Kort verhaal

De Nieuwe Lichting: Isra Juneau

Door Isra Juneau | beeld: Karolina Szejda
16 oktober 2017

De Optimist vroeg de nieuwe lichting afgestudeerden van schrijfopleidingen in Nederland en Vlaanderen om hun eindwerk in te sturen. In DE NIEUWE LICHTING presenteren wij fragmenten uit dat werk en stellen wij de schrijvers van de toekomst voor. Vandaag stellen wij aan u voor: Isra Juneau, pas afgestudeerd aan de SchrijversAcademie te Antwerpen.

Hoe ben je tot je afstudeerwerk gekomen?
Het begon allemaal met Dying on the Vine van John Cale. De eerste zinnen van deze song werden de titels van de drie delen waaruit mijn roman (De frontcorrectie) bestaat. Daar kwamen bij: boksen, postpunk uit de vroege jaren tachtig, hitte, de grootstad (Brussel), identiteit, verlies, vriendschap. Tijdens de opleiding groeide het verhaal gestaag en kon ik de geloofwaardigheid ervan toetsen.
Daarnaast schreef ik dertig zkv’s in eerder poëtisch proza (Short Cuts). Dit manuscript ontstond na de lesopdracht ‘verzin een tekst bij een foto van Duane Michals’. Voor alle  teksten vormden schilderijen en foto’s de inspiratie, deze zijn ook in de bundel opgenomen.
In het algemeen groeien mijn ideeën uit veel kijken en luisteren. Hoe ik uit dat alles een verhaal distilleer, weet ik eigenlijk niet goed. Wat niet wil zeggen dat het schrijven vrijblijvend is.

Wat zijn de thema’s in je werk, waar schrijf je het liefst over?
Het liefst onderzoek ik of de verticaliteit van menselijk gedrag de condition humaine is. Dit doe ik aan de hand van thema’s als: identiteit, eenzaamheid versus integratie,(machts)verhoudingen, belangenconflicten en machtsmisbruik.

Wat is het belangrijkste dat je op je opleiding hebt geleerd?
Dat de structuur van een verhaal het onzichtbare canvas is waarop de personages tot leven komen. Middels techniek ontsluit je de rode draad die de grondstof tot leven brengt.
Dat het gaat om onophoudelijk lezen, leren, schrappen, polijsten…
Dat schrijven vrij staat, maar gelezen willen worden van een andere orde is.

Wat is je ambitie?
Ik ben begonnen aan een nieuwe roman (met als werktitel Wilden). Daarnaast zet ik graag het beeld-woord-experiment verder. Beide projecten hoop ik tot een goed eind te brengen. Daarnaast zou ik mijn werk graag gepubliceerd zien, al lijkt me dat een moeilijke uitdaging. 

Optimistmeter! Zie jij jezelf als Optimist? Hoe beïnvloedt dit je werk?
Hiervoor verwijs ik graag naar Jacques Brel en zijn prachtige lied J’en appelle:  

Pour que monte de nous et plus fort qu’un désir
Le désir incroyable de se vouloir construire.

Onder de afbeelding volgt een fragment uit De Frontcorrectie, Isra’s afstudeerwerk.

16 april 1985 – 04u15

Ergens drupt een kraan. Zo’n geluid hoor je alleen wanneer de stilte je onpasselijk maakt. Bijvoorbeeld ’s nachts, wanneer iedereen slaapt en jij de enige bent die door kamers of straten doolt; tijdens een gesprek waaraan je niet wilt deelnemen omdat valse verwachtingen elk woord doden nog voor het is uitgesproken; in het smetteloze mortuarium van het ziekenhuis, waar je lief om vier uur in de ochtend op een ijzeren berrie wordt getoond ter identificatie. 
Haar lichaam onder een laken dat net zo wit is als haar gezicht. 
Haar lange, zwarte krullen vochtig en achterover gekamd.
Haar oogleden, die niet bewegen onder dat felle licht.
Ze hebben haar make -up weggeveegd, de paarse oogschaduw die ze vanavond voor de eerste keer heeft gebruikt. Normaal zweert ze bij zwart. Ik wil vragen hoe ze dat gedaan hebben. Of ze iets zacht hebben gebruikt, een washandje, watten, niet van dat stugge papier dat in rollen aan de matte tegels hangt. Ik zwijg. 
Roestvrijstalen karren staan naast elkaar tegen de muur gerold. Dezelfde soort karren gebruikten ze vroeger op onze school om de maaltijden rond te brengen. Op één kar konden genoeg kommen trillende vanillepudding voor twee rijen eettafels.
Dat ik daaraan moet denken, aan vanillepudding, nu ik de karren zie met daarop de schalen, netjes uitgewassen nadat ze de inhoud van haar organen hebben opgevangen. 

Twee groene latex handen rusten aan het hoofdeinde van de berrie. ‘Kunt u bevestigen dat dit Catharina Herregodts is?’
Ik staar naar een punt links van de man. In mortuaria hangen kalenders. Waarom ook niet eigenlijk? Rond de dood vallen allerlei taken te plannen.
Ik verwacht dat de man gaat zuchten of zijn keel zal schrapen, maar hij maakt geen geluid. Hij kijkt me wel aan geloof ik. Ik weet niet hoe hij eruitziet, alleen die groene handschoenen zie ik. Omdat ze bijna haar haren aanraken.
‘Ja. Dat is Katty.’
Ik zeg het zonder haperen, zonder mijn ogen een tel te sluiten. Al weet ik dat laatste niet zeker.
De handen van de man komen los van de berrie en reiken me een document aan. Ik onderteken het, dan mag ik weg.

Rond de dood vallen allerlei taken te plannen.

Witte pijlen in groene lichtbakken sturen me richting de uitgang. De gangen zijn donker, het ziekenhuis slaapt met gepiep en gezucht. Gekerm is er vast ook, in afgesloten kamers waar het bezoek wordt beperkt en de seconden net iets harder tikken. Klokken zijn er trouwens genoeg, dit is al de derde die ik zie. Terwijl de tijd nooit juist is in het ziekenhuis: alles duurt te lang of te kort, voor een ‘nu’ is dit niet de plaats. Het is beter niet ziek te worden, zeggen we doorgaans. En toch. Ik zou alles doen voor een nu, hier met haar, kermend aan een of andere monitor.
Uit het bureau van de nachtpermanentie komt muziek. Gelach, geritsel, van een zak chips misschien. Achter glas zitten twee in groen verpakte verpleegkundigen schouder aan schouder boven een boek, een tijdschrift, of is het een krant? Ze zien me niet. Dat hoeft ook niet, het is goed zo.
Ik duw de deur open.
Buiten is alles bevroren. We doen dat vaak, samen chips eten, terwijl ik plaatjes draai. Ze vindt het fijn dat ik zoveel platen heb, dat ik zoek welke muziek past bij het moment, charmeur, wat een geweldige charmeur ben ik toch. Ik sla mijn vuist tegen de muur. De pijn die ik voel had ik niet verwacht.

Het sneeuwt nog steeds. Doodstil leggen de vlokken alle putten dicht, alle barsten, alle rotzooi. Dit is allemaal ronduit belachelijk. De blinkende kristallen op mijn jas zouden drek moeten zijn, klodders drek, dik en niet-afwasbaar, zoals bij de vogel die besmeurd met pek zijn vleugels niet meer kan spreiden. Ik had daar moeten liggen. Soms heb ik nachtmerries waarin ik op de vlucht ben en niet kan lopen: ik geraak niet vooruit, mijn voeten gaan niet omhoog. Zo is het nu. Ik wil hier weg en tegelijk wil ik geen spoor trekken in de verse sneeuw. Het is allemaal te smerig, ik ben te smerig.
In de donkere nis naast de ingang wring ik mijn lichaam tussen de vuilcontainers. Wankel toren ik boven ze uit, koning van het afval. Op enkele meters van mij komt met gierende banden een donkerblauwe Volvo tot stilstand. Een man springt uit de wagen, hij rent, struikelt bijna over zijn voeten. Het is Igor. Katty noemt hem altijd bij zijn voornaam, tegen zijn zin, Igor verkiest ‘pa’.
Ik zak tussen de containers naar beneden, gemorst vuil kleeft aan de grond. Ze blijft maar naar me knipogen vanonder haar Nina Hagen-kapsel. Hoe echt is dit beeld nu ik het lichaam daarbinnen in de ijskelder eveneens Katty heb genoemd? Dat grauwe lichaam op het ijzeren bed, omgeven door steriele instrumenten; dat koude lichaam waarin het bloed niet meer stroomt; dat ik nooit meer zal vasthouden terwijl het slaapt. Ik ben verbaasd dat ik mezelf niet hoor brullen.

Over de auteur

Van huis uit is Isra Juneau historica, haar interesse gaat voornamelijk uit naar de Griekse oudheid. Ze woonde en werkte meer dan twintig jaar in Brussel, een heerlijk chaotische stad. Die liet ze onlangs achter voor het Waalse platteland, waar je ‘s nachts naar de sterren kunt kijken. Isra is veertig jaar jong.

Over de illustrator

Karolina Szejda is afgestudeerd als striptekenaar en illustrator aan LUCA School of Arts Brussel. Ze experimenteert graag met verschillende texturen en materialen die achteraf in haar illustraties worden verwerkt. Ze richt zich vooral op het menselijke, zowel het lichaam als de emoties binnenin. Momenteel zit ze in haar eerste fase van het verkort traject lager onderwijs. Zie haar Instagramaccount.

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

De Wentelverhalen 2: De beul

Door Sytze Schalk

Lida-stad, Aula van de Universiteitscampus. 23 november, jaar 1, 02:12 uur. Het is feest. Het halve dierenrijk is hier, samengeklonterd op de dansvloer, in het roze licht van de aula. Ze zijn jong, en ze zijn vrij. Ze dragen maskers en ze houden elkaar gevangen hier. Houden mij gevangen. Ik zit roerloos op de bank […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper