Essay

De Optimist op Lowlands: Onschuld

Door Hannah van Wieringen | beeld: Mathilde Bindervoet
5 september 2017

In augustus 2015 werd een Hongaarse vrachtwagen gevonden langs een snelweg in Oostenrijk, de bestuurder was verdwenen, in het laadruim werden de dode lichamen van 71 mensen gevonden. Na dat nieuwsbericht wilde Hannah van Wieringen naar Lesbos, Griekenland, iets doen. Ze reisde af met een vriendin en begon na deze reis aan een essay, waaruit ze een deel voorlas op het Optimistpodium tijdens Lowlands 2017.

De acht boten die we met onze verrekijkers gevolgd hebben zijn inmiddels geland op verschillende plekken langs de noordkust van Lesbos. Eenmaal aan land begint voor de opvarenden de tocht van het strand door natuurgebied Eftalou naar de registratiekampen. Vluchten in etappes. Hier op Lesbos is het korte termijndoel: een bootticket voor de grote ferry naar Athene vanuit Mytilini. Daarvoor moet er een geldig paspoort zijn. Soms heb je er goed aan gedaan je paspoort te verliezen, soms ben je het verloren. Dus moet er massaal geregistreerd worden in een van de daarvoor ingerichte kampen. Kamp Moria als je uit Syrië bent gevlucht en kamp Karratepe als je uit Afghanistan bent gevlucht. De wachttijden verschillen enorm. Dit eiland is als een haperende long, in en uit, in en uit, gevuld met mensen, als met lucht. Een moeizaam ademhalend, levend orgaan.

Langzaam raakt het strand leeg, mensen lopen met hulpverleners naar de weg. Iemand sleept de vele feloranje lifejackets naar een plek, die worden later verbrand met hoog op cirkelende diep grijze wolken. Griekse vissers, die hielpen met het landen van de boten, steken ze nu lek en hijsen ze aan land. Als potvissen liggen ze naast elkaar opgesteld. De buitenboordmotoren worden soms alweer door smokkelaars van de stranden getrokken, er zijn motherfuckers bij die hele boten proberen terug te varen naar de Turkse kust, vertelt een van de vissers. Hij is klein, breed en hij bekijkt me laatdunkend en medelevend. Hij zegt: you are very late, but you are here. Hij zegt: weet je wat jullie moeten doen, jullie moeten on consumerstrike. This is big oil, this disaster, this human tragedy, it is big oil. You tell your European friends to stop needing oil so blindly. Now give me a hand. Hij geeft me een mes en we steken een boot lek. Als ik naar boven wil lopen terug richting waar onze auto staat, zie ik Henk, van ons team. Hij probeert een man te tillen, het lukt niet goed, de man heeft beiden armen om Henk’s hals geslagen. Ik loop op hen af. De man in zijn armen heeft geen benen. Zijn vrouw, denk ik, staat schuin achter hem en houdt een plastic tas vast. Zijn rolstoel is overboord gegooid, zegt Henk, nauwelijks hoorbaar. Wil je het geloven? Ik wil het geloven en loop met de vrouw achter hen aan. Leid haar tussen de verraderlijke stukken door in de weg omhoog vanaf het strand. Waar ze mij niet bij nodig heeft, dus wie helpt wie hier en waarmee? 

Wij weten toch allebei dat onze rollen net zo makkelijk omgewisseld waren geweest. Maar. Er is hier geen plaats voor dat parallelle universum. 

Een Engelse kunstenares die zich hier gevestigd heeft is boven aan de dirtroad bezig lege flesjes en plastic verpakkingsmateriaal op te ruimen. Ze vloekt. West Europese clubjes hulpverleners die op eigen houtje inkopen doen en voedselpakketten maken houden geen rekening met dit gedeelte, zegt ze. Want opruimen is niet sexy. Maar wat hier, naast een humanitaire ramp aan de hand is, is een ecologische ramp. De walmen van de verbrande liftjackets achter haar illustreren haar punt. We klauteren terug naar het uitkijkpunt om de huurauto te halen. We proberen zoveel mogelijk mensen die slecht ter been zijn, ouderen, mensen die niet meer kunnen mee naar beneden rijden. De mensen van deze acht boten gaan inmiddels te voet door het natuurgebied. Een lange lijn slingerende, veelal doorweekte mensen met rugzakken, weekendtassen, plastic tasjes, kinderen. Sommige breeduit lachend, jonge jongens zingend, er is aanzwellende hitte. Sommige traag, schommelend, steunend. Die mensen proberen we mee te nemen, onderaan de dirtroad zien we elkaar, verduidelijken we. Arabisch leren. Farci leren. Is het beter een slechte hulpverlener te zijn dan geen hulpverlener? Is dit hulp? Definieer hulp. Je kijkt me lang aan als we terug omhoog rijden om weer nieuwe mensen van de weg te halen. We weten het niet. Een grijze, brede man op leeftijd wordt omringd door zijn familie, hij zweet, hij kan niet verder lopen, raakt steeds zijn bovenbenen aan, beschaamd. We willen hem meenemen, maar hij zegt: Miss. I am afraid. My sons, hij wijst om zich heen. I am afraid we will be lost. Hij heeft een snik in zijn stem. Ik stop met heen en weer kijken en redderen. Ik ga naast hem zitten. Ik zeg, zij kunnen lopen, ze zijn sterk, nietwaar. Ze lachen naar me, ze willen heel graag dat we hem meenemen, ze lijken allemaal in meer of mindere mate op hem. Jonger wel, en met meer vertrouwen in hun ogen. Breed voorhoofd, lichtbruine ogen, brede schouders. Hij heeft gehoord dat andere families elkaar zo zijn kwijtgeraakt. Bij elkaar blijven, herhaalt hij. Ik zeg dat het goedkomt. Echt. Dit, dat dit gedeelte goedkomt. Uiteindelijk gaan hij en zijn vrouw mee.
In de auto praten we. Uit Damascus komen ze, waar ze een bouwbedrijf runden. Zijn zonen moesten het leger in. Hij zei, het is nu of doden of gedood worden. Daar kun je niet blijven. Hij vertelt over hun weg tot hier. We stoppen om een heel grote koffer van een kleine vrouw mee te nemen. We hotsen en schudden in de stationwagon de berg af. Ik doe alsof ik mijn hoofd stoot. Hij lacht. In een parallel universum ben ik clown. In dat parallelle universum heerst de blik van de verstandhouding. Die zegt: wij weten toch allebei dat onze rollen net zo makkelijk omgewisseld waren geweest. Maar. Er is hier geen plaats voor dat parallelle universum. De blik van de verstandhouding is pervers. Want de rollen zíjn niet omgedraaid. Beneden bij de Oase stappen we uit. Ik wil met hen wachten tot zijn zoons ook beneden zijn, maar wordt meegevraagd naar waar een andere vrijwilliger boterhammen smeert. Ik laat hen achter aan de linkerkant van de weg en zeg hen, maximaal drie kwartier, dan zijn ze hier. Ik kijk achterom. Daar zitten twee mensen van de leeftijd van mijn moeder. Anan en Nasira. Ze hebben in een grot geslapen aan het strand in Turkije. Zijn drie keer eerder teruggestuurd met een boot. Op volle zee werd er water gemaakt en werd een deel van hun bagage overboord gegooid. De benzine raakte op. Ze dobberden. Er bleek toch een extra jerrycan te zijn. Een jongste dochter bleef in Damascus. Anan wrijft over zijn bovenbenen. Nasira kijkt naar het puntje van haar schoenen. Houdt hun bagage tegen zich aan. Anan tuurt de bergweg omhoog. Ze delen een flesje water. Anan wast er zijn handen mee en weet niet waar hij ze mee af moet drogen. Bewegingsloos hangen ze in de lucht voor zijn lichaam, alsof hij piano gaat spelen. Deze alsof gedachten kwellen. Alsof het vergelijken mij moet troosten. Moet het dat? Het is onwillekeurig. Wat ik hier zie verbinden aan iets anders. Een gat willen dichten. Dat er alle schijn van heeft onoverbrugbaar te zijn. Is de vergelijking iets dat die afstand meer zichtbaar maakt? Of een manier om deze overzijden aan elkaar te hechten?

 

Naast de medische hulppost, waar van alles behandeld wordt: shock, voetwonden. Schimmel, vocht, beenwonden, onderkoeling, ligt de Oase. Het is een provisorische wigwam-achtige constructie gebouwd op het kiezelstrand. Er klappert een zeil los in de wind. Inmiddels is er een aggregaat, en een systeem dat kleding en boterhammen verdeeld, een systeem dat verandert per nieuw arriverende vrijwilligers uit Nederland. Er is geen vaste infrastructuur, geen hoofdinstantie, niemand die ‘het geheel’ leidt. Verbazing daarover legt de aannames bloot, die ik heb over Europese eilanden in de Egeïsche zee, over hoe hulp functioneert in Europa. Bij een ramp van deze omvang. Ik deel kleren uit achter een balie van gestapelde cartonnen dozen. Hannes met de maten, iedereen wil een trainingsbroek, iedereen wil schoenen. Weet niks van kinderkleren en maten. Gedoneerde kleren uit Nederland met legerprint, krijg ik terug. De jongen schudt zijn hoofd, no army zegt hij. No army. Ik geef hem een roze rok. Het is een grapje dat mag. Zijn vrienden gillen het uit, hij houdt de rok voor zijn heupen en hopst er een stukje mee. I am large, zeg ik zachtjes voor me uit, I contain multitudes. Misschien tegen ons allebei. Ik heb dichtregels van Walt Whitman. Dichtregels zijn niet armetierig. Dichtregels zijn niet armetierig. Ik graai in cartonnen dozen naar dat wat past.

De meesten mensen van deze 8 boten zijn beneden nu. En wachten, met wel of geen boterham, met meer of minder goed passende droge kleren. Wie zich sterk voelt gaat lopen, dat is ongeveer 4 en een half uur te voet. Soms komen er grote bussen, die mensen naar tussenkamp Oxi vervoeren, waarvandaan weer andere bussen komen naar de registratiekampen. De chauffeurs van deze touringcars dragen mondkapjes. Ik zie de zonen van Anan en Nasira om hen heen staan. Ze zijn herenigd. Ze zijn onthand. Wij gaan weer naar boven the dirtroad op. Delen water uit, uit de ramen van de auto aan de laatste mensen die naar beneden lopen. Het is inmiddels heet. We rijden helemaal; door tot het verste uitkijkpunt, waar we twee vrijwilligers aflossen. We zitten op de motorkap. Ik maak er een deuk in met mijn kont. We hopen dat dat geen geld kost later. We eten nootjes. Links de lege zee, waar we over uitkijken met onze verrekijker. We wachten. Lang. Rechts beneden in een klein dal een schaapskooi. De man, die de herder moet zijn laat de schapen uit het kleine, uit elkaar vallende gebouw met golfplaten als dak. Het landje dat het omringt is modderig, heeft nauwelijks begroeiing. Het geblaat en doffe gekloenk en geklenk van bellen klinkt op. Ik zie het bereidwillige jagen van de twee vlassige collies, en met name de kalmte van de herder. Het is een lange man, rustige bewegingen, hij heeft een klapstoel die hij openklapt en waarop hij plaatsneemt met een boek. Ik wil weten welk boek. Alsof hij hier buiten de tijd staat en misschien is dat zo. Ik stel me een man voor, achter hem en daar weer achter en steeds vullen zij net als hij traag de langwerpige bakken met voedsel voor de dieren. Steeds omringen schapen hem en leidt hij hen naar graziger weiden. Zon op zijn van stof en slijtage dof geworden trainingsjasje. Deze herder drinkt cola. En ook denk ik aan Odysseus. Ook zie ik onder de buiken van de schapen mensen hangen, mensen op zoek naar een veilig heenkomen. Ik schud mijn associaties weg, waarom komen die me pervers voor?

We turen door de verrekijker. We hebben er nu samen maar een. Dat frustreert ons bijna niet. De zee blijft leeg. Van de teamleider van de vrijwilligers krijgen we polo’s en petjes met een logo erop. Zo is duidelijk wie wij zijn, zegt ze monter en scheurt weer weg in haar jeep. Schoorvoetend trekken we de shirts aan. Met name het pasje in een plastic hoesje aan een rode veter om onze nek geeft ons een potsierlijke air van professionaliteit die effect heeft op sommigen van ons.

Later in de haven van Mythilini zien we Anan en Nasira terug, we herkennen een van zijn zoons. Was het gister? De volgorde van de tijd verdwijnt hier. Anan zit op de grond, hij schudt het hoofd. We hebben nog een paar van die kinderpakketten in de auto uit een zeecontainer. Ik ga ze halen, op een drafje. De jongste zoon van Anan pakt een rugzakje aan. Hij gaat zitten met een spelletje. Eet gummibeertjes uit een zakje. Glimlacht verlegen naar ons. Wat hij nodig heeft is perspectief, wat ik hem gegeven heb zijn goudbeertjes uit Holland. Zijn moeder strijkt over zijn gezicht. En zoekt om zich heen naar haar oudste zoon. Anan kijkt naar de grond. We zwaaien.

 

Over de auteur

Hannah van Wieringen (Haarlem 1982) debuteerde in 2012 met haar roman De kermis van Gravezuid, en is schrijver, dichter, vertaler en maakt toneel voor Toneelgroep Oostpool.

Over de illustrator

Mathilde Bindervoet tekent vrolijke figuren en droeftoers bij andermans tekst en eigen hersenspinsels. Om haar naam aan te dikken met wat internationale allure tekent ze onder de Franse vertaling van haar achternaam: @bindrepied. Vindbaar in de virtuele wereld op: www.mathildebindervoet.nl

Lees meer uit de categorie Essay

De GelegenheidsOptimist

Door Miriam Rasch

Met ‘De GelegenheidsOptimist’ willen wij een podium bieden aan bloggers die wij goed vinden; bloggers met een originele, optimistische invalshoek. Deze week brengt filosoof, literatuurwetenschapper en blogger Miriam Rasch een full circle ode aan het zwart. Ode aan het zwart Een ode aan het zwart – kan dat wel als gelegenheidsoptimist? Toegegeven, het zwart is […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper