Proza

De Nieuwe Lichting: Jelle Dehaes

Door Jelle Dehaes | beeld: Niels Egidius
21 november 2017

De Optimist vroeg de nieuwe lichting afgestudeerden van schrijfopleidingen in Nederland en Vlaanderen om hun eindwerk in te sturen. In DE NIEUWE LICHTING presenteren wij fragmenten uit dat werk en stellen wij de schrijvers van de toekomst voor. Vandaag is het de beurt aan Jelle Dehaes! Jelle werkte de afgelopen jaren aan de SchrijversAcademie in Antwerpen aan een roman met een wel héél coole werktitel: ‘Wij zijn de optimisten’. Bij De Optimist zijn we heel trots alvast een voorproefje te mogen geven!

 

Hoe ben je tot je afstudeerwerk gekomen?

Ik ben de opleiding gestart met de idee een roman te schrijven waarin de geschiedenis van de postmoderne filosofie wordt verwerkt. Die zoektocht heeft veel tijd gekost. In mijn eerste pogingen stond de filosofie nog teveel naast het verhaal. Ondertussen ben ik strenger voor mezelf geworden. Ik schrijf alleen nog theoretische en biografische stukken wanneer ze relevant zijn voor de thema’s die ik wil behandelen. Het idee om een soort Wereld van Sofie over postmoderne filosofie te schrijven, heb ik dus laten varen.

Ik denk dat ik op het goede spoort zit, al blijft het een voortdurende evenwichtsoefening. Van enkele docenten kreeg ik de kritiek dat literatuur een filosofie hoort te illustreren zonder er expliciet naar te verwijzen. Die opmerking houdt een onterechte hiërarchie in, vind ik, alsof literatuur de grote ideeën uit de filosofie slechts kan vertalen. Ik ben van mening dat er geen echte grens is tussen de twee en dat ze elkaar ook kunnen versterken binnen één werk.

Wat zijn de thema’s in je werk?

Het verhaal speelt zich af rond de millenniumwisseling. Ik probeer die tijd in kaart te brengen als de kweekplaats van discussies die we nu nog altijd voeren. Vragen over privacy, de eerste kiemen van de aandachtseconomie en het virtueel narcisme, het globaal terrorisme en de bijhorende angstcultuur, ze vormen als tijdskader de achtergrond voor mijn eigenlijke verhaal.

Het verhaal zelf is een existentieel drama. De absurditeit van het leven, de dood, die soort van gezelligheid. Ik probeer die thema’s te linken aan de vraag naar normaliteit. Dat klinkt als een ideeënroman. Maar ik streef ook luchtigheid na. Het boek kan best wel plotgericht worden gelezen.

Wat is het belangrijkste dat je op je opleiding hebt geleerd?

Dat een boek schrijven verdomd veel tijd kost. En dat het misschien daarom zo goed bij me past.

Wat is je ambitie?

Het doel blijft een uitgever vinden. Als ik geduldig blijf werken en schaven, ga ik ervan uit dat het vroeg of laat wel zal lukken. Ondertussen noteer ik ideeën voor een eventueel tweede boek.

Ik probeer niet te veel vooruit te kijken. Maar zelfs op momenten dat ik wegdroom, zie ik een leven als voltijds schrijver niet echt zitten. Er zou te veel druk op het schrijven komen te staan. Ik geef erg graag les en ik ben ook met muziek en andere kunsten bezig. Die afwisseling houdt me alert.

Zie jij jezelf als Optimist?

De werktitel van mijn boek is Wij zijn de optimisten. Het verwijst naar een citaat van Emile Cioran. Hij schreef dat alleen optimisten in staat zijn zichzelf van het leven te beroven. Het zijn idealisten die door het leven dermate worden teleurgesteld dat ze het niet meer kunnen dragen.

 

WIJ ZIJN DE OPTIMISTEN – Fragment

 

De eerste ontmoetingen na een relatiebreuk zijn de moeilijkste. Geen van beide gewezen geliefden wil in het verwerkingsproces onderdoen voor de ander. Ze willen koste wat het kost laten zien dat ze verder gaan met hun leven, al dan niet subtiel verwijzend naar kleine successen: dat ze sinds de breuk weer de bloemetjes buitenzetten, hoe geweldig ze presteren in hun job en hoe goed het met hun algemeen psychisch welbevinden is gesteld. Toen Lise begin februari voor het appartement van Viktor stond, had ze bovendien het voordeel dat hij haar bezoek niet had verwacht. Hij voelde schaamte voor de staat waarin hij leefde, ongewassen, met een baard van enkele weken, op slippers door zijn woning sloffend.
            Toen hij de voordeur opende stond ze in de straatverlichting met een vierkant doosje tegen haar buik gedrukt.
            ‘Meneer de zombie.’
            ‘Het is een van m’n betere dagen.’
            ‘Die zelfspot.’
            Gezien de temperatuur was ze opvallend licht gekleed. Viktor zag hoe de bomen aan de overkant van de straat naar elkaar toe groeiden om de koude te verduren. Ze straalden een weemoedige rust uit. Als de wind uit de juiste richting kwam, kon je horen hoe het verkeer op de hoofdweg in de alledaagse impasse deelde.
            ‘Ga je me nog binnenlaten of zou je alsnog graag zien dat ik mijn eicellen hier ter plaatse laat invriezen?’ Die uitdagende grijns en de korte gedempte gil die er steeds op volgde. De gemusiceerde joligheid die hij zich van haar zo goed herinnerde. Natuurlijk zag Lise er goed uit. Hoe kon het ook anders. Haar dikke zwarte haren slordig met een elastiek in een staart, zoals hij haar het liefst zag. Toen ze het appartement binnenkwam, zag hij haar rondkijken. Ze leek door de puinhoop niet eens zo verrast, trok het deksel van het doosje en kiepte de inhoud op de salontafel.
            ‘Het bewijs dat ik wél emotioneel met je ben verbonden.’
Ze zei het rustig, gedecideerd zelfs, alsof ze lang over de zin had nagedacht. Viktor vroeg zich af of hij ooit het tegendeel had beweerd. Haar hand ging voorzichtig door de spullen op de tafel. Ze nam het bierviltje en stak het in de lucht. ‘Jouw telefoonnummer,’ zei ze. ‘Van de avond dat we elkaar hebben leren kennen.’ De warme septemberavond. In zijn laatste jaar fotografie kwam Lise als eerstejaars in Brussel studeren. Hij herkende het viltje van de zomerbar waar ze samen de hele avond hadden gebabbeld. In de vroege ochtend schreef hij zijn nummer op het viltje en verstopte het in haar tas.
            ‘Ik heb je de voorbije weken een aantal keren gebeld,’ zei Lise. Ze keek in het rond, op zoek naar de telefoon, en vond die uiteindelijk in de hoek, onder zijn werktafel, uitgetrokken. Ze keek Viktor vragend aan. ‘Ik gebruik sinds kort een van die buzzer-dingetjes,’ antwoordde hij. Hij nam de semafoon uit zijn broekzak en wuifde hem heen en weer voor haar gezicht. Lise kneep haar ogen tot spleetjes, wat ze altijd deed wanneer ze hem van zijn wispelturigheid wilde overtuigen.
            Lise ging nu sneller door de spullen. Ze nam ze een voor een op. ‘De foto’s, onze eerste foto’s samen.’ Ze zei het op een licht verwijtende toon. De pasfoto’s waren in Parijs gemaakt. Omdat ze er lelijk op stonden en het beeld overbelicht was, had Viktor ze een paar honderd meter verder meteen weer in een vuilnisbak geworpen. Blijkbaar had Lise ze achter zijn rug weer opgevist.
            Ze nam de ring van kunststof in haar hand. De ring was het resultaat van vele pogingen op een grijpautomaat. Op het einde hadden ze samen de slappe lach over het bedrag dat het stuk plastic hen uiteindelijk had gekost.
            ‘Ik ben niet zoals zoveel vrouwen die van hun man een peperdure ring verwachten, Viktor.’ Ze keek hem aan. Haar armen waren gekruist, haar pleidooi leek voorbij en hoewel er nog enkele dingen onbesproken op de tafel lagen, keerde ze zich om en liep naar het raam.
            ‘Schrijf je?’ Ze bestudeerde de schrijfsels op de werktafel.
            Viktor knikte.
            ‘Wat schrijf je?’Hij haalde zijn schouders op.
            ‘Over mijn vader,’ zei hij zacht.
            Ze keek alsof ze hem op de plaats waar ze hem hebben wilde had gemanoeuvreerd: de verdwijning van zijn vader.
            ‘Hoe gaat het?’
            ‘Het schrijven?’
            ‘Nee, gewoon.’
            Viktor gaf geen antwoord. Lise kwam een stap dichterbij. Ze stond nu vlak voor Viktor, haar hand ging naar zijn wang. Het signaal dat gewoonlijk een kus aankondigde.
            ‘Mis je me soms?’
            Dat vond hij een goede vraag, al kon hij haar dezelfde vraag stellen. Afgezien van een gemeenschappelijke interesse in fotografie, had hij nooit goed begrepen wat ze verder nog in hem zag. Waarom zou een vrouw als Lise hem de aandacht geven die hij van haar kreeg? En pertinenter: waarom bleef hij haar keer op keer afwijzen? Waarom zou hij haar niet bespringen, hier en nu, zoals mannen dat dan doen? Hij zou beginnen met een onderzoekende, zachte kus op haar lippen. Dan zou hij haar arm vastgrijpen en haar in één beweging ruw omdraaien. Hij zou dichter tegen haar aan komen staan, met zijn erectie tegen haar billen strelen. Hij zou de elastiek losmaken, haar haren met zijn hand samen grijpen om haar hoofd met een ruk naar achter te trekken. Hij zou haar hals kussen en zijn luide ademhaling in haar oor laten klinken. Hij zou twee vingers in haar mond stoppen voordat hij ze naar haar slipje bewoog.
            Viktor duwde Lises hand weg.
            ‘Mijn vader is verdwenen, Lise.’
            ‘Viktor, je had je vader al twee jaar niet meer gezien.’
            Zonder Viktor een blik te gunnen keek ze rond zich en vond een kladblok en een balpen op de werktafel. Ze krabbelde wat cijfers neer. Ze scheurde het papiertje af en stak het met een duimspijker tegen de wand. ‘Ik heb nu een gsm. Bel mij alsjeblieft.’ Ze kuste Viktor op zijn voorhoofd en verliet zijn appartement even plots als ze het had betreden. ‘Voor eender wat, Viktor. Bel mij.’

Lise Grossard. Viktor zocht de laatste plukjes tabak bij elkaar en onderzocht zijn vloer voor filters en blaadjes. Miste hij haar? Hij dacht de laatste weken vaak aan de woorden van zijn vader. ‘Ik zou nooit alleen willen sterven,’ had hij gezegd op een van de zeldzame avonden waarop ze een echt gesprek hadden aangeknoopt. Hij vertelde dat het hunkeren naar een vrouw nooit zou stoppen. Maar tegelijk moest hij toegeven dat zijn interesse meer en meer uitging naar jongere vrouwen. Hij was een van die oude zakken geworden die zijn zinnen zou zetten op meisjes van minstens twintig jaar jonger. ‘Dat besef,’ zei hij, ‘is heel pijnlijk. Als je rond de twintig, dertig jaar oud bent, lach je zelf om dit soort vunzige types. Je zit dan in de fleur van je leven; je kan eigenlijk vrouwen van alle leeftijden schaken. Je bent in goede vorm, vol zelfvertrouwen. Als je wat ouder bent, mijn leeftijd of al vanaf een jaar of vijftig, begin je te begrijpen dat je hoogdagen van seksuele hegemonie achter de rug zijn. Als oudere man ga je inzien dat je die oude geilaard bent geworden. Soms lukt het om op café met jonge vrouwen een gesprek aan te knopen. Ze lachen en fluisteren dan van alles in elkaars oor. Dat geeft je hoop. Je wordt nostalgisch en verwijt jezelf een gebrek aan zelfvertrouwen waardoor je de laatste jaren de jacht hebt stopgezet. Maar als je een stap verder wil gaan, dan groeit pas het besef. Je biedt ze een drankje aan of je waagt je nog eens aan een van je betere danspassen. En dan keert het om. Ze giechelen omdat ze je uitlachen. Ze giechelen omdat ze moeten vluchten en ze niet weten hoe dat aan te pakken. Als je een bepaalde grens overtreedt, komen er uit allerlei onverwachte hoeken stevig gebouwde gezonde jonge mannen op je af. Mannen waarin je jezelf van twintig jaar terug herkent. Die jongens komen tussen ons instaan. Als een buffer. Op dat moment behoor je tot de flanken van het verderf, waar het genot ophoudt en zich vertaalt in een zielig verlangen. Wij staan symbool voor de onkundige roep naar bevrediging, veel te laat en uiteindelijk op onszelf gericht. Tenzij je op televisie komt. Dan heb je nog een kans. Anders sterf je als man vanaf je vijftigste een langzame dood.’

*

Het publiek stond op straat tot aan de kale bomen op de middenberm. Mensen in groepjes, in de handen blazend, nippend van hun cava. Kwetteren en gieren, animo en vertier. Iedereen kent iedereen; omhelzingen en begroetingskussen. ‘Hoe is ’t?’, ‘Lang geleden!’, ‘Jij ziet er écht supergoed uit. Echt waar.’ Nog meer geknuffel. ‘Waar ben je nu mee bezig?’ Viktor herkende de gezichten. Hij had ze allemaal wel eens eerder gezien. Hij herkende ze van zijn opleiding in Brussel, van weekendavonden in andere galerijen, van het leven in de stad. Je kwam er steeds dezelfde mensen tegen.
            Naast de toegangspoort hing in groot formaat de flyer die hij in zijn brievenbus had gevonden. Verder geen informatie. Viktor keek beduusd om zich heen en sprak tot zijn eigen verbazing een vrouw aan. ‘Geen dubbeltentoonstelling?’ De vrouw bewoog haar hoofd. ‘Nee.’ Ze nam een flinke trek van haar sigaret. Ondanks de zichtbare pogingen haar leeftijd onder een laag schmink te verstoppen, verklapten de ingevallen wangen dat ze een pak ouder dan Viktor moest zijn. Ze bekeek hem van kop tot teen, hief haar hoofd tergend traag en blies een rookpluim de lucht in. ‘Nee, enkel Lise,’ zei ze en ze draaide zich weer naar haar gezelschap toe. Viktor keek achter de vrouw de galerij in. Al dat volk voor Lise? Existenz was een van de grootste galerijen van de stad. Vier ruimtes, meestal verdeeld voor groepstentoonstellingen. Soms bleven de twee achterste zalen gesloten. Nooit eerder had hij geweten dat in de hele ruimte slechts één kunstenaar exposeerde. Waarschijnlijk had de galerij haar aanpak aangepast. Een doordachte strategie gebaseerd op huidig onderzoek in de kunstensector; meer vernissages staan voor meer activiteit rond de galerij. Meer exposure, betere verkoopcijfers. Zoiets.
            Viktor sloop de galerij binnen. Hij zag hoe een jong meisje achter een tafel een fles wijn opende en glazen vulde. Als je er niet kon roken, was het handig als er gratis drank werd uitgedeeld. Zo had hij iets om handen wanneer hij niet meteen aansluiting vond bij één van de groepjes mensen die zich hadden gevormd. Om zichzelf zo veel mogelijk weg te cijferen bleef Viktor nooit te lang op één plaats staan. Het zou de mensen de kans geven hem aan te spreken. Wanneer iemand hem wat langer aanstaarde, begroef hij zijn gezicht in zijn sjaal en liep hij zo onopvallend mogelijk verder.
            Pas in de derde zaal vond Viktor de rust en ruimte om zich op Lises werk te concentreren. Er liepen slechts enkele koppels van muur tot muur. Het geluid van hoge hakken op gepolijst beton, tegen de achtergrond van zacht geroezemoes uit de andere zalen. Hij zag een tiental werken op groot formaat, zwart-wit, in een zachte gelatine zilverprint. Viktor herkende het beeld van op de uitnodiging. De suggestie van een foto door een bewakingscamera genomen. Ook de andere beelden hadden dit perspectief. Van bovenaf keek je neer op figuren, dwalend in een troosteloze publieke ruimte, zichzelf verliezend in een labyrint van muren en wanden. Misschien wou Lise de huidige discussie rond de opmars van reality-tv aankaarten. Het Big Brother-huis met de immer goedlachse Betty. Hoe ze online te volgen was, elke seconde, dag en nacht, met infraroodcamera’s tot in de douche en de slaapkamer. In de krant verschenen opinies met verwijzingen naar 1984. De eeuwwisseling als bakermat van de totale controle, niet zoals in Orwells verhaal door een tirannieke macht ingesteld, maar door de media en door het schermlievende publiek, die alle vormen van schending van privacy met voetbalsjaals en hoge kijkcijfers luid hadden toegejuicht.

            ‘Viktor!’
            Haar stem.
            ‘Fijn dat je bent gekomen.’ Ze omhelsde hem.
            ‘Veel volk,’ zei Viktor alsof het slecht nieuws betrof.
            Lise sloeg haar ogen neer. ‘Je hebt duidelijk nog wat in te halen,’ zei ze. Ze wees naar zijn halfvolle glas en toverde een glimlach op haar gezicht.
            Haar naam werd geroepen door enkele opgewekte gezichten aan de ingang van de zaal. Lise kneep in Viktors hand. ‘Tot straks?’ Ze keerde zich om. Haar jurk danste de plotse beweging net iets later na. Viktor herkende Elco Balthazar. Wanneer Lise de filosoof voorbij liep, ging ook hij met haar mee. Het leek wel of ze elkaar kenden. Voor even bleef Viktor aan de grond genageld. Hij zag hoe een klein meisje hem aanstaarde alsof hij het kunstwerk was. In de hoek van het plafond zag hij een rood lichtje van een camera knipperen. Snel draaide hij zich om. Hij dronk het glas wijn leeg en richtte zijn aandacht weer op Lises werk. Hij liep langs alle foto’s in de zaal, snel, maar niet te snel, om de schijn van interesse hoog te houden. Op de laatste foto zag Viktor een man van de fotograaf wegrennen. De man was onherkenbaar, maar had ontegensprekelijk het postuur van zijn vader. Hij droeg een hemd dat zijn vader zou dragen. Dezelfde zwarte wilde haren. Hij leek in paniek, alsof hij de uitgang van het gebouw zocht en die niet kon vinden. Viktor nam enkele voorzichtige stappen, dichter naar de foto toe.
            ‘Meneer, het werk niet aanraken alsjeblieft!’ De suppoost riep het luid. Mensen keken op en wendden hun hoofd af. Viktor trok zijn hand terug, liep naar de suppoost, gaf hem zijn glas en vluchtte achter hem door naar de vorige zaal terug. Zonder aarzelen liep hij de eerste twee zalen door. Pas aan de ingang van de galerij vertraagde hij zijn pas. In een hoek hingen een aantal monitors aan de muur. Hij zag beelden van de tentoonstelling, groepen mensen in de verschillende ruimtes, allemaal opnames in uitgesteld relais. Op een scherm kon hij zien hoe Lise naar een onverzorgde man toeliep en hem omhelsde. Hij zag hoe de man zich vreemd bewoog en hoe afstandelijk hij bleef. Het duurde even voor Viktor begreep dat hij naar een opname van zichzelf keek. Hij zag hoe hij Lise omhelsde. Of Lise hem. De beelden toonden hoe hij er niet in slaagde die omhelzing op een normale manier te beantwoorden. Hij zag hoe ze lachte en hoe hij zijn lippen op elkaar hield. Ten slotte liet ze zijn hand los en liep van hem weg. Viktor vroeg zich af of hij altijd zo’n indruk naliet op mensen die hij graag zag.
            Hij keek om zich heen. Het meisje stond nog steeds aan de drankstand. Hij nam een glas wijn, leegde het in een paar slokken en nam meteen een nieuw glas toen hij Lise samen met Elco Balthazar op het voetpad zag staan. Door het venster zag hij hoe ze blijkbaar moest lachen met elk woord dat de filosoof uitsprak. Met zijn glas in de lucht drong Viktor zich tussen de lichamen een weg naar buiten toe. Toen hij bij Lise en Balthazar aankwam, stak de filosoof bij wijze van groet een hand naar hem uit.
            ‘Viktor Sagal, hoe gaat het?’
            Viktor negeerde het verzoek tot sociale wenselijkheid en trok aan Lises schouder.
            ‘Wanneer heb je die foto getrokken Lise?’
            ‘Waar heb je het in hemelsnaam over?’ antwoordde ze.
            ‘De foto in de derde zaal. Het is mijn vader. Wanneer heb je hem gezien?’ Viktor verhief zijn stem terwijl hij met gestrekte arm naar binnen bleef wijzen. Er vormde zich een cirkel van geïnteresseerden rond het gebeuren. Af en toe verscheen een flits. Elco Balthazar probeerde Viktors opdringerigheid in te tomen. Hij hield hem van Lise weg, probeerde hem zijn glas af te nemen. Viktor verdedigde zich waardoor het glas met wijn tot algemene ontsteltenis in het rond vloog. Er volgde gejammer over dure outfits en het ongemak dat rode wijnvlekken met zich meebrengen. Viktor had voor het gemopper weinig belangstelling.
            ‘Van waar ken je die filosoof?’ vroeg hij Lise. ‘Waarom ga je met hem om?’ Lise gaf geen antwoord. Ze hield haar blik voor zich op de grond gevestigd.
            Viktor keek achtereenvolgens naar Lise, naar de filosoof en naar alle mensen die zich rond hem hadden verzameld. Toen hij begreep dat niemand hem van een antwoord zou voorzien, zette hij een paar stappen achteruit, draaide zich om en wandelde weg. Uit het gepraat achter hem meende hij enkele opmerkingen te horen; ‘Dus dat is ’m?’, ‘Waarschijnlijk stomdronken’, ‘Wat heeft ze ooit in hem gezien?’

Over de auteur

Jelle Dehaes studeerde filosofie, moraalwetenschappen en culturele studies. Naast zijn job als leerkracht, maakt hij tijd vrij voor muziek, beeldende kunst en creatief schrijven. Hij publiceerde eerder non-fictie bij Plantyn en Universitas. De voorbije jaren werkte hij aan de SchrijversAcademie (Antwerpen) aan een roman waarin zijn grote liefde, de hedendaagse filosofie, een prominente plaats krijgt.

Over de illustrator

Niels Egidius van der Putten (Eindhoven, 1991) woont en werkt in Nuenen en is in 2016 afgestudeerd aan de richting Illustratie van de HKU, Utrecht. Als Illustator is Niels voornamelijk bezig met het vertellen van verhalen die (vaak) voortkomen uit eigen ervaring en observaties. Niels denkt daarbij als een regisseur en gaat te werk als een schilder. Hij zoekt naar de mystieke kanten in het alledaagse - in de verstilling - met een nieuwsgierigheid voor het onbekende. Met onvoorspelbare details wil hij de toeschouwer uitdagen om het beeld te ontleden.

Lees meer uit de categorie Proza

Stijlestafette: Mannenpraat

Door Evelien Flink

Voor onze themamaand De Stilist vroegen wij deelnemers van De Stijlestafette om een variatie à la Queneau op onze oertekst te schrijven. Zeg? Hm. Lukt het? Hm. Nou? Hm. Misschien kun je beter – Au! Godstyfus! Gaat-ie? Nee, goddomme. Fuck, m’n duim. Kijk die snee man! Laat mij dan – Jezus, ’t bloedt als een rund! Hier, […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper