen, financieel malheur of de gevolgen van opnieuw opgewarmde spinazie. In dat soort angst ziet filosoof en hoogleraar psychiatrie Damiaan Denys een teken van vrijheid. Wie de angst uit de weg gaat en allerlei soorten dreigingen vermijdt, sluit zich af voor het leven, dat nu eenmaal risico’s kent. Volgens Denys is angst de enige manier om te ervaren dat we vrij zijn. Wie zich voor elke mogelijk voor verandering afsluit, is nooit vrij.
      Angst voor concrete zaken kan ik begrijpen, de oorspronkelijke functie lijkt me duidelijk: waarschuwen. En ook begrijp ik Denys’ pleidooi in zijn TedX-lezing, waarin hij kritiek uit op de alomtegenwoordigheid van angst in de samenleving. (Angst als mechanisme voor de verkoop van het nieuws, als basis van de huidige solidariteit tussen mensen, etc.) Als je iets van hem leest, is er geen speld tussen te krijgen: natuurlijk zijn angst en vrijheid met elkaar verbonden.
      Maar hoe dat met die David Lynch-achtige angst zit, die op onbewaakte momenten opborrelt uit, tja, het onbewuste? Ik weet niet eens of ‘angst’ wel het goede woord is voor het soort vervreemding dat je kan blijven achtervolgen na een nare droom of het lezen van De duistere winkel van Perec.

Wat de functie van die vage, irrationele angst ook is, de genoemde Rietveldkunstenaars die hierop inspeelden, bevielen me het meest: het was alsof er direct contact was tussen hun werk en mij als toeschouwer. De emotie was niet intellectueel, voor zover dat al bestaat, maar meer primair, alsof er een beroep werd gedaan op het instinct om te overleven. Zo vond ik de dreigende opstelling van het werk van Sandra Golubjevaite – de duisternis, de abrupte muziek – fysiek gevaar suggereren.

(Over fysiek gevaar gesproken: anders dan in de tijd van Wim T. Schippers’ pindakaasvloer in het Stedelijk Museum gingen de met pindakaas ingesmeerde ramen van Sophie Serber vergezeld van herhaalde serieuze allergiewaarschuwingen. Je zult het maar hebben, zo’n allergie, dacht ik, en moest denken aan een stapel slachtoffers voor een pindakaaskunstwerk.)  

Ik weet niet of irrationele angst, dat vage gevoel van creepiness dat ik hier steeds bedoel, een doel van deze kunstenaars op zich is of dat ze het bewust inzetten om een andere boodschap over te brengen. Wat zou die boodschap kunnen zijn? Is het, als bij Denys, kritiek op de alomtegenwoordige bangmakerij? Laat de kunstenaar ons zien hoe belachelijk snel wij dingen wantrouwen? Maar misschien is er geen boodschap – is daar dan vanuit artistiek oogpunt iets mis mee, met het aanjagen van angst zonder verder bedoelingen? De kunstenaar is immers geen journalist die zijn verhaal moet verkopen – tenzij je vindt dat voor beiden geldt dat ze de wereld willen laten zien zoals die is, en daar graag van willen kunnen leven.

Een buitenwijk van Sevilla, vorig jaar. De vrouwen keken me aan en ik stond daar met mijn rugzak om. Op de ronde tafel tussen ons in lag een oude, deels in stukken gescheurde plattegrond van de stad. Met balpen stonden tientallen, misschien wel honderden opmerkingen op de kaart, in een volstrekt onleesbaar kinderhandschrift. Moest ik iets met die woorden doen, ze opzoeken in de stad? Zou ik nog een kans krijgen te slapen de komende nacht?
      Niemand lachte behalve Maria, die niet zozeer zenuwachtig leek als wel haar best leek te doen om zenuwachtig over te komen. Ze sprak maar een paar woorden Engels, waarvan ik er uiteindelijk maar één zou verstaan.
      ‘There!’ Ze wees naar de kaart.
      Haar vriendinnen namen me aandachtig op. Ik meende dat ze me op de een of andere manier keurden, alsof er een goede kans bestond dat ik het, wat dat ook mocht zijn, niet voor elkaar zou krijgen.

Ik wist dat Freuds ideeën zo’n beetje stuk voor stuk weerlegd zijn, en dat de wetenschap alleen nog maar naar ze refereert als historische relicten, vooral belangrijk voor de literatuurtheorie uit de periode die op zijn leven volgde. Toch zat het onthaal door Maria me niet lekker. Eén aspect van Freuds droomtheorieën stond mij nog helder voor de geest: het verhaal gaat altijd rechtdoor. Of, zoals de grondlegger van de psychoanalytica het in mijn Ooievaar-pocket zegt:

‘“Neen” schijnt voor de droom niet te bestaan.’ [p. 49 van De draagbare Freud, 1999]

Het komt in een droom niet voor dat er iets niet doorgaat of dat er op de schreden teruggekeerd wordt, zo begreep ik het. Volgens Freud worden in een droom keuzes in elkaar geschoven: ‘Beide alternatieven worden gelijkelijk in hetzelfde verband opgenomen.’ Tegenstellingen die in het echt niet tegelijk op kunnen treden, zouden dat in een droom dus wel doen, met allerlei bizarre, warrige beelden en situaties tot gevolg.

‘Neen’ schijnt voor de droom niet te bestaan. In mijn geval betekende het dat ik me overgaf aan de plannen die de Spaanse voor me in gedachten had, totdat er in die keuken zó veel en luidruchtig door elkaar gesproken werd, dat het me domweg te veel werd. Na een hele dag reizen met een vreemde in een land waarvan ik de taal niet sprak, een uur met volle bepakking en een lege maag zoeken naar de juiste flat, zat ik kennelijk aan het maximale aan ongemak dat ik binnen een etmaal aankon. De betovering van het bizarre was door het gekakel ineens verbroken.
      Alsof ik in die keuken plotseling wakker werd, kwam ik tot het inzicht dat ik door niets en niemand verplicht was om mee te doen aan wat dan ook, en na een kort excuus trok ik me terug in de aangewezen kinderkamer die ik gehuurd bleek te hebben. Met mijn voeten over de rand van het bed en mijn hoofd op blad van het kinderbureau dat ernaast stond, viel ik in slaap.

Het leven zit vol mysteries en veel daarvan zijn op een bepaalde manier niet alleen vaak abstract, maar ook onheilspellend. Onbegrijpelijke zaken kunnen weliswaar onschuldig zijn, maar het zit volgens mij niet in de mens om onbegrijpelijkheid geruststellend te vinden. Kierkegaard merkte in een van zijn dagboeken op dat het leven alleen achterwaarts begrepen kan worden, maar voorwaarts geleefd moet worden. Een grote rol voor mysterie, onzekerheid en angst is dan ook vanaf het begin al verwerkt in van het leven van de denkende mens.
            Het erkennen van die existentiële angst lijkt me bij uitstek een taak voor de kunstenaar. Dat deze daarbij rijkt naar de verste takken en de diepste wortels van zijn abstracte dromen, is een tactiek die zijn effectiviteit al talloze keren bewezen heeft. Kunst, of het nu om beeldende kunst of literatuur gaat, groeit goed op de compost van angst. Het unheimische van kunst is denk ik geen particuliere observatie op een benauwde zomerdag, maar een kenmerk dat er altijd was en altijd zal zijn – al was het maar om de toeschouwer te laten zien dat hij niet alleen is. Hoe eenzaam de beleving van de onbegrepen, warrige angsten in het leven ook kan zijn, kunst verzekert je dat je daar nooit de enige in bent.

 

Timna Tomiša (1994, Zagreb, Croatia) enrolled the Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam at the age of 17. She recently completed her education at the VAV, Department of Moving Image. Her practice is rooted in film-making but even more so in the all-encompassing process of creation of the mise en scène of her films. In this way she creates surreal, topsy-turvy, absurd, almost synthetic worlds that run on their own inherent, idiosyncratic logic whilst almost secretively pointing towards phenomena that occurs in the so-called ‘real world’. timnatomisa.com

Hansje Hofland (1990, The Netherlands) is a filmmaker living in the Hague. She freshly graduated from the Gerrit Rietveld Academy and has a love for the peculiar and uncanny. New insights are won from both mundane and transcendent meanings. hansjehofland.com

Evelina Jonsson (1990, Sweden) won a GRA Award for her graduation project and thesis Legacy of the Void, in which the jury found an ‘urgency, addressing the ever present boundary between virtual and physical reality, and our incapacity to break it’. evelinajonsson.com

Sandra Golubjevaite (1988, Lithuania), alias slayrweddings, graduated from the Gerrit Rietveld Academy. Her thesis is titled Tomboydom, in which she explores issues about gender and postfeminism. slayrweddings.net

 

Over de auteur

Martien Bos is naast freelance tekstschrijver ook illustrator voor diverse tijdschriften, kranten en uitgeverijen in binnen- en buitenland. Hij tekende onder andere voor De Optimist, NRC Handelsblad, VPRO, De Standaard, uitgeverij Boom en Athenaeum–Polak & Van Gennep. Zie martienbos.com.

Lees meer van

Stijlestafette: Schofterig

Door Martien Bos

Voor onze themamaand De Stilist vroegen wij deelnemers van De Stijlestafette om een variatie à la Queneau op onze oertekst te schrijven. Een zucht na middernacht. Je hebt van die zomeravonden die zich heel geleidelijk uitstrekken, je merkt er niets van, de zon gaat ongemerkt onder terwijl je met een pilsje in je hand aan de bar […]

Lees meer uit de categorie Essay

Wat vrouwen (denken te) willen

Door Nikki Dekker

Nikki Dekker las een boek over seks en wat vrouwen daar mee willen. Het bracht haar op uiteenlopende gedachten; over mannen die porno afzweren en een geestelijke gezondheidstest uit de jaren 70. Vrouwen willen seks. Dat is het grote nieuws waarmee Daniel Bergner van Wat Vrouwen Willen een bestseller maakte. In tegenstelling tot het oude fabeltje […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper