Proza

Turborotonde

Door Nicole van den Berg | beeld: Tim Mulder
11 augustus 2017

‘Bourgondische bitterbal, mevrouw?’
            Het meisje van de catering heeft een strakke, blonde paardenstaart en een gulle glimlach. De staart danst ook als ze niet beweegt. Het is alsof ik naar een levende stockfoto kijk. Dit is een horecatijger zoals ze in de vacatures hijgerig omschreven worden.
            ‘O, uhm…’ zeg ik. ‘Ik weet niet of ik wel voldoende van het leven geniet om in aanmerking te komen voor een Bourgondische bitterbal?’
            Ik grinnik, maar de glimlach van het meisje stokt. Nu is de opmerking opeens óf een gefaalde grap, óf een deprimerende constatering. Ik wil niet kiezen. Ze houdt de schaal nog iets dichter onder mijn neus en zegt: ‘Van Lakenvelder koeien!’
            Op iedere Bourgondische bitterbal prijkt een vlaggetje met daarop het logo van onze hoofdsponsor. Iemand heeft de verantwoordelijkheid genomen om die vlaggetjes te laten drukken en iemand anders heeft ze zorgvuldig een voor een in de bitterballen gestoken. Misschien hebben die twee mensen elkaar voor aanvang van de bijeenkomst zelfs opgetogen een high five gegeven terwijl ze naar de gevulde schalen keken. Op de plekken in de glimmende schaal waar de echte levensgenieters eerder een bitterbal weg graaiden, zie ik nu de weerspiegeling van mijn eigen fronsende hoofd. Mijn maag voelt opeens alsof er al twintig ballen in zitten.
            ‘Nee,’ zeg ik. ‘Wel bedankt.’
            Het is druk en warm in de congreszaal. Het keycord om mijn nek kriebelt. Ik grijp het naamkaartje dat op mijn borst bungelt vast en tuur ernaar zoals je naar een gemene splinter in je vinger zou kijken. Er staat op dat ik Junior Onderzoeker ben. Even probeer ik me voor te stellen wat andere young urban professionals denken wanneer ze mij en dat keycord zien. Of de titel mijn stem automatisch meer gewicht geeft en of ze dan niet meer doorhebben dat ik nog steeds die persoon ben die in de rij bij de bakker altijd als laatste wordt opgemerkt.
            ‘Je moet het zelf ook een beetje geloven,’ zei een collega.
            Ik probeer op de statafel te leunen, maar de tafel is te hoog of mijn lichaam te kort, of een combinatie van beide. Bij gebrek aan beter klamp ik me vast aan mijn drankje en neem een grote slok. Een geruststellend gevoel: nog even en de alcohol trekt mijn spieren uit de knoop, brengt mijn gejaagde hart in het gareel. Ik hang het naamkaartje met de goede kant naar voren en probeer zo goed als ik kan de glimlach van de serveerster na te bootsen.

/ / /

‘Laat ze maar zien dat je er bent. Een stukje opzij! Toe maar.’
            Het is mijn tachtigste rijles en we staan al een tijdje stil achter een geparkeerde vrachtwagen. Op enig moment zullen we eromheen moeten. Mijn handen glibberen over het stuur, het koude zweet staat op mijn rug. Na iedere les ruik ik naar een vuilniszak die bij dertig graden op het balkon heeft gestaan. De lessen zijn daardoor moeilijk in te passen in mijn dagelijkse leven.
            ‘Dan kunnen de anderen ook rekening met jou houden, hè.’
            Houd je bek, denk ik.
           ‘Bedankt voor je engelengeduld,’ zeg ik.
            Met een slakkengang passeer ik de vrachtwagen. Precies op dat moment gaat op een rotonde driehonderd meter verderop een fietser op zijn muil. We zien het gebeuren en kijken ernaar.
            ‘Deed ik iets?’ roep ik uit.
            Op de basisschool in mijn geboortedorp werd iedere ochtend een verhaal uit de Bijbel voorgelezen. Zo weet ik dat ieder mens in principe schuldig wordt geboren, de zogeheten erfzonde. De kerkelijke doop wast de verdorven aard van de mens af. Ik ben niet gedoopt, maar wel op de hoogte. Soms vraag ik me af of dat nu een goede combinatie is.
            ‘Dat was een beste klap,’ zegt mijn instructeur.
            Tergend langzaam rollen we richting de rotonde. Voorbijgangers schieten de gevallen fietser te hulp. Het is een jonge vrouw. Ze is opgestaan, maar hapt naar adem.
            ‘Was ik te onduidelijk?’ piep ik. ‘Kwam het door mij?’
            De rotonde is leeg, maar ik durf er niet op te rijden.
            ‘Dan heb je zo’n professionele fiets en weet je niet hoe je fatsoenlijk moet remmen,’ verzucht mijn instructeur. ‘Tjonge…’ Hij pakt een dropje uit het dashboardkastje. ‘Ze heeft het stuur in haar maag gekregen. Maar komt wel goed, denk ik.’
            ‘Is het mijn schuld?’
            ‘Huh? Ga hier maar links.’
            Mijn hart bonst in mijn keel.
            Voorruit, binnenspiegel, buitenspiegel, schouder.
            Voorruit, binnenspiegel, buitenspiegel, schouder.
            ‘… Nacontrole? Wel gefocust blijven.’
            ‘Fuck. Fuck, fuck, fuck.’
            Die avond vraag ik me af of je iemand kunt doodrijden zonder het door te hebben. De gedachte bijt zich vast in mijn brein. Ik wil mijn instructeur bellen en vragen of het echt niet aan mij lag. Als ik de schuldvraag zwart-op-wit heb, kan ik vannacht misschien slapen, maar na een uur twijfelen leg ik de telefoon onverrichterzake weg. Wel krab ik aan de wondjes op mijn benen totdat ze bloeden. Rode sliertjes onrust, ze drogen lekker krokant op op mijn schenen.

Mijn drankje is op. Drie keer heb ik gedachteloos het lege glas aan mijn lippen gezet en evenzoveel keren heb ik hetzelfde glas zichtbaar gegeneerd weer terug op de statafel geplaatst. Ik tuur naar de bar aan de overkant van de zaal en de mensenmassa waar ik me doorheen zal moeten wurmen. God knows wie dat allemaal zijn. Mijn wangen gloeien.
            Als kind bewoog ik mijn armen niet tijdens het lopen. Waarom weet ik niet. Mogelijk wilde ik zo min mogelijk rimpelingen in het universum veroorzaken. In de praktijk zag dat eruit alsof ik altijd een kleerhanger in mijn T-shirt had zitten. Ik was een stokpoppetje met onderaan mijn roerloze armen twee kleine, gebalde vuistjes. Mijn moeder trof harde maatregelen. Bij elke stap die ik zette, riep ze: ‘Beweeg je armen! Gewoon ontspannen! Heen en weer!’
            Het is de stem van mijn moeder die door mijn hoofd schalt wanneer ik dan eindelijk de statafel verlaat en het op een lopen zet. Heen en weer met die ledematen! Rug recht! Ontspannen! De bar komt langzaam dichterbij. Eenmaal daar tref ik een bekende. Ik zwiep mijn arm in een soepele, doorgaande beweging naar voren en geef haar een ferme hand.
            ‘Ha,’ zeg ik. ‘Wat vond je van de lezing?’
            De vraag heb ik van tevoren bedacht.
            Eigenlijk interesseert het antwoord me geen zier.
            De bekende begint te praten, ik zie haar mond bewegen, maar ik kan me onmogelijk concentreren op de woorden. Er gebeurt te veel. Vlakbij zie ik het bitterballenmeisje worstelen met de schaal vol Bourgondisch restafval. Ze prevelt pardons, maar niemand gaat aan de kant. Op de automatische piloot doe ik een stap opzij. Het meisje maakt dankbaar gebruik van mijn Pavlovreactie. Alle anderen ook, trouwens – waar ik ook plaatsneem in de publieke ruimte, er ontstaat onvermijdelijk een looppad. Nadat ik achttien mensen met een vriendelijke knik heb laten passeren, zie ik dat mijn connectie alweer met iemand anders in gesprek is. Een joviale man die iedereen moeiteloos begroet met drie klapzoenen op de wangen. Ze staan met hun ruggen naar mij toe. De ruggen lijken een zeer geanimeerd gesprek te hebben.
            ‘Ik ga even naar het toilet,’ mompel ik nog. 
            De ruggen zeggen niets terug. Ik en mijn ledematen druipen af naar de ontvangsthal. Daar trek ik eerst een meterkast en een schoonmaakhok open alvorens te repatriëren naar het toilet.

Ik zit op het deksel van de wc en kijk naar een geborduurd portret van een herdershond dat aan de binnenkant van de deur hangt. De stilte is heerlijk en de hond glorieus. Zijn zalmroze tong steekt triomfantelijk uit zijn bek en zijn lippen zijn zelfvoldaan opgekruld. Honden kijken ook zo wanneer ze poepen: trots en onoverwinnelijk. Een poepende hond kan het niets schelen dat hij er belachelijk uitziet met zijn gebolde rug en trillende achterpoten. Hij mag er zijn. Wie iets wil leren over zelfcompassie, zou dagelijks naar een poepende hond moeten kijken.
            Ik laat mijn hoofd tussen mijn benen bungelen en sluit mijn ogen.
            In mijn geboorterapport staat: ‘Baby huilt meteen. Pittig kindje.’ Met de kennis van nu denk ik dat ik me vooral bezwaard voelde toen ik de baarmoeder verliet. Bezwaard omdat de verloskundige middenin de nacht moest komen terwijl ze misschien net lag te slapen, omdat mijn broers bij de buurvrouw moesten blijven, omdat mijn vader steeds minder haar op zijn hoofd overhield naarmate er meer kinderen kwamen en bovenal omdat ik de belofte ‘pittig’ te zijn hoogstwaarschijnlijk nooit zou kunnen inlossen.
            Dertig jaar later voel ik me opgelaten als mijn schoenen geluid maken. Daarom draag ik altijd gympen en nooit hakken. Deuren doe ik heel zachtjes op slot met zo min mogelijk gerinkel van de sleutels. Het deurtje van de oven laat ik na het bakken openstaan, zodat de warmte sneller ontsnapt en het apparaat eerder stopt met lawaai maken.
            Het geroezemoes uit de congreszaal sijpelt onder de kier van de deur door. Ik stel me voor hoe de schaal met bitterballen voorbijkomt. In een parallel universum en met andere genen zou ik misschien aan de staart van het meisje kunnen trekken en een bal in mijn mond kunnen proppen. Ik zou een nieuwe connectie ongegeneerd een vette, maar stevige hand geven zonder daar verder iets bij te denken. ‘Lakenvelder vlees,’ zou ik zeggen. ‘Doe mij d’r nog maar eentje!’
            Wanneer ik opkijk, lijkt de herdershond te lachen. Ik spoel het toilet door en haal het portret voorzichtig van het haakje. De lijst past precies in mijn rugtas. Die stomme rugtas. Iedereen hier heeft aktetassen, laptoptassen en clutches. Ik zwiep de rugtas over mijn schouders en begin te lopen. Door de hal, de trap af, de parkeerplaats over en een heel stuk langs de grote weg. Mijn armen houd ik kaarsrecht langs mijn lichaam.

Net buiten de stad hebben mannen van de gemeente een gloednieuwe turborotonde aangelegd. In het midden staat een reusachtige bloembak. Tijdens de rijlessen raak ik steevast verdwaald op de dubbele rijstrook, omdat ik me dan heel erg afvraag of je die bloembak een turbobloembak mag noemen en of dat dan een geldig woord is tijdens een potje Scrabble.
            Ik zit in de bloembak en heb het portret van de herdershond op schoot. De aarde onder mijn billen voelt koud aan. Overdag kijk ik vaak naar rotondes en hoe de fietsers en auto’s langs elkaar heen bewegen. Iedereen danst dezelfde dans. Toegegeven: soms hapert de machine even. Dan klinkt er een boze toeter en direct daarna vervolgt iedereen onverschrokken z’n weg. Wat is het geheim? Ik kijk en ik kijk en probeer zo hard als ik kan iets van die moeiteloosheid op te zuigen.
            Vanavond valt er geen reet te beleven. Na een uur bel ik mijn oudste vriend op. Die ene die bleef toen ik een jaar lang pap at met de gordijnen dicht en verder niets.
            ‘Kun je me komen halen?’ vraag ik. ‘Ik zit op de turborotonde.’
             Het duurt een minuut of twintig voordat een kleine auto vol vogelpoep op de parkeerplaats verschijnt. De klap van een deur, een schim in een hoodie die dichterbij komt.
            ‘Wat doe je?’ hoor ik.
            ‘Ik neem ruimte in,’ zeg ik.
            Het lijkt op dat moment het enige legitieme antwoord. De vriend steekt de rotonde over, klautert de bloembak in en komt naast me zitten. Hij zegt: ‘Je bent nu niet massiever dan gewoonlijk omdat je in een bloembak zit.’
            ‘Turbobloembak.’
            ‘Je neemt vooral… ruimte in op een ongebruikelijke plaats.’
            We zitten en zwijgen.
            Na nog eens een kwartier is het klaar.
            ‘Zullen we gaan? Ik heb een zere reet.’
            Eenmaal in de auto realiseer ik me dat ik de hele dag niet heb gegeten. Ik tuur naar het donkere wegdek en denk gapend en rillend aan Bourgondische bitterballen. Nu het ongemak fysiek is, wil ik het met alle liefde uitkotsen en aanwijzen. 
            ‘Ik heb honger,’ zeg ik. ‘En ik ben moe! Man.’
            We rijden precies tussen de witte lijnen op het wegdek door. Dat lijkt heel erg gemakkelijk vanaf de passagiersstoel. In die stoel denk ik elke keer weer dat ik het ook best kan.
            ‘En ik voel me zo’n sukkel,’ fluister ik. ‘Altijd.’
            Het is lang stil. Af en toe klinkt het tikken van de richtingaanwijzer, het bevredigendste geluid ooit. Ik krijg er kippenvel van en een aangename tinteling in mijn hoofd. De verlichting van het dashboard werpt een zacht licht op het gezicht van de vriend.
            Hij zegt: ‘Ik ben wel trots op je dat je gegaan bent.’
            De wondjes op mijn benen jeuken, maar misschien dat ik er vanavond vanaf kan blijven. Ik kijk in de binnenspiegel. De herdershond zit op de achterbank en lacht.

Over de auteur

Nicole van den Berg (1988) schrijft columns en korte verhalen. Daarnaast maakt ze radiobijdrages. Eerder publiceerde zij in nrc.next, de festivalkrant van Lowlands en Slang Magazine. Samen met haar muze – een Friese Stabij van drie jaar – maakt ze graag lange wandelingen in haar woonplaats Leeuwarden. Meer werk is te vinden op slenteraar.nl

Over de illustrator

Tim Mulder is een illustrator uit Maastricht die twee jaar geleden naar Rotterdam is verhuisd om aan de Willem de Kooning Academie te studeren. Hij houdt zich bezig met zowel klassiek illustreren als schilderen, en is altijd op zoek naar een uitgebalanceerd beeld waarin een boodschap verborgen ligt.

Lees meer uit de categorie Proza

Vriesvak

Door Evelien Flink

Ik heb je spijkerbroek gewassen. Je favoriete broek met de lichtblauwe pijpen, de zachte, witte rafels aan de zoom en de scheur boven de rechterknie; de broek die we samen hebben uitgezocht in die ene winkel aan de gracht, waar de kledingstukken opzettelijk onafgewerkt en gehavend zijn, en je tijdens het winkelen ook boerenkoolsmoothies en […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper