Proza

De Nieuwe Lichting: Lieve De Bondt

Door Lieve De Bondt | beeld: Natasja Mortier
30 december 2017

De Optimist vroeg de nieuwe lichting afgestudeerden van schrijfopleidingen in Nederland en Vlaanderen om hun eindwerk in te sturen. In DE NIEUWE LICHTING presenteren wij fragmenten uit dat werk en stellen wij de schrijvers van de toekomst voor. We sluiten de reeks af met Lieve De Bondt. Lieve is vertaalster, en rondde haar opleiding aan de SchrijversAcademie in Antwerpen af met de roman De zottin van Kagebeek.  

Hoe ben je tot je afstudeerwerk gekomen?
De inspiratie voor mijn afstudeerwerk kwam er door een combinatie van twee factoren. Een van mijn medestudenten suggereerde in de beginfase, toen ik eigenlijk nog niet echt een verhaal had om te vertellen, om van mijn hoofdpersonage een neurotische vrouw te maken. Net die dag vielen thuis de oneerbiedige woorden ‘Kijk, daar is de zottin!’ Voor de rest komt de inspiratie eigenlijk vooral terwijl ik aan het schrijven ben. Het verhaal neemt mij mee, eerder dan omgekeerd. Wat maakt dat ik niet altijd precies weet waar ik zal uitkomen.

Wat zijn de thema’s in je werk, waar schrijf je het liefst over?
Om het over de thema’s in mijn werk te hebben, zou ik al wat ‘werk’ moeten hebben. Dat is er eigenlijk niet. Niet echt. Ik heb altijd ‘geschreven’ maar het is de eerste keer dat ik me aan een roman waag. Tot nu toe bleef het bij gedachtenkronkels, invallen, nooit verzonden brieven aan vriendinnen, schooldirecties, politici of ‘de medemens’ in het algemeen. Vlammende pamfletten soms. Vooral om ergernissen van me af te schrijven, troost proberen te bieden, inzicht proberen te krijgen. Zo van die dingen waarmee nogal wat bloggers hun blogs vullen. Alleen hou ik het binnenskamers. Eigenlijk ben ik elke dag weer verbaasd over de mens als soort, vaak op een gunstige manier maar veel vaker niet. De domheid van onze soort blijft me verbijsteren. En dan heb ik het niet over IQ. Ik heb het dan ook over mezelf. Verder heb ik geen stokpaardjes. Het is het schrijfproces op zich dat me genoegen verschaft. Ik vind de stijl doorgaans minstens zo belangrijk als de boodschap.

Wat is het belangrijkste dat je op je opleiding hebt geleerd?
Het belangrijkste wat ik heb geleerd is dat je niet moet wachten met schrijven tot de inspiratie komt, maar dat je er voor moet gaan zitten. En dat wat aanleg wellicht meegenomen is, maar dat je gewoon ook al doende leert. Ik leerde ook wel ‘trucjes’ om toch wat structuur te krijgen in de resultaten van mijn buikgevoelschrijven.
De allergrootste toegevoegde waarde van de opleiding voor mij, was te mogen verkeren in een bijzonder aangenaam en prikkelend gezelschap van gelijkgestemden, ‘The Antwerp Seven’ die collega-SchrijfAcademiër Rita Martynowski al vermeldde. En dat ik niet te veel schroom moet hebben om ervoor uit te komen dat ik gewoon graag schrijf.

Wat is je ambitie?
Mijn voornaamste ambitie is vooral blijven schrijven. En in de allereerste plaats proberen die roman rond te krijgen, wat in mijn hectische leven geen sinecure wordt. Maar ik neem de tijd. Het zou fijn zijn als ik hem in de vorm krijg die ik voor ogen heb, waarbij mijn manier van werken (‘we zien wel waar het uitkomt’) wel eens een hindernis vormt. Een uitgever vinden, zou een fijne erkenning zijn. Maar ik staar me er niet blind op. Het scheppingsproces staat voorlopig voorop.

Optimistmeter!
Ik ben absoluut een optimist. En een tikkeltje escapist, soms. Ik heb ook wel het geluk dat ik nog niet erg veel pech heb gehad in mijn leven. Een mens zou voor minder blijgezind door het leven huppelen, niet?

De zottin van Kagebeek – fragment

Louis Vekemans had geen betere plek kunnen vinden dan dit afgelegen dorpje om zichzelf verder uit te gommen. In 1967 was verdwijnen nog kinderspel.

De dag waarop hij zijn ouderlijke huis halsoverkop had verlaten, lag een krant in het stationsbuffet, waar hij was gaan zitten om na te denken, open op de advertentiepagina. Piepklein stond het er: ‘De gemeente Kagebeek zoekt een gemeenteontvanger (m/v). Ernstige kandidaten gelieve zich te melden contact blad nr. 78951551.’ Hij had nog nooit over Kagebeek gehoord. Het kostte hem een volledige dag om er per trein, bus en op eigen kracht te geraken. Hij nam zijn intrek in de Villa Verstraeten op Het Plein. Het verkommerde pand had hij bij de job cadeau gekregen.
Louis timmerde zijn nieuwe thuis steeds verder weg van het verval en werd als keurig gemeenteambtenaar een gerespecteerd inwoner. Nu ja. Gedoogd was een beter woord. Het was meer dan hij ooit had gehad en niet minder dan hij verlangde.

Louis ging verbazend snel op in het decor. Iedereen wist wie hij was, maar niemand kende hem. Hij had besloten om de klus die het leven was, alleen te klaren.
Toen hij na tien jaar elke hoek en spleet in het huis had opgeknapt, stortte hij zich maniakaal op zijn moestuin. Toen de eerste aardappeloogst zo goed lukte, voelde hij zich gesterkt om ook sla, wortelen en prei te zaaien. Vervolgens ui, selder, radijs, spinazie. Hij plantte vijf appelbomen, een pruimenboom en een kerselaar, frambozen en aardbeiplanten. Zijn oogsten waren zo overvloedig dat hij ook fruit- en groenteboer werd. Elke zaterdag stalde hij zijn kraam uit op Het Plein, voor zijn deur, tussen de kipmobiel en het bloemenkraam.

Louis was een niet ontevreden man.  De boekhouding van de gemeente cultiveerde hij even vakkundig en toegewijd als de zaden en scheuten die hij aan de aarde toevertrouwde.
Tijdens de winteravonden, als de tuin in een gedwongen slaap werd gehouden om energie te verzamelen voor toekomstig rendement, pookte hij in zijn kachel en verdween hij in een van de vele boeken die hij doorheen de jaren had verzameld. Wanneer de klok op de kerktoren tien keer had geslagen, sloeg hij zijn boek dicht – ook al zat hij in het midden van een zin – en zette het zorgvuldig in het enige lege vak van de boekenkast. Hij nam zijn theekopje van de zelf vervaardigde salontafel en wandelde naar de kleine gerieflijke keuken om het om te spoelen en te laten uitlekken op het aanrecht dat ononderbroken glom van netheid.

Louis was een man die, nadat de eerste vlagen van nieuwsgierigheid en de (luttele) vruchteloze pogingen tot toenadering waren gaan liggen, door iedereen met rust werd gelaten.
Het was het leven waarvan hij hoopte dat het zonder pieken of dalen zou verder kabbelen tot zijn tijd gekomen was. Hij was al erg dicht bij de vergetelheid. Doodgaan zou daar amper iets aan toevoegen. Hij zat er niet op te wachten, maar het schrikte hem ook niet af.
En die hoop bleef bijna twintig jaar lang onaangeroerd. Tot die namiddag in 1986 dus. De dag waarop hij vernam dat zijn zus het loodje had gelegd en hij oom van een wees was.
De dag waarop hij Marie-Paule voor het eerst meebracht naar Kagebeek, was de dag waarop de dorpsbewoners hem voor het eerst echt in de gaten kregen.

“En doe mij maar eens een Orloff-gebraadje. Met kroketten,” gooide Louis er laconiek achteraan. “En een half litertje water. Plat.”

Niemand keek nog op wanneer Louis op zondagmiddag De Viking binnenwandelde.
Op de laatste weekdag, waarop alleen de kok, de plongeur en Amelia zich afbeulden, hoorde hij bij het derde tafeltje rechts als de frisse aardgeur bij een vers gevallen regenbui.
Maar die zondagmiddag draaiden alle hoofden in zijn richting terwijl hij galant de deur openhield voor een jongedame die met haar fabelachtige verschijning meteen de hele ruimte innam. Het gesmak, gepalaver en gekras van bestek op borden stopten terstond. Zelfs gastvrouw Amelia wachtte om het hete vispannetje voor mevrouw Coppens neer te zetten. Pas toen een vervloekt ‘au’ opklonk en ze het ovenschoteltje luid op het bord kwakte, herpakte iedereen zich, in de mate van het mogelijke. Maar hoe hard ze ook probeerden, de blikken van de middaggasten werden steeds weer naar Louis’ tafeltje gezogen. Daar had hij ondertussen plaatsgenomen tegenover zijn nichtje, die op haar beurt meteen in beslag genomen werd door het grote kleurrijke schilderij waarop mannen met lange baarden en gehoornde helmen in een geïmproviseerd tentenkamp verzameld zitten rond een vuur waarboven een varken hangt te garen.
Louis, zich wel bewust van het gestaar, verstopte zich blozend achter de grote menukaart die veel minder inhoud bevatte dan de omvang ervan deed vermoeden. Pas toen het geroezemoes hernam, schoof hij de grote neplederen map naar zijn tafelgenote. Ze wees de tweede lijn op de derde pagina aan, net toen Amelia bij hun tafeltje verscheen.
“Lasagne voor … de juffrouw?” stamelde ze.
“En doe mij maar eens een Orloff-gebraadje. Met kroketten,” gooide Louis er laconiek achteraan. “En een half litertje water. Plat.”
Voor De Viking was het een gouden zondag. Nog nooit was er zoveel dessert en koffie toe besteld.
De weken nadien kwam Louis opnieuw in het gezelschap van het meisje naar het restaurant.
Al na haar eerste verschijning regende het reserveringen in de enige eetgelegenheid van Kagebeek. Ondertussen werd er duchtig gevist naar de oorsprong van deze engel.

“Wie is dat meisje eigenlijk, Louis?”
Juliana had het terloops gemompeld terwijl ze de rituele voormiddagkoffie op zijn bureau kwam zetten. Misschien hoopte ze dat haar woorden verdampt zouden zijn nog voor ze de medewerker van haar man konden bereiken. Deze man over wie ze na al die jaren maar niet kon besluiten of ze hem nu intrigerend, intimiderend of gewoon doodsaai vond.
Juliana stak normaal nooit haar neus in zaken die haar niet aanbelangden. Een eigenschap die doorgaans erg werd gewaardeerd en die maakte dat velen met een gerust gemoed hun geheimen aan haar toevertrouwden. Het was ook precies haar pertinente gebrek aan nieuwsgierigheid dat Louis bijna twintig jaar voordien over de streep had getrokken om de job en het huis te omarmen en hier een nieuw leven te beginnen.
Omdat de geruchtenmolen in het dorp niet ophield met draaien en de speculaties almaar onwaarschijnlijker en mogelijk zelfs schadelijk werden voor Louis, had ze die ochtend na een rusteloze nacht toch maar de stoute schoenen aangetrokken. Het waren weliswaar eerder geruisloze slofjes, in haar ogen had ze zonet een wapenfeit toegevoegd aan haar bescheiden palmares.
Directe aanleiding voor haar vrijpostigheid, zoals zij dat zag, waren de gesprekken waarvan ze de dag voordien getuige was toen ze in de rij stond voor de zondagse koffiekoeken. Toogpraat op zondagochtend. Het was niet ongebruikelijk maar de toon ervan had haar verontrust.
“Welk meisje?” vroeg Louis, die net geconcentreerd de offerte van Bomans, al jaar en dag de ‘hofschrijnwerker’, zat te vergelijken met nog drie andere die hij had aangevraagd. Hij vond al lang dat Bomans veel te duur was en dat ze maar eens een ander prijs moesten vragen. Het had heel wat voeten in de aarde gehad maar hij had zijn baas uiteindelijk toch zo ver gekregen. Ze moesten immers ergens op besparen en de banken en stoelen in het derde leerjaar waren hoogdringend aan vervanging toe. Dat Petertje van Mathilde zijn staartbeen had gebroken toen hij door zijn stoel zakte, was de druppel. Dat het een dikke druppel was – de jongen was extreem zwaarlijvig – werd in deze even genegeerd.
“Het meisje dat u meebrengt naar De Viking.”
Zonder op te kijken van de stapels papier die hij had opengelegd op de vergadertafel, zei Louis: “Dat is mijn nicht. De dochter van mijn overleden zus.”
“Ach. Dat spijt me. Dat uw zus overleden is, bedoel ik. Hoe oud is ze? Haar dochter bedoel ik?”
“Zeventien.”
“En woont ze in de buurt?
Juliana was op dreef, regelrecht tegen haar geaardheid in. En dat besefte ze toen Louis plots opkeek van de offertes, de rekenmachine neerlegde en haar frank aankeek.
“Louis excuseer me. Het zijn helemaal mijn zaken niet. Ik laat u maar.”
Verlegen wendde ze haar blik af, draaide zich om en wandelde het vertrek uit.

Juliana had verwacht dat de storm wel zou gaan liggen nadat ze ’s anderendaags, terwijl ze kleingeld zocht voor haar klein grof gesneden, onverschillig aan de bakkerin had gemeld dat het meisje bij Louis Vekemans, gewoon zijn nichtje was.
Maanden later, toen het geroddel inderdaad verstomd was, informeerde Juliana nog eens naar haar.
“Hoe gaat het nu met uw nicht, Louis?”
In plaats van, zoals Juliana verwacht had, een kort en weinigzeggend antwoord te geven, legde Louis datgene waarmee hij bezig was meteen aan de kant.
“Ze willen haar daar weg. Plaatstekort.” De zucht dikte de bezorgdheid in zijn anders onverschillige ogen nog meer aan.
“Waar weg?”
“In het Centrum, een soort weeshuis. Daar woont ze. Maar zodra ze achttien zijn, moeten ze daar weg. Zo ver is het nog niet, maar ze wachten natuurlijk niet op die verjaardag om een oplossing te zoeken. Alleen wonen kan ze niet, maar om haar nu de rest van haar leven op te sluiten bij gehandicapten?”
“Kan ze niet bij u komen wonen?”
Juliana had ondertussen tegenover Louis plaatsgenomen en probeerde in zijn houding en blik te ontdekken of dat een overweging was die hij misschien zelf ook al had gemaakt.

Net voor de zomer had Louis dan toch de kamer aan de straatkant leeggemaakt.
Daarna was hij naar de doe-het-zelfzaak in de stad gereden voor primer en een pot opaalblauwe verf. In de aangrenzende interieurzaak bestelde hij een eenvoudig eenpersoonsbed in esdoorn met bijpassend nachtkastje en een okerkleurig, laagpolig vloerkleed om het lelijke linoleum op het kamertje wat te verdoezelen.
Hij richtte de kamer verder in met de witte kleerkast die ongebruikt in de garage stond te wachten op een bestemming. Tegen het venster zette hij een afgedankte lessenaar die al jaren stof stond te vergaren in het gemeentelijke magazijn en die hij met instemming van de burgemeester had meegenomen. Daarbij had hij een van de ongebruikte stoelen die bij zijn keukentafel hoorden gezet. Aan de muur boven het bed nagelde hij een schilderij van een kasteelruïne in een veld vol klaprozen. Hij had het ooit gekocht op de rommelmarkt op Het Plein waarvan de opbrengst bedoeld was voor een schooltje in een ver ontwikkelingsland. Hij had er nooit iets mee gedaan, zelfs niet weggegooid.
Toen alles klaar was en hij oordeelde dat het goed was, stapte hij in zijn auto. Helemaal klaar om zijn nichtje op te halen uit het Centrum voor Kindzorg. Ze zou een maand blijven. Voorlopig.

Op de terugweg was hij met haar gestopt in een speelgoedzaak om haar wat gezelschapspellen te laten kiezen. Ze kwamen buiten met vier-op-een-rij, monopoly, een kaartspel, kleurpotloden. En een pop. Een prachtexemplaar. Al vond hij het een vreemd zicht, ze had Louis zo smekend aangekeken dat hij niet kon weigeren…
Nadat hij haar had rondgeleid door zijn huis, haalde ze haar pop uit de verpakking en verdween ermee naar het kamertje dat nog rook naar de verf.
Hij ontsnapte naar zijn tuin en probeerde al wiedend onder de vele vragen, twijfels en ongevraagde herinneringen uit te komen die hem nu al maanden teisterden. “Herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil,” las hij eens. Dit beest had hij wat graag ver van huis aan een stevige boom vastgeketend. Zonder eten of drinken.
Terwijl hij zijn appelbomen uitdunde en wat doelloos schoffelde op de paadjes tussen de zaaibedden waar de aardbeien met de dag roder en groter werden, vroeg hij zich af wat er in haar hoofd speelde. Ze bezigde geen woorden (meer) om zich uit te drukken, maar zou ze er nog gebruik van maken om gedachten vorm te geven? En zo niet van woorden, van wat dan wel? Hoe zouden pijn, stank, kleur, geluid, gemis voelen als ze het niet kon benoemen? Hoe kijkt een blind geboren mens naar de wereld?|
Maar ook: hoe ging hij de dagen vullen van dit meisje met wie hij alleen nog maar gezelschapsspelletjes had gespeeld. En zwijgend had gegeten?

Verbazend snel wortelde ze in zijn aarde alsof ze nooit ergens anders was geweest.  ’s Ochtends als hij opstond, stond ze nauwelijks enkele minuten later in de keuken en dekte ze de tafel terwijl hij koffie zette en de kat binnenliet. Tijdens het ontbijt vertelde hij haar over zijn plannen voor de dag. Ze volgde hem naar de tuin, naar de bakker, naar de supermarkt. Ze hielp hem met schoonmaken, koken, opruimen, afwassen. Op zaterdag vatte ze mee post achter zijn groentekraam en de Kagebekenaren kwamen veel talrijker dan gewoonlijk. ’s Avonds nadat elk karweitje was opgeknapt en elke vlek en kruimel van het avondmaal waren verwijderd, speelden ze aan de keukentafel kaart of een ander spel. En zodra ze uitgespeeld waren, namen ze tegenover elkaar plaats in de salon, hij in de rode fauteuil en zij op de geruite tweezitsbank. Hij met een boek, zij met haar pop waarmee ze hele, stilzwijgende, gesprekken leek te voeren. Soms keek hij op van zijn boek en vertelde dan over dingen die hij had meegemaakt. Dingen die hij mooi of lelijk vond. Dingen die hem verontrustten. Als hij een mooie zin,  een diepzinnige gedachte of een grappige passage tegenkwam, dan las hij die aan haar voor. Dan lachte ze en vermoedde hij dat ze al het andere ook had begrepen. Zodra de kerkklok tien keer had geslagen, zei hij ‘Slaapwel’, stonden ze simultaan op en verdween zij naar haar kamer terwijl hij de kat buitenzette, de deuren vergrendelde en de lichten doofde.

In de derde week liet hij haar voor het eerst alleen. Eerst even, terwijl hij naar de bakker aan de overkant van het Plein liep. Dan een uur, enkele uren, een halve dag en uiteindelijk een hele dag. Om te zien of ze zich zou redden, alleen, als hij weer aan het werk moest.
Alles verliep zo spontaan en zonder problemen dat Louis aan het eind van de maand na overleg met zijn nichtje, of iets wat daarvoor moest doorgaan, het Centrum opbelde om te zeggen dat hij haar heel graag in huis wilde opnemen.
Er kwamen heel wat bezoeken van maatschappelijk werksters, een stapel formaliteiten en de uitspraak van een jeugdrechter aan te pas maar eind september, op haar achttiende verjaardag, was het zo ver. Voortaan zou ze officieel een inwoner van Kagebeek zijn. Een heuglijk feit dat ze met Juliana en haar man burgemeester Jef Sonneveld bescheiden vierden in de kleine gelagzaal van het gemeentehuis, waar Sonneveld plechtig de nieuwe identiteitskaart aan het meisje overhandigde.

Louis’ nichtje bracht een heel verleden mee naar haar nieuwe thuis. Het was ingepakt in dozen en dozen en nog eens dozen. De verhuizers hadden de opdracht gekregen ze in de grote berging achter de garage op te stapelen. Toen tenslotte de laatste brok van haar jeugd daar was neergezet, had Louis de deur gesloten. De sleutel bewaarde hij veilig in de lade van zijn bureau. Je houdt immers ook geen lucifer bij een lekkende gasfles.

Over de auteur

Lieve De Bondt (1970) is naast moeder van twee zonen en twee dochters ook vertaalster met een schrijvershobby die uit de hand begint te lopen. 'De zottin van Kagebeek' is haar eerste roman en haar afstudeerproject voor de Schrijversacademie in Antwerpen.

Over de illustrator

Natasja Mortier (1986) studeerde geneeskunde en tekende mannetjes tijdens alle hoorcolleges. Ze heeft een haat-liefdeverhouding met medisch jargon, spookverhalen en ambigue lichaamstaal. Ze woont, werkt en weifelt in Gent. www.natasjamortier.be

Lees meer uit de categorie Proza

Coming out

Door Vincent Bakkum

Deze week vertelt schrijver (en illustrator!) Vincent Bakkum over zijn coming out. De stewardess sluit de bagageruimte boven mijn hoofd. Ik voel me als een jongen in de schoolbank op het moment dat de juffrouw over zijn schouder meekijkt. Ze heeft mooie benen en ruikt lekker fris. Als een hond speur ik haar bouquet af naar een […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper