Proza

De Nieuwe Lichting: Christiaan Lomans

Door Christiaan Lomans | beeld: Wommel
27 oktober 2017

De Optimist vroeg de nieuwe lichting afgestudeerden van schrijfopleidingen in Nederland en Vlaanderen om hun eindwerk in te sturen. In DE NIEUWE LICHTING presenteren wij fragmenten uit dat werk en stellen wij de schrijvers van de toekomst voor. Op deze zonnige herfstdag stellen wij aan u voor: Christiaan Lomans, pas afgestudeerd aan Creative Writing Artez.

Hoe ben je tot je afstudeerwerk gekomen?
Het begon allemaal met het beeld van een ommuurde stad die omringd was door oerwoud. Aan dat beeld bleven steeds meer thema’s, beelden en verhalen vastkleven, die ik op eindeloos veel losse papiertjes heb opgeschreven. Ik bedacht hoe de stad was ingericht en functioneerde, ik bedacht wie er in de stad woonden en hoe die leefden, ik onderzocht wat de stad en het oerwoud precies betekenden en welke beelden ik kon gebruiken om dat uit te drukken. Toen was het alleen nog zoeken naar een vorm die ik vrij genoeg vond voor het ontstane verhaal.

Wat zijn de thema’s in je werk?
De metafoor van de stad en het oerwoud is eigenlijk een best kernachtige beschrijving van mijn thematiek. Ik schrijf vaak over personages die een staat van vrijheid proberen te bereiken en daarin belemmerd worden door hun begrensde omgeving, de muren van de stad. Mijn werk is ook altijd een onderzoek naar die grenzen: de grens tussen het organische en het beheerste, tussen natuur en cultuur, tussen genders, van alles.

Wat is het belangrijkste dat je op je opleiding hebt geleerd? 
Dat het voor mij essentieel is om te bouwen op wat ik zelf wil. En dat dan organisch te laten ontstaan, in plaats van uit te gaan van vastgelegde vormen of verwachtingen van binnen of buiten. Klinkt als een open deur, maar het heeft veel tijd gekost voor ik teksten maakte die echt van mij voelden.

Wat is je ambitie?
Ik wil altijd heel veel. Mijn schrijven meer combineren met mijn muziek is er één van. Genoeg schrijfopdrachten binnensprokkelen om niet meer in het café toe hoeven werken is een andere.

Optimistmeter! Zie jij jezelf als Optimist? Hoe beïnvloedt dit je werk?
Deep down ben ik een ongelooflijke optimist. Daaromheen zit een laag van spanningen en zorgen. Op dezelfde manier speelt beklemming en onvrijheid een grote rol in Een mensvormig gat, maar uiteindelijk herbergt de zoektocht die het personage doormaakt een diepe hoop. 

Onder de afbeelding volgt een fragment uit Een mensvormig gat, Christiaans afstudeerwerk.

 

De hitte achter stenen

Klein.

Mijn lichaam is klein.

Donker.

Muren. Hoge muren die weinig zonlicht toelaten. Loodsen. Gebouwen. Ik zwerf tussen de gebouwen. De smaak van pap. Zwermen dromen in de lucht.

 

Ik ben klein ten opzichte van anderen. De anderen zijn mannen. Ik ben een jongen. Ik hoef nog niet te werken, zeggen ze. Ik ben nog klein, zeggen ze. Later als je groot bent. Ga nu nog maar even spelen. Ik zoek scherven. Terwijl de mannen werken zoek ik scherven in de leegstaande gebouwen. Als ik ze met speeksel oppoets, gaan ze glimmen. Felle kleuren schuilen onder het vuil. Ik verzamel de mooiste in een kast, achterin een loods. Telkens wanneer ik die kast open en met een kaars erin schijn, weerkaatst het licht in die felle kleuren. Het is een schuilplaats. De scherven zijn verstopt. De mannen zouden ze weggooien als ze ze vonden. Zij houden niet van fel. Ik moet ze goed verstoppen, want we doen alles samen. We leven samen. We slapen samen. We eten samen. Aan lange tafels, ik tussen hen in. Het zijn mijn vrienden en mijn vaders. Ze verzorgen me en voeden me. Ze zijn met veel, maar niet met zoveel dat ik sommige niet ken. Er is Schraapstem, Bruinbuik, Vlekwang en Zuchter. De bel gaat en de mannen staan op. Wij leven samen, maar zij werken samen. Als de zaal leeg is, help ik Vlekwang met afruimen. Met zijn lange benen en dienbladen is hij klaar voor ik nog maar tien borden heb verzameld. Naar buiten, zegt hij, hij moet werken. Ik doe de deur achter me dicht.

De ochtendzon schijnt over de grote muur die ons omringt en verlicht de kantine. Ik loop langs de loodsen. De mannen zijn hard aan het werk. Ze bewerken metaal. Het zweet druipt van hun wangen terwijl ze met hamers op withete ijzeren stangen slaan. Wij bouwen de stad, met moed en met kracht, wij mannen die zullen het re-hegelen. Wij slaan op de stangen, wij zijn echt niet bang en, wij mannen die blijven wel le-he-heven.

 

En de laaghangende wolken in de avondzon. Oranje, alsof iets eronder in brand staat. We zitten in de kantine. Ze maken grappen over mijn lengte. Ze weten dat ik het kan hebben, maar als ik opsta om naar bed te gaan legt Schraapstem zijn hand op mijn schouder. Hij knijpt zachtjes.

(Warme Schraapstem.)

 

Op een moment, later ­– ze zeggen dat ik bijna groot ben, ik ben er nu al een tijdje, het kan elk moment gebeuren, ooit word je wakker en dan heb je overal haar, jongen – loop ik naar de laatste loods in de rij. Ik stap en ik spring naar de laatste loods en ik twijfel. Hierna heb ik alle gebouwen onderzocht. Vandaag zal ik mijn laatste scherven vinden. Verzameling compleet. Ik had gedacht dat ik er langer over zou doen. Balancerend op een dakrand, het moment rekken of gewoon maar gaan? Ik ga. Ik zal zoeken tot ik klaar ben.

De bel gaat. De mannen stoppen nu met werken en over een half uur is er eten. Ik ben KLAAR. Ik heb mijn laatste scherven gevonden, mijn taak voltooid. Statig loop ik terug naar mijn verstopplek, een loods vlakbij de grote muur. Als een dodenmars, ploem, ploem, ploem. Op de deur van de verstopplekloods heb ik met krijt een kruis gekrast. Ik leg de scherven in de kast. Ze liggen daar maar, glinsterend. De belangrijkste raak ik even aan. Zodra ik man ben zal ik ze weggooien. Ik doe de kastdeur voorzichtig dicht en op dat moment zie ik een streep licht op het plafond schijnen. Het komt van achter een metalen plaat, die tegen de muur leunt. Hij is zwaar en de scherpe randen snijden in mijn huid als ik hem opzijschuif. Erachter zit een trap naar beneden. Onderaan de trap brandt een fakkel. Ik daal af.

(De bel gaat. Iets eronder staat in brand.)

 

Een stelsel van kelders, door gangen met elkaar verbonden. Donker. Ik heb de fakkel meegenomen. Overal stapels kisten. Ik maak er een paar open. Gekleurde doeken. Kleine doosjes, met daarin poeders die afgeven op je handen. Spiegels, van handspiegels tot grote die je aan een muur kunt hangen. Ik zwerf verder. Angst. Of ik de weg terug zal kunnen vinden. Tot ik aan het einde van een gang licht zie. Ik hang mijn fakkel in een houder en sluip naar voren. Geluiden. Alsof iemand ziek is.

Voorzichtig gluur ik over een rij kisten. Het fakkellicht laat schaduwen op de muren dansen. Er liggen mannen op de grond. Kronkelend. Een rode dromenman met fel gewaad. Zijn gezicht is geverfd. Zwarte strepen rond zijn ogen. Vetbobbels op zijn borst. En een normale man. Zijn stropdas is losgetrokken. De verf heeft vlekken achtergelaten op zijn gezicht. Ze drukken hun gezichten op elkaar, schokken, bijten, mondenvol geluidloze schreeuwen.

Ik blijf kijken tot ze stilvallen en de spanning ineens wegvloeit. Ze lijken zich weer bewust van hun omgeving en praten, onverstaanbaar. Ik glip weg, terug de gang in.

 

Het begint donker te worden als ik tussen de loodsen terug naar de woonruimtes loop. Ze zijn al begonnen met eten. De lange tafels zitten vol. Ik trek aan de mouw van Schraapstem, ik wil hem iets laten zien, maar ze zijn bezig. Ze praten. Rantsoenen. En natuurlijk bewapening, ja, bewapening.

Ik loop de trap op naar de slaapvertrekken, doe de deur achter me dicht en ga op bed zitten. Ik adem uit. Mijn vingers trillen. Beelden flitsen voor mijn ogen. Rode beelden. Ik blijf het voor me zien, ze kronkelen en kreunen maar. Die rode man leek net een droom, zo felgekleurd. Ik laat me achterover vallen op bed. Mannen die als dromen zijn. Ik kijk naar het plafond maar ik zie geen plafond. Mijn hand glijdt langs mijn buik naar beneden, naar mijn broekzak. Ik heb iets meegenomen. Klein, rond en glad. Ik houd het vast. Het glimt goud, maar als ik de dop eraf haal komt het rode tevoorschijn. Ik ruik eraan. Het is zo fel, zo rood. Ik raak het aan, het is zacht, mijn duim is rood. Ik ga voor de spiegel staan en houd mijn duim naast mijn gezicht. Ik strijk ermee over mijn wang, het laat een rode veeg achter. Ik tuit mijn lippen zoals ik de dromenman heb zien doen. Ik verf mijn lippen rood en stap naar achter om mezelf te bekijken. Iets lijkt van binnen uit mijn gezicht naar buiten te vloeien. Een hitte. Ik kan het niet tegenhouden. Ik wil het niet tegenhouden. Een klop op de deur. De deur gaat open.

             Wat doe je? Waarom ben je niet bij het eten?

Schraapstem. Ik sta met mijn rug naar hem toe.

       Geen honger.

Mijn stem klinkt zacht.

            Wat doe je? Wat heb je daar?

       Ik heb iets gevonden.

Ik draai me om. De hitte dringt bij hem binnen, dwars door zijn huid. Hij verstart en zijn gezicht vertrekt tot een grimas. Ik begin een woord en hij schreeuwt.

             Nee.

En hij schreeuwt.

             Nee.

En hij schreeuwt.

             Wat doe je.

En hij schreeuwt.

             Maak jezelf schoon, nu.

Hij schreeuwt en ik duik ineen en hij stapt naar voren. Warme Schraapstem. Ik duik ineen maar dat wat ik uitstraal dringt nog steeds bij hem binnen en hij tilt zijn hand op en –

Klap.

             Nee.

Klap.

             Nee.

Klap.

             Wat doe je.

Klap.

             Maak jezelf schoon, nu.

Klap en mijn lip barst en de hitte stroomt weg en ik glip weg, achter hem langs. Hij zet een stap naar me toe maar ik ben klein, hij grijpt mis. De deur door. De trap af. Schraapstem schreeuwt. Beneden staan de mannen op. Ik ren langs hen heen, naar buiten. Ze schreeuwen stop. Een glas spat in scherven kapot bij mijn voeten. Ik schiet een steeg in, ze volgen me. Het is donker. Ze hebben fakkels. Ze schreeuwen geen woorden meer maar klanken. Ik moet me verstoppen ik moet me verstoppen ik moet me verstoppen. De grote muur torent boven me uit. Ik ren een gebouw binnen, een kruis van krijt bij de deur. Ik sprint de trap af, ik ben in de kelders, ze volgen me, ze weten waar ik ben. Ik ren door de gangen. Hun schaduwen vallen op mijn hielen. Mijn longen piepen. De gang loopt dood. Ik ben in een kelder. Het geschreeuw komt dichterbij. Overal kisten. Ik kruip achter de kisten. Een kast. Ik zie een kast. Ik schiet erin, doe de deur dicht. Ze komen de kamer binnen. Een streep licht door de kier. Ik houd mijn adem vast, deins achteruit, naar achteren door een gat. Een gat in de kast. In de muur. Een tunnel. Ik kruip door de tunnel, het donker in. De muren zijn vochtig. Het ruikt naar aarde. Het geschreeuw sterft achter me weg.

Zodra het zwart om me heen ondoordringbaar is geworden voel ik iets in mijn lichaam gebeuren. Iets verschuift zich en –

 

Ik houd niet op bij de muur.

 

 

 

 

Een wereld opent zich en ik vind mezelf weer terug.

Stenen. Muren. Strakblauwe hemel. Alsof ik zo de lucht in kan waaien.

Mijn huid tintelt. De plekken waar mijn lichaam ophoudt, de wind die erlangs beweegt. Ik ben veranderd.

Ouder? Anders.

 

De eerste keer dat ik met mijn handen de stenen betast. De eerste keer dat mijn vingers groeven vinden. Mijn spieren trillen als ik mezelf optrek. Mijn huid schaaft langs de muur, ik laat druppels bloed achter op het steen. Het is de eerste keer dat ik de rand bereik, hijgend van het uitzicht geniet. Het is zo uitgestrekt dat de pijn in mijn spieren niet tot me doordringt.

Onder me, aan de andere kant van de muur, lopen mensen in de straten. Niemand kijkt omhoog. Ik durf niet naar beneden te klimmen. De grond is zo ver weg. Maar ik heb honger. Beneden zijn mensen dus is er eten. Ik kom overeind en loop stap voor stap over de muur, op zoek naar een plek waar ik af kan dalen.

De brandtrap komt uit in een steegje. Langs de muren staan stinkende containers. Het steegje eindigt in een drukke straat. Ik stap de menigte in. Iets warms. Ik ruik iets warms. Ik volg de geur, tot ik bij een etalage uitkom waar dromen in uitgestald liggen. Veren als decoratie eromheen. De deur kraakt als ik hem open. Een metalen bak stomende dromen staat op een toonbank. Ik pak er één en de man achter de toonbank spreekt me aan. Ik versta hem niet. Zijn stem is hard. Hij blijft tegen me praten terwijl ik langzaam achteruit naar buiten loop.

Eenmaal buiten kijken ze me aan. De hele straat staat vol. Ze durven niet dichterbij te komen. Een cirkel van leegte om me heen. Sommigen zeggen dingen tegen me. Af en toe kan ik een woord onderscheiden. Meisje. Daarachter. Dakmeisje. Ik begin te lopen en de cirkel beweegt zich met me mee. Tot er iets omslaat. De eerste die de kring verbreekt is een jonge vrouw. Ze lijkt bezorgd. Ik wacht af wat ze doet. Ze strijkt zachtjes met haar hand over mijn armen, mijn knieën. De schaafwonden prikken. De vrouw kijkt verbaasd naar het bloed op haar handen. Dan staat er een tweede vrouw naast haar, ouder, die het haar uit mijn gezicht strijkt. Een man prikt in mijn ribben. Meer en meer mensen stappen op me af, ik weet niet welke handen van wie zijn. Ze grijpen naar me en pijn. Ineens pijn. Ik ruk me los en ik ren. Handen proberen me vast te houden maar ik bijt ze weg. Ze komen me achterna, ik schiet een steegje in. Het loopt dood. Tussen de stinkende containers draai ik me om. Ze staan te wachten aan de rand van de straat als bij een oever. Een man dringt zich naar voren. Snuift de lucht op. Dan haalt hij een zakdoek uit zijn broek en drukt die voor zijn gezicht. Stapt langzaam de steeg in. Ik stuif weg, zie een regenpijp en klim. Ik kijk niet achterom.

Het dak is plat en klein. Hijgend kruip ik tegen een schoorsteen aan. Open mijn samengebalde vuist. De droom is warm, dampt nog.

 

Het is nacht geworden en ik val bijna in slaap wanneer het silhouet van een man zich aftekent tegen de donkere lucht. Ik herken hem en mijn lichaam versteent.

             Lig je lekker?

Het is Schraapstem. Mijn stem is van steen, ik kan niets uitbrengen.

             Wat ben je nou eigenlijk, een jongen of een meisje?

Ik weet niet wat ik moet zeggen en ik kan niets zeggen. Ik denk de volgende woorden.

       Schraapstem, jouw huid is een muur.

             Dakmeisje, jij hebt geen huid. Dat is onfatsoenlijk. Bedek jezelf.

 

Ik blijf twee nachten op dat dak. De eerste uren keken de mensen op straat nog regelmatig omhoog, maar ze waren me al snel weer vergeten. Overdag biedt de schoorsteen beschutting tegen de zon en ’s nachts tegen de wind, als ik tegen de bakstenen opgekruld in slaap probeer te vallen. Het is mijn plek geworden.

Ik blijf er tot honger en regen me weer verder drijven.

 

Boven de straten is een wereld van daken waar niemand komt. Er zijn schuilplekken en voedselbronnen. Ik word beter in het vangen van dromen. Het gaat erom steen te zijn. Ademende, kloppende, groeiende steen. Deel van het dak en deel van de muur. Je groeit in de richting van de droom, zet je cellen uit naar de droom, tilt je voet op, millimeter voor millimeter, gefixeerd op de droom. Niets beweegt, maar de afstand tussen jou en je prooi wordt kleiner. Steeds kleiner, totdat je zo dichtbij bent dat je toe kunt slaan.

Vanaf de daken zie ik patronen. Telkens als je een muur over klimt verschuift er iets in je lichaam. Je vervormt. Ik ben een man geweest, een meisje, een knappe, een grijze. Ik houd van het gevoel dat het me geeft. De tintelingen in mijn huid. Haar dat uit de huid sprietst of zich juist intrekt. Het heeft me veranderd. Ervaring gegeven. Ouder gemaakt. Het gevoel dat de grenzen van je lichaam verlegd worden.

Maar als je een muur over klimt verschuift er niet alleen iets in je lichaam. Je komt in een andere samenleving terecht. De blokken die de lappendeken van de stad uitmaken, verschillen van elkaar. Soms is het subtiel, soms valt het meteen op, maar verschil is er altijd. Zo is er een stadsblok waar de mensen hun gezichten bedekken, de rijken met maskers en de armen met cement. Maar een paar houden hun gezichten onbedekt. Zij lijken gerespecteerd te worden. In een ander blok wonen alleen maar mannen. Er is voedselschaarste en er wordt veel gevochten. Ik kom er niet graag bij in de buurt. Weer ergens anders zijn de pleinen afgeladen met stenen beelden. De mensen zijn er graatmager en vereren de beelden.

Het vreemdst vind ik nog wel dat de inwoners van de verschillende stadsblokken zich helemaal niet bewust zijn van elkaar. Ze zien de muren als de grenzen van hun wereld. Als ze me zien klimmen schrikken ze, maar ze volgen me nooit de daken op.

 

(De wind die langs mijn huid beweegt. Tintelingen.)

       Zintuiglijke ervaring speelt zich af op de grens van het lichaam.

       Denken speelt zich af op de grens van het lichaam.

       Verlangen speelt zich af op de grens van het lichaam.

       Geweld speelt zich af op de grens van het lichaam.

De taal is de muur is de man is de muur is de huid is de muur op de grens van mijn lichaam.

Over de auteur

Christiaan Lomans (1994) houdt van Peter Verhelst, Radiohead, wildkamperen, dansen, het moment dat iets je raakt zonder dat je weet waarom, Ivo Michiels, Jimi Hendrix en brandnetelthee. Hij is redacteur bij Perdu en de helft van schrijfduo LomansRombouts. Zijn afstudeerwerk is een experimentele novelle waarin hij het poëtische en het prozaïsche probeert te laten versmelten, een ontwikkeling die samenvalt met de manier waarop een fictieve stad wordt heroverd door de natuur.

Over de illustrator

Wommel is het tekenaarspseudoniem van Walter Verweijen. Hij studeert comic design aan Artez en maakt graag vreemde beelden waar de kijker zijn interpretaties op los kan laten. Zijn strips is hij vaak dagenlang aan het plotten, maar bij zijn illustraties geeft hij aan improvisatie de voorkeur. Verder leest hij in zijn vrije tijd graag malse stripboeken en kijkt hij veel naar muur reclames uit de jaren 30. Zie instagram.com/wommel.nl

Lees meer uit de categorie Proza

Ouderdom: een drieluik

Door Vincent Bakkum

De rimpels van Rampling In het pikdonker schommelt de pont over het IJ. Gezichten van over hun stuur geleunde fietsers fluoresceren in het licht van hun mobieltjes. Ergens wordt een joint gerookt. K en ik zijn naar de film geweest. In Eye. Naar me toegebogen wil ze, fluisterend, weten of iedere man later met erectieproblemen […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper