Proza

Als een lach waarin een tand ontbreekt

Door Elske van Lonkhuyzen | beeld: Jacquelien Oosting
25 september 2017

Het eerste wat ik van de nieuwe buurvrouw zie, is rook: een dun sliertje dat opstijgt vanachter de verroeste witte bestelbus die net de laan is opgerold en oplost in de voorjaarskou. Pas daarna zie ik de buurvrouw zelf: een vrouw van een jaar of vijfendertig met een muisachtig gezicht en dun blond haar. Ik sta voor het raam en steek een hand op. Ze lijkt het niet te merken. Even later sleept ze een matras, twee verschoten gele stoelen en een schemerlamp vanuit de bus het huis in. Vervolgens hangt ze gordijnen op die ze onmiddellijk sluit.

Tijdens het klaverjassen zegt Janine dat ze heeft gehoord dat de nieuwe buurvrouw uit de stad komt.
‘Vandaar die gordijnen,’ zeg ik. ‘Typisch stads, dat de mensen niet bij je naar binnen mogen kijken.’ 
Evert stoot me aan. ‘Je bent aan de beurt.’ Hij zit al een tijdje fronsend naar zijn kaarten te kijken, ondertussen gedachteloos borrelnootjes etend uit een gekleurd plastic bakje. Thuis zou ik het bakje wegzetten, bij een ander doe je zoiets niet.
Ik kijk naar de overkant van de straat. Achter de gordijnen van de nieuwe buurvrouw brandt zacht licht, bij ons thuis is alleen de buitenverlichting aan.
‘Het is fijn dat er weer iemand woont,’ zegt Janine. ‘Ik vond het zo’n akelig gezicht, zo’n donker huis, vooral in de winter.’
‘Als een lach waarin een tand ontbreekt,’ zeg ik.
‘Ja.’
‘Jij bent,’ zegt Evert weer.
‘Ik vraag me weleens af hoe het met ze gaat,’ zeg ik.
‘Met wie?’ Janine schenkt zichzelf rode wijn bij. 
Zelden komen Nico en Lidwien nog ter sprake. Sinds ze door hun zoon naar een verzorgingshuis aan de andere kant van het land zijn gehaald, is er vaak over hun huis gesproken: over hoe het erbij stond, wie er uiteindelijk in zou trekken en of dat een aanwinst voor de buurt zou zijn. Dat moet je maar afwachten. Janine deed vaak hun boodschappen en ik kookte elke zaterdag voor ze. Dat was ik gaan doen na hun hulp in wat Evert ‘ons moeilijke jaar’ blijft noemen. Lief dat hij ‘ons’ zegt.
‘Leonie…,’ zegt Evert. 
Ik leg een ruiten acht op.
‘Prima, waarschijnlijk.’ Janine speelt een ruitenvrouw. Ze wint de slag.

Een paar weken later gebeurt er iets geks. Ik haal net het dekbed naar binnen als de nieuwe buurvrouw de hoek omkomt. Ze loopt met merkwaardig sloffende passen. Het duurt even voor ik zie dat dat aan haar schoenen ligt: het grijze leer moet aansluiten bij de hiel en de wreef slobbert en het kost haar moeite de schoenen niet te verliezen. Als ze haar oprit bereikt, zie ik dat het de schoenen zijn die ik zelf een week geleden ook heb gekocht. De voordeur valt achter haar dicht. Ik haast me naar de slaapkamer en open de kledingkast. Daar staan ze, in maat 42, want de vrouwen in mijn familie hebben het met hun voeten niet getroffen. Grijze schoenen. Ik heb ze pas één keer buiten de deur gedragen.

Ik vergeet het voorval snel, want het is een drukke periode met de kopij voor het kerkblad en Sjors die bijna elke dag belt om te vragen hoe het gaat. Ik verzeker hem steeds dat het prima gaat, een zoon moet niet over zijn ouders piekeren. Maar dan tref ik de buurvrouw toevallig in de supermarkt. We staan bij de vriesproducten en ze haalt een hele kip uit het vak. Dat valt me het eerst op: een hele kip voor zo’n vrouw alleen. Als ze vooroverbuigt, wordt het merkje in haar jas zichtbaar – ze heeft een dun nekje, de buurvrouw, zo’n ongezond wit nekje in die grote kraag, net een lollystok. Het is een Lapin, de donkerblauwe van kasjmier uit de voorjaarscollectie, die ik ook heb omdat hij modern maar toch tijdloos is.
Thuis zit Evert de krant te lezen. 
‘Moet je horen,’ zeg ik. ‘De nieuwe buurvrouw heeft dezelfde schoenen én dezelfde jas als ik.’ Ik heb de jas van de kapstok gehaald, aangetrokken en draai een rondje. 
Evert kijkt even op. ‘Leuk.’
‘In dezelfde maat nota bene,’ zeg ik. ‘Het lijkt wel of ze een tent draagt. Dat is toch gek?’
‘Ach.’ Evert slaat een bladzijde om.
‘Dat is toch gek?’
Zijn ogen glijden over de pagina. 
‘Toch?’
Hij vouwt de krant met een zucht dicht en legt hem op schoot. ‘Ik denk dat we aan een korte vakantie toe zijn. We gaan vragen of de caravan van Fiep en Marjo vrij is.’ 
Fiep is de zus van Evert, Marjo de vrouw waar zij mee samenleeft. Ik heb daar verder niets op tegen, het zijn allebei aardige vrouwen. We kunnen pas halverwege juli in de caravan terecht.
Voordat we vertrekken ga ik nog bij een paar mensen langs. Iedereen lijkt hetzelfde te denken over de nieuwe buurvrouw: dat ze vriendelijk is maar erg op zichzelf. De meeste uitnodigingen om kennis te maken, slaat ze af. Dan heb je het eigenlijk aan jezelf te wijten dat je buiten de boot valt. Je moet het ook wel aankunnen, de hechtheid van zo’n buurtje.
Soms stel ik me de straat voor als twee gevouwen handen. De oneven huizen de vingers van de ene hand die grijpen in de vingers van de andere. Zó zijn we, denk ik dan, zó.

Soms stel ik me de straat voor als twee gevouwen handen. De oneven huizen de vingers van de ene hand die grijpen in de vingers van de andere. Zó zijn we, denk ik dan, zó.

Drie weken blijven we weg. Het zijn bloedhete weken waarin we weinig doen: fietsen, lezen, kijken hoe ijsblokjes oplossen in grote glazen limonade. 
Na Friesland is er iets veranderd. Janine zegt dat de buurvrouw naar de straatbarbecue is gekomen en dat het geweldig was. Ik kan het bijna niet geloven. Al dertig jaar missen we geen enkele straatbarbecue en uitgerekend dit keer gebeurt er eens iets. 
‘Bah Evert,’ zeg ik. ‘We hadden later weg moeten gaan.’
‘Volgend jaar is weer een jaar.’ Evert denkt geen seconde aan de sociale cohesie van zo’n wijk, dat ik alle verjaardagen onthoud en fruit langsbreng als er iemand ziek is.
Janine vertelt dat de buurvrouw helemaal uit haar schulp kroop; dat ze er beeldig uitzag. Dat figuur, Leonie! En dansen dat ze kon, en luisteren dat ze kon! Het is later geworden dan alle jaren ervoor. Ik vind het steeds erger dat ik er niet bij was. Ik weet plotseling zeker dat ik deze keer niet gemopperd zou hebben over de scherpe rooklucht die dagen later nog in huis hangt omdat Evert vergeten is de ramen dicht te doen, of over het rumoer dat vlak boven de hoofden hangt als het doek van een reusachtige tent, waardoor ik me soms even terug moet trekken in de keuken om extra groenten te snijden of lege glazen om te spoelen.
De buurvrouw is sindsdien al twee keer bij Janine wezen eten. Ik kan niet meer achterblijven. Wij zijn nota bene de directe buren! Maar dat van die jas en die schoenen zit me nog altijd niet lekker en daarom besluit ik Evert te sturen, als verkenner, dan kan ik het zelf nog even aankijken.
‘De buurvrouw kan misschien wel wat hulp gebruiken,’ zeg ik op een zaterdagmiddag tegen hem. ‘Zo’n vrouw alleen. Ze heeft vast wel iets nodig, een schilderij dat opgehangen moet worden, iets in de tuin. Zelf doet ze niets aan haar tuin.’
Evert legt zijn krant neer en blijft de hele middag weg. Soms komt hij terug om gereedschap te halen. Ik hoor hem rommelen in het schuurtje. Hij heeft iets weg van een kleine jongen, van Sjors vroeger. Evert neemt de honneurs waar, denk ik tevreden, zo is het goed. 
Tegen Janine zeg ik de eerstvolgende keer dat ik haar zie dat de buurvrouw inderdaad alleraardigst is. ‘Ze heeft haar huis nog niet helemaal op orde, maar Evert geeft het nog een paar weken.’
‘Ze burgert zo goed in,’ zegt Janine glimlachend. ‘Je zou bijna vergeten dat er ooit andere mensen hebben gewoond.’
‘Ja,’ zeg ik. Mijn gezicht voelt strak, alsof er een laagje klei op zit. ‘Dat zou je bijna vergeten.’

Kort daarna begint het weer. In het tijdsbestek van een week zie ik haar lopen met de gebloemde blouse die ik in Parijs heb gekocht én de rode instappers die ik bijna nooit draag omdat ze een beetje knellen bij de kleine teen. Op een verjaardag breng ik het ter sprake. Ik heb slagroom op mijn rok gemorst en sta met Janine in de keuken. ‘Het is maar een kwestie van tijd.’
‘Wat?’ Janine maakt een doekje nat onder de kraan en dept ermee op de vlek.
‘Voor de nieuwe buurvrouw ook in deze rok loopt.’
Janine kijkt op.
‘Is het jou niet opgevallen dat ze soms dezelfde kleren draagt als ik? Alsof ze me kopieert?’
Janine schudt haar hoofd en spoelt het doekje weer uit. ‘Wat flauw, Leonie. We zijn allemaal een beetje jaloers op haar. Dat figuur en die onafhankelijkheid, daar dromen wij van.’
‘Ik ben natuurlijk niet jaloers,’ zeg ik.
‘We zijn allemaal jaloers,’ zegt Janine en ze knijpt haar lippen samen tot een witte streep.

Ik droom dat de flat waar Nico en Lidwien wonen instort en dat een grote, gele graafmachine hen met zijn hydraulische arm uit het puin tilt. Hun lichamen zijn slap en wit van het stof, hun ledematen druipen als kaarsvet langs de roestige bak. Als ik wakker word, schrijf ik een kaartje. Ik vraag naar de heup van Lidwien en of Nico nog graag puzzelt. Ik sluit af met de groeten van de hele straat. Over de nieuwe buurvrouw schrijf ik niets. 

Wanneer Evert bij haar aan het werk is, neem ik steeds vaker de bus naar de stad. In afgelegen straten zoek ik naar boetiekjes met bijzondere kledingstukken: soms tweedehands, soms handgemaakt. Ik koop gifgroene laarsjes, een paarse zijden bloes met ruches, een bordeauxrode corduroybroek en een jurk met doodshoofden die een beetje te strak zit.
‘Knappe meid die me dit nadoet,’ zeg ik als Evert de jurk probeert dicht te ritsen.
‘Je moet een beetje oppassen,’ zegt hij. ‘Ik heb er natuurlijk geen kijk op, maar, nou ja, het is wel een hele kermis zo.’
‘Je hebt er inderdaad geen kijk op.’ Omdat dat zo bits klinkt, druk ik mijn rug tegen hem aan. Zo blijven we even staan.
In een schrift houd ik bij wat ik we dagelijks dragen, zij en ik. Ik haal het oude digitale fototoestel van Sjors uit een doos op zolder, fotografeer mezelf in de lange spiegel op de kastdeur en wacht bij het badkamerraampje tot ze thuiskomt van haar werk. Ze laat zich moeilijk vangen, het is net een zeldzame vogel. Veel foto’s zijn bewogen en naarmate de dagen korter worden, zijn er veel die te donker uitvallen, daar is ze maar een veeg op. Maar in die veeg zie je soms net dat het om corduroy gaat, of je ziet een stukje gifgroen, alleen voor de oplettende kijker te onderscheiden van de bladeren van de hortensia. Ik vergeet soms hoe laat het is, dan schrik ik op en blijkt het al etenstijd: Evert die me van beneden roept, zijn stem galmt in het trappenhuis.


‘Ik ga toch weer eens klaverjassen,’ zegt hij op een avond na het eten. ‘Ga je mee?’
Het kan niet, het bewijs is nog niet sluitend. ‘Nog even niet, lieverd,’ antwoord ik. ‘Ik voel me niet zo goed.’ 
Hij komt voor me staan, legt zijn handen op mijn schouders en kijkt me lang aan. 
‘Ik bewaak mijn grenzen.’
Hij opent zijn mond om iets te zeggen, maar aarzelt. 
‘Maar jij moet gaan,’ zeg ik vlug, ‘ik wil dat je gaat. Doe Janine en Henk de groeten.’
Als hij weg is, haal ik het schrift en de foto’s die ik heb uitgeprint tevoorschijn. Ik ga alles bij elkaar brengen, als de setjes in een memoryspel.
Wanneer ik boven het slaapkamerraam dichtdoe, zie ik Evert aan de overkant zitten: een klein figuurtje aan de eettafel met de kroonluchter die daar zo slecht past. Het is net een stilleven, dat verlichte raam in de donkere straat. Evert blijft een knappe man, vooral als hij dat donkergroene colbertje draagt en zich net heeft geschoren, zoals nu.
Het stilleven komt in beweging. Evert kijkt op en pakt iets aan, een glas rode wijn. Zijn gezicht verdwijnt even in de schaduw van degene die naast hem gaat zitten. Ze draagt een wit jurkje met een zwarte opdruk. Het fototoestel ligt op het logeerbed. Ik zoem zo ver mogelijk in. Het beeld is troebel want het is moeilijk zo’n toestel goed stil te houden, vooral wanneer je handen trillen. Het jurkje past de buurvrouw precies, alsof ze rechtstreeks uit een modecatalogus is gestapt. In de ene seconde waarin het beeld scherp is, zie ik een klein doodshoofd dat naar me lijkt te grijnzen.

Over de auteur

Elske van Lonkhuyzen (1984) schrijft korte verhalen die het absurde met het alledaagse combineren. Ze schreef de verhalenbundel Met de beste bedoelingen. Ander werk verscheen onder meer in de Volkskrant, Op Ruwe Planken en de Internet Gids. Elske zit in een talentontwikkelingstraject van Literair Productiehuis Wintertuin en heeft een zwak voor oude mensen.

Over de illustrator

Jacquelien Oosting is een illustrator in opleiding en net begonnen aan haar laatste studiejaar op Academie Minerva in Groningen. Haar illustraties zijn vrij grafisch te noemen vanwege het gebruik van lijnen en geometrische vormen. Ze houdt er van om vreemde, bizarre en humoristische onderwerpen aan te snijden en laat deze drie factoren ook graag terug komen in haar ontwerpen. Zie www.jacquelienoosting.nl.

Lees meer van

Hutspot

Door Elske van Lonkhuyzen

Twee havo is een rusteloze, bij vlagen hardwerkende klas. Mevrouw den Hartog is een hardwerkende, bij vlagen rusteloze biologielerares. Ze heeft tegen deze les opgezien, maar minder dan in voorgaande jaren. Met de leerlingen van twee havo zal een goed gesprek te voeren zijn over het thema van vandaag. Toch komt ze te laat. Alsof […]

Lees meer uit de categorie Proza

Stijlestafette: Lovende recensie

Door Evelien Flink

Voor onze themamaand De Stilist vroegen wij deelnemers van De Stijlestafette om een variatie à la Queneau op onze oertekst te schrijven. De setting is beslist pittoresk te noemen: een monumentaal pand, een fraaie, opsmukloze caféluifel en een brede stenen brug met een fantastisch uitzicht over de maanverlichte gracht. Ook prettig om naar te kijken, zijn de […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper