Proza

Akoestiek

Door Giuseppe Minervini | beeld: sjoerd van leeuwen
14 december 2017

La Strega hoort hem door het raam: driemaal laat hij de bronzen hendel uit de leeuwenbek op de deur vallen. De weduwnaar kamt zijn hagelwitte haar naar achteren, zet zijn hoed weer op, recht de revers van zijn blauwe colbert en drukt met twee vingers zijn roze zakdoek netjes in zijn vestzakje. ‘Ciao!’ roept ze en hij kijkt naar boven. La Strega, voor sommigen Siena’s edele courtisane, voor andere simpelweg Siena’s hoer. Ze is geen rimpel verouderd.
‘Wacht je daar even, lieverd?’ Ze wijst naar het overvolle terras aan de overkant. Raadt hem de tonijnsalade aan. In de hoop dat La Strega de vleugels op zijn enkels niet opnieuw zal kortknippen, hijst Bartolomeo zijn cello op zijn linkerschouder en steekt hij onder de bolle, gele wolk Piazza Del Campo over.
Op het terras merkt hij dat de commedia dellarte onbewust nog wordt opgevoerd. Het plein zwermt van figuren als Il Dottore. Zoals daar meer zwijn dan vent, hemd strak rond hangbuik, de mond onder het masker vol saus- en wijnvlekken, spreekt het aantal graden Celsius uit wanneer hij het LED-scherm van een apotheek voorbij wandelt, mekkert om zijn gelijk en op z’n Italiaans plukt hij lucht.
Hij gluurt naar haar appartement en merkt zo niet dat hij een briefje van vijftig in het zilveren schaaltje met de rekening schuift. Hij ziet hoe ze naakt voorbij het open raam danst. Even blijft ze voor het wapperende gordijn staan; zet dan een stap vooruit. De tegenwind sluit het gordijn rond haar peervormige taille; het stof verschuilt zich verlegen tussen haar dijen. Ze streelt het satijn met platte hand, zwaait ze? Hij staat op.

Haar appartement is niet veranderd. Het bed staat klaar op een verhoog, als een podium, de lakens aan het uiteinde als een geopend blikje sardienen, de hoofd- en sierkussens ernaast over het parket verspreid. Links van het bed de keuken en kleine woonkamer gevuld met schildersezel, platenkast- en speler en een gedekte wasmachine die dienstdoet als keukentafel. Hij herkent de gulden snede in de mandala die ze op de muur schilderde; misschien, bedenkt hij, de plattegrond van de stad. Ooievaars vliegen boven Siena en zien namelijk de doorsnede van een slakkenhuis, met in het midden van die spiraal Piazza del Campo. Waar La Strega woont met haar betoverd bed.

Ti piace?’ vraagt ze. Ze verschijnt uit de badkamer, gehuld in niets meer dan een Venetiaans masker met purperen glitter versierd, zuurstokroze lippenstift en een kruisje om haar hals. Haar kroezelig haar opgestoken naar het model van een ananas. Hij blijft bevroren staan, vouwt zijn verminkte oren, die wel gefrituurd lijken, onder zijn witte hoed en aanschouwt hoe de ruimte en het licht in de kamer zich naar haar lijken te buigen nu ze op hem afstapt. Ze ontwijkt hem en grist een plaat met een circusgezelschap op de hoes uit de kast. Hij beseft dat hij haar nog geen woord heeft gezegd, vraagt zich af of zij wel weet wie hij is, waarom hij zijn cello meenam. Ze neemt zijn hoed af en gooit die door de kamer, plaatst zijn cello tegen de deur en kust hem. Hij besnuffelt haar voorzichtig cayennepeper en tracht door zijn linnen hemd het korset van zijn buik los te trekken.
People Are Strange klinkt door de kamer. Ze grijpt zijn hand en legt die op haar warme mond. Hij, hijgend en verdoofd, nog steeds geen woord geuit, een koord boven een aansteker, ruikt de schaal potpourri en ziet zijn trouwring ernaast glimmen. Zij zoekt zijn aandacht, beveelt dat hij klaarkomt, slaat een kruis en stapt van hem af. Ze haast zich naar de kast en haalt er een fles wijn met glazen uit. Ze zet de glazen op het bed, zodat ze de handen vrij heeft om de kurkentrekker door de fles te schroeven. De kurk laat ze nog in de fles, ze overhandigt hem een glas, zet het hare zorgvuldig op een servet op het nachtkastje, gaat voor het bed staan en controleert met haar vuisten op haar heupen of alles klaar staat om de wijn in te schenken. Waarom in die verstoorde volgorde? Hij vreest dat ze dit ritueel voor iedereen uitvoert voor ze hen dronken aan de stad offert.

Als tegenoffensief pakt hij zijn cello uit, wil haar vragen mee te zingen, maar luid klinken ineens de eerste noten van Clair De Lune vanaf het plein. Hij schrikt op, zij morst geen druppel. Ze geeft hem het volle glas wijn en dooft de platenspeler. Hij stapt naar het raam. Tegenover Palazzo Pubblico zoekt een groep toeristen tevergeefs naar de bron van het geluid, ze halen hun schouders op en verdwijnen weer achter hun zwarte lens of smartphone waarmee ze de wrattige torens van het stadhuis fotograferen. Door de muziek bewegen ze zich in andere formaties voort; in een choreografie die niemand zou ontroeren bij enkel het klakken van voetstappen en het geratel van fietsspaken. Ook La Strega leunt uit het raam, dirigeert met het topje van haar wijsvinger hoe de toeristen zich verspreiden, haar hoofd breekt het zonlicht dat door de bolle wolk priemt en in zijn ogen valt.

‘Siënezen divergeren, ontmoeten elkaar toevallig en houden het dan gezellig met een glaasje wijn. Toeristen eigenlijk haat ik ze hoor klitten samen en worden pas uit elkaar getrokken wanneer je er een paar monumenten tussen zet. Daarna vergroeien ze weer organisch met de eerstvolgende gesloten paraplu of selfiestick in de lucht. Belachelijk, toch? Je moet je in Siena door Siena laten leiden. Volgens die spreuk is Siena trouwens gebouwd: je ondergaat Siena, en dat heb je met geen enkel stad ter wereld.’

Hij begrijpt het; wat de muziek is voor de toeristen is La Strega voor hem. Betekent dit dat er hier nog een toekomst voor hem klaarligt, met La Strega, of als toerist in Siena?  Misschien probeert de muziek hem te waarschuwen, is Requiem van Mozart, dat nu op onverklaarbare wijze door de Middeleeuwse stad waait, een teken van onheil.
’Ik weet nog steeds niet,’ begint La Strega, ‘of de stad bezeten is, werkelijk goddelijk is, of er zich ergens een symfonisch orkest in de riolen verbergt. Hoor je Mozarts laatste zucht nu?’ Ze knijpt haar ogen dicht, dirigeert weer met haar wijsvinger als een verpleegster met een naald en zingt: ‘Dont call me Marmalade, call me Sisi. Noem me niet confituur, noem me Sisi. Ja, dat lijkt het koor te zingen ergens middenin het Requiem. Grappig, vind je niet?’
Haar zingende stem vervolgt: ‘… maar het lijkt me sterk dat er op deze wereld een orkest bestaat dat een stad als klankkast kan gebruiken en tegelijkertijd zo’n variatie kan aanhouden. Dan geloof ik liever in magie.’

‘Hoe heet je echt,’ is het eerste wat hij haar vraagt, en hij houdt zijn vingers gekruist in de punt van zijn broekzak.  
‘Renata. Vind je dat mooi? Ik niet.’ Haar rechterarm bedekt haar borsten en met haar linkerhand cirkelt ze de wijn in het glas.
‘Ik wel,’ glimlacht hij, ‘zullen we vanavond iets gaan eten? Ik trakteer. Dan kan je me alles vertellen over Siena.’
‘Armando, dat is veel te makkelijk.’ Ze lacht luidop. ‘Ook Siënezen zijn opgevoed met de fantasie als grootste deugd, weet je? Ze hebben erg veel gevoel voor kleur, geluid en weet ik veel. Maar ze zijn dood onder de heupen, als je begrijpt wat ik bedoel. Van hen moet ik mijn brood niet kopen, als je me begrijpt. Het is hoogseizoen, nu, ik heb werk te doen. Zoals je ziet,’ ze wijst naar de wasmachine, ‘verwacht ik vanavond nog iemand. Laten we elkaar morgen terugzien. Zelfde tijd. Hierbeneden op het plein, goed?’

Siënezen leunen uit het raam, zijn niet verwonderd, zoeken verfrissing, roken een sigaret, drinken wijn of melk en luisteren naar het verborgen symfonisch orkest dat de architectuur van de stad als klankkast gebruikt.

De muziek waait nog steeds door de versteende notenbalken van Siena. Bartolomeo blijft met zijn cello in de hand het stratenraster volgen. Armando. Ze verwart hem met iemand anders. Wie zegt dat dit geen leugen is, of nog iets ergers, de illusie van andere illusies, een terugwaartse keten, terugvoerend naar de eerste dag dat hij zichzelf in de spiegel herkende? Hij hinkt, richt af en toe zijn gezicht naar de hemel en probeert te bedenken wat wel en niet echt gebeurde: had hij, jaren geleden, zijn cello bespeeld in haar appartement, de staartpen op de vloer gedrukt als een naald op een gigantische vinylplaat en de melodie door de stad laten waaien? Misschien was die herinnering slechts een gevolg van zijn verbeelding die hem kwelde en hem altijd iets beloofde wat niet bestond. Hij maakt geen schijn van kans bij haar. Het is absurd, beseft hij, hij is stokoud. Door een sleutelgat had hij naar zijn toekomst gekeken, in de hoop dat de kamer die hij zag zou transformeren zodra hij de deur opende. En nu, alsof de stad hem zou verzwelgen zoals een kwal een haring verzwelgt, weet hij dat hij in de stad zal verdwijnen als de cellist die na de dood van zijn vrouw dolverliefd werd op La Strega, die de mannen beheerst. Nu stuift er een nocturne op. Ramen klappen open. Siënezen leunen uit het raam, zijn niet verwonderd, zoeken verfrissing, roken een sigaret, drinken wijn of melk en luisteren naar het verborgen symfonisch orkest dat de architectuur van de stad als klankkast gebruikt.
Het is zonde, vindt hij, dat de ochtend, middag en avond van een Siënese nacht in geen enkele taal een aparte naam kregen. Hij gaat zitten op een van de lage muren op Piazza del Campo, pakt zijn cello en speelt mee. In zijn trance verliezen de woorden van het koor hun betekenis. Hij kijkt op naar haar appartement, het brandpunt van de ellips; een man klopt aan met de hendel uit de leeuwenbek. De man draagt een witte hoed, een blauwe colbert met een roze zakdoek in de vestzak. La Strega, een formatie zware lucht achter het satijn, ontvangt hem door haar arm uit te strekken. Alsof iemand aan een lens draait, ziet Bartolomeo hun schaduwen en het licht uit haar appartement vervloeien tot een wazige vlek. La Strega en ik, droomt hij, spelen samen in hetzelfde akkoord. En hij speelt verder.

De dag erna is de muziek verdwenen. Renata zont op het plein. Hij vraagt zich af of La Strega überhaupt veroudert, weet dat ze niet oud wil worden; hoogstens wordt ze door de tijd omvat, en uiteindelijk zal met haar vergeten zoals de muziek in je hoofd wegebt na een concert.
‘Was dat Armando, gisterenavond?’
‘Wat bedoel je?’ vraagt ze fronsend.
‘De oude man, gisterenavond in je appartement, was dat Armando?’
‘Gisteren was er niemand, ouwe jongen. Hé,’ ze legt haar jonge hand op het zijne, een kreeftenpoot, ‘gaat het een beetje met je?’
Hij zucht, schuift dichter tegen haar aan, laat haar zijn cello vasthouden en tast in zijn broekzak naar zijn portefeuille. Hij merkt op dat ze op de plaats zit waar hij vannacht met de stad op zijn cello meespeelde, waar hij haar en Armando zag samenvloeien op het satijnen gordijn. Hij ademt diep in, blaast uit: ‘Wat wil je doen? Later?’
‘Wat ik altijd al doe, Armando.’
‘Bartolomeo,’ verbetert hij haar.
‘Bartolomeo?’ vraagt ze. ‘Bartolomeo. Excuses,’ ze glimlacht fijntjes, haar mondhoeken vormen komma’s, ‘wat ga jij doen? Of… hoe lang blijf je in de stad?’
‘Dat weet ik nog niet,’ antwoordt hij. ‘Weet je, je lijkt erg op mijn vrouw. Toen ze jong was.’
‘Wat lief.’ Ze richt zich met haar gezicht naar de zon. De bolle wolk slorpt het zonlicht op en opnieuw weerklinkt de muziek. Hij schuift zijn hand onder haar jonge vingers, die zweten en warm aanvoelen. Ze neemt hem mee naar haar appartement.

Over de auteur

Giuseppe Minervini (1994, Roeselare), studeerde filosofie en Westerse literatuur aan de KULeuven, publiceerde eerder proza en poëzie in literaire tijdschriften en op platforms zoals Extaze, DW B, Gierik & NVT, De Titaan, Passionate Platform en Hard//Hoofd en won de Leuvense voorronde van Write Now! 2017. Giuseppe nam deel aan het talententraject van Tilt en ging met het Vlaams-Nederlands huis deBuren op schrijfresidentie naar Parijs. Momenteel werkt hij aan zijn debuutroman; het eerste luik van een trilogie over waanzin.

Over de illustrator

Sjoerd van Leeuwen (25) studeerde aan de HKU en werkt inmiddels als conceptueel illustrator. Werk van hem verscheen onder meer bij artikelen in Het Parool. Sinds kort zit Sjoerd in de beeldredactie van De Optimist.

Lees meer uit de categorie Proza

Vuurdoop

Door Mathilde Drooger

Het is de derde dag en een harde dreun vlak naast me doet me opkijken van het kauwgomkrabben. Will ligt op de grond van de gymzaal. Zijn ogen zijn dicht, tussen zijn vingers smeult zijn sigaret. Net was hij nog druk bezig met de boenmachine. ‘Will, wakker worden!’ roep ik, maar hij geeft me geen […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper