Proza

Natte grond

Door Sonja Buljevac | beeld: Margreet de Jong
10 december 2017

De ruitenwissers schuiven over de voorruit. Als ik de weg die we rijden niet had gekend, had ik de auto aan de kant gezet en gewacht tot het opklaarde. Nu rijd ik door. Over een half uur heeft mijn vader een afspraak in het UMC. De arts en mijn zus rekenen erop dat ik hem op tijd afzet op een blauw plastic stoeltje in de wachtkamer. Mijn vader herinnert zich de afspraak niet.              
Het weiland langs de A2 is vlak en leeg, op een rij druipende bomen na. Hun takken spreiden zich uit langs de grauwe lucht, gemorste druppels inkt die in de nerven van het papier zijn getrokken en hun weg terug niet meer kunnen vinden. Ik zet de verwarming hoger.
‘Heb je het koud, pa?’
Hij zegt niks terug.
‘Wat een weer, hè?’
Nu mompelt hij iets, maar ik versta het niet. Vage flarden Marokkaans vallen uit zijn mond en blijven liggen in de wollen sjaal om zijn nek.           
‘Hopelijk heeft de dokter vandaag goed nieuws,’ zeg ik.
De dokter heeft geen goed nieuws. De afgelopen twee jaar heeft de dokter nooit goed nieuws gehad en vandaag zal het niet anders zijn. Mijn zus vindt dat we papa naar een verzorgingstehuis moeten sturen, ergens waar hij gewassen en gevoerd wordt. ‘Dat zou jou ook een stukje rust geven, Nasira. Dan kun je je eigen leven weer gaan leiden.’ Dat roept ze al maandenlang en al maandenlang weiger ik, zeg ik dat ik het onder controle heb. Zoals hij nu naast me zit, bleek en in elkaar gedoken, weet ik dat ik na vanmiddag zal moeten toegeven.
De lucht is zo grijs dat ze versmelt met het asfalt van de snelweg. De blauwe verkeersborden lijken erboven te zweven, de ondersteunende palen verdwijnend in de regen. Ik voeg in bij de afslag UMC Utrecht. Naast me kucht papa. Het is slechts een pufje lucht, uitgeblazen door iemand die de moeite niet meer neemt om echt te hoesten. 
Ik probeer me hem voor te stellen in een tehuis. Een beige gebouw met een beveiligde verdieping en een lift waar een code voor nodig is. Een eetzaal waar aan de muur kaarten hangen met de datum en de dag van de week erop, de letters groot en dikgedrukt. Ik zie hem zitten in de vale fauteuil in een hoekje van de gezelschapsruimte, waar op vrijdagavond advocaat wordt geserveerd en ze een cd draaien met Nederlandse liedjes uit de jaren vijftig. Mijn vader die ze als enige niet mee kan zingen, zijn glaasje advocaat onaangeroerd laat staan.
Een vliegtuig vliegt over, raast in een rechte lijn de dikke wolken voor ons in: de passagiers al weer kilometers verder, uit mijn zicht, weg van de Hollandse regen. Ik ruk aan het stuur en de auto schiet een baan naar links. Pa schrikt en verstijft door het getoeter. Mijn hart dendert, maar ik rij door.

Ik blijf twijfelen over mijn beslissing tot we ons even ver van Schiphol bevinden als van het ziekenhuis. Omkeren zou nu net zo dom zijn als doorgaan, en doorgaan is makkelijker. Mijn vader is bijgekomen van de schrik en heeft zijn handen gevouwen op zijn schoot. Alleen zijn vluchtige ademhaling verraadt dat hij niet slaapt.
We zijn al lang niet meer op reis geweest, hij en ik. Raisa wel, ze gaat nog elk jaar om de familie van haar man op te zoeken en hun kinderen te laten verwennen met snoep en speelgoed. Toen we jonger waren gingen we elke zomer, met zijn vieren – een bijna rituele terugtocht naar het thuisland. Met elke kilometer die we dichterbij kwamen, leken de fronsrimpels in vaders voorhoofd weg te smelten in de stijgende hitte. In Marokko bleef er weinig over van de norse, stille man die hij normaal gesproken was. Raisa en ik brachten de meeste tijd door met onze moeder en tantes, terwijl pa dagelijks in het theehuis zat met vrienden en kennissen, discussiërend over politiek en literatuur en alle zaken waar hij in Nederland niet voldoende kennis van had om er een mening over te hebben. In september kwamen de rimpels terug. Elk jaar wat dieper.

Vanuit mijn handtas op de achterbank stijgt een beltoon op. Ik kijk op de radioklok; tien minuten geleden hadden we Raisa moeten ontmoeten voor de ingang van het ziekenhuis.
‘Telefoon,’ zegt pa.
‘Weet ik. Laat maar afgaan, is niet belangrijk.’
Zonder naar hem te kijken weet ik dat zijn ogen groot zijn, zijn hoofd langzaam schudt van links naar rechts. ‘Telefoon.’
‘Weet ik, papa. Laat maar.’
Het gerinkel stopt niet.
‘Telefoon! Telefoon!’ Hij drukt zijn gordel los en draait zich graaiend om naar de achterbank. Voor ik hem terug kan duwen, heeft hij de mobiel te pakken gekregen en opgenomen. ‘Telefoon!’ roept hij. Raisa’s stem kraakt vaag uit de luidspreker.
‘Geef maar hier.’ Hij stribbelt niet tegen. Het toestel voelt zwaar in mijn hand. Ik probeer te bedenken wat ik moet zeggen, een verantwoording, een smoes, een leugen. Niets is overtuigend genoeg. Raisa zal boos worden en met haar tong klakken en eisen dat ik onmiddellijk terugkeer, en ik zal gehoorzamen. Ze is altijd goed geweest in bevelen geven.
Zonder iets te zeggen druk ik de telefoon uit.

Raisa merkte als eerste op wat ik nog niet onder ogen wilde komen. Er kwam emotie in hem naar boven waar iedereen, behalve hijzelf, van schrok. Hij huilde toen Raisa langskwam met haar jongste zoontje. Zijn lichaam schudde zo hard dat ze de baby weer terugnam, uit angst dat hij het kind zou laten vallen. Voor ze de deur achter zich dichttrok, fluisterde ze dat ik een afspraak met de huisarts moest maken. Niet lang daarna volgde de diagnose en reed ik dagelijks van mijn appartement in Amsterdam naar het oude rijtjeshuis om te koken en schoon te maken. Raisa kon het niet doen, zij had een carrière en een huwelijk en een gezin. Ik had slechts een kantoorbaan.
‘Jij offert jezelf te veel op,’ zei ze tegen me. Het was de laatste keer dat ze langs was gekomen om papa’s verjaardag te vieren. Toen kwam hij al niet meer van de bank af. ‘Niemand wordt er beter van als jij de martelaar uithangt.’
‘Papa wordt er beter van.’ Het kon me niet schelen dat ik snauwde. Raisa perste haar lippen op elkaar en vertrok niet veel later. Haar halflege kopje koffie stond nog dampend op tafel, achtergelaten met hetzelfde gemak als waarmee ze haar kinderen dagelijks bij de opvang afzette en haar vader zou dumpen in een tehuis.
Steeds vaker nam ik ochtenden vrij om hem naar afspraken te begeleiden waar ze ons vertelden wat we al wisten. De vrije ochtenden werden vrije dagen waarin ik hem niet alleen durfde te laten, bang dat hij zou vergeten het gas uit te zetten of naar het toilet te gaan. Daarna was ik te uitgeput om op het werk te verschijnen en meldde ik me opnieuw ziek. Het duurde niet lang voor ik mijn vader moest vertellen dat ik ontslagen was. Hij pakte mijn handen, zijn ogen wazig en betraand, en zei: ‘Blijf je dan bij mij, Nasira? Blijf jij bij mij?’
Ik bleef en keek toe hoe hij veranderde van een man in een silhouet op de bank, hoe verwarren veranderde in vergeten. Zelf was ik eerst nog Nasira, toen Raisa, toen mijn moeder, ten slotte slechts een anonieme vrouw met een spons en een boodschappentas.

De regen is nog niet opgehouden als we aansluiten in de rij auto’s rondom Amsterdam. Het schijnsel van de koplampen wiebelt over het natte asfalt. De meeste mensen zijn de drukte gewend en leunen achterover in hun stoelen, hun vingers trommelend op de maat van een radio die ik niet kan horen.
‘Stel je voor hoe warm het nu is in Marokko, papa.’ Ik glimlach naar hem. ‘Warm en zonnig, is dat niet fijn? Veel beter dan dit.’
Hij bromt iets. Ik moet hem drie keer vragen het te herhalen voor ik het versta.
‘Thuis.’
‘Ja, thuis. Daar gaan we naartoe. Ik heb nog wat geld over. We kopen op het vliegveld een ticket en we gaan naar Marokko. En dan zien we wel. Misschien blijven we daar wel voor altijd. Dat zou je fijn vinden, hè?’
‘Thuis.’
‘Ja, thuis. We kunnen daar blijven. Bij mama’s broer gaan wonen, die mocht jou altijd graag, daar kunnen we vast terecht. Dan kun je de hele dag in de tuin zitten, bij de vijgenboom, en dan kan ik je voorlezen. En daarna gaan we samen naar de markt en de moskee. Dat zou je fijn vinden.’ Mijn woorden stromen met de regen mee. ‘Dit klimaat is funest voor je gezondheid, dat is het. Als je in Marokko was gebleven, was dit nooit gebeurd. Al die nattigheid en kou is slecht voor je.’
Ik bots bijna op de auto voor ons. Het zicht is heel slecht.
‘Nattigheid, dat is het. Weet je dat gedicht nog, pa? Dat gedicht wat jij zo mooi vond? Dat gedicht over de natte grond, weet je het nog?’
Hij kijkt op. Ik weet niet of hij me begrijpt, of hij het zich herinnert, maar ik kies ervoor om te denken van wel.
In Nederland wil ik niet sterven,’ zeg ik. Het citaat heeft verborgen gezeten maar staat me nu helder voor de geest. ‘En in de natte grond bederven. Slauerhoff, pa, weet je nog? Dat was het enige Nederlandse gedicht dat je mooi vond.’

Met zijn knokkel tikte hij op de portretfoto naast de tekst. ‘Hij is goed. Hij begrijpt mij.’

Het thema van dat semester was poëzie. Mijn vader hield van poëzie. In de boekenkast stond een plank vol dichtbundels, geen enkele in het Nederlands. Het waren versleten, Marokkaanse uitgaves, relikwieën uit een tijd waarin hij nog het slimste jongetje van de klas was. Wekenlang las ik hem elke avond een gedicht voor dat we hadden behandeld. Terwijl Raisa naar de bioscoop ging met vriendinnen, schoof ik over het tapijt naar mijn vader, het lesboek uitgeklapt op mijn schoot. Ik hoopte dat Van Eeden, Bloem, en Elsschot mijn vader wakker zouden schudden. Dat hij eindelijk in zou zien dat Nederlandse woorden ook mooie woorden waren, dat verdriet en geluk hier niet anders voelden dan hij gewend was. Maar hij klakte met zijn tong en schudde zijn hoofd.
Totdat ik hem ‘In Nederland’ van Slauerhoff voorlas. Hij grinnikte en nam daarna het boek uit mijn handen om het zelf nog een keer te lezen. Met zijn knokkel tikte hij op de portretfoto naast de tekst. ‘Hij is goed. Hij begrijpt mij.’
Nu krijg ik geen reactie op wat ik citeer. Pa kijkt voor zich en zwijgt.

Ik cirkel meerdere malen over de parkeerplaats van Schiphol, zoekend naar een plekje zo dicht mogelijk bij de ingang. Uiteindelijk moet ik de auto halverwege het terrein neerzetten. De deuren zijn vanaf hier niet te zien.
‘Sorry, pa, we zullen een stukje moeten lopen.’ Ik knoop zijn sjaal dichter om zijn nek, zet de kraag van zijn jas omhoog, trek de muts over zijn oren heen. Zodra ik uit de auto stap, kleven mijn kleren aan mijn lichaam. Ik open de deur aan de passagierskant.
‘Kom je, papa?’
Hij kijkt om zich heen. Een vliegtuig stuift voorbij, nog zo laag dat de letters op de zijkant te lezen zijn. Pa drukt zijn onderlip naar voren. ‘Thuis.’
Ik zucht. ‘Ja, papa. We gaan zo naar binnen, we kopen twee tickets en dan gaan we naar huis. Naar Marokko. Dat wil je toch?’ De regen maakt alles zwaar, mijn kleren, mijn haren, mijn lichaam.
Hij blijft zitten en schudt zijn hoofd met snelle, korte bewegingen. ‘Thuis. Thuis.’
Ik strek mijn hand uit. ‘Kom, papa, ik help je.’
Hij kruist zijn armen voor zijn borst. De regen valt schuin de auto in en kruipt in de gleuf tussen zijn kraag en zijn blote hals. ‘Thuis.’
‘Kom dan mee.’ Ik pak hem bij zijn ellenboog en hij begint te schreeuwen, woordloze kreten die galmen over het halflege parkeerterrein. Met zijn vrije arm slaat hij op de mijne, maar ik laat hem niet los. ‘Papa, kom! Ik ga je helpen!’ De ruisende regen, het gedonder van vliegtuigmotoren en de kreten van mijn vader smelten samen tot een lawaai dat dreunt in mijn hoofd. Ik heb hem nu zo hard vast dat ik hem pijn doe, ik zie het in zijn gezicht. Hij snapt het niet. Hij kronkelt en wurmt zich uit mijn greep, vecht tegen de handen die hem proberen te redden. Ik hurk naast de auto om kracht met mijn benen te kunnen zetten. Dan glipt zijn arm uit de mouw van zijn winterjas en val ik achterover, met mijn rug op de natte straatstenen.
Het suizen in mijn oren stopt. Het lawaai destilleert zich weer tot afzonderlijke geluiden. Mijn vader zit op de passagiersstoel, zijn jas half uitgetrokken als een onhandige kleuter, zijn mond vertrokken. Ik wil blijven liggen op de tegels tot de regen me optilt en afvoert, naar een riolering waar alles donker en gedempt is, maar ik sta op, klop mijn broek af en ga weer zitten in de auto. Pa kijkt me aan, langer dan hij me in jaren aangekeken heeft. Onze adem beslaat de ramen en ik zet de verwarming weer hoger.
Terwijl de temperatuur in de auto stijgt, kijken we naar de vertrekkende vliegtuigen. Ik lees de namen van de vliegmaatschappijen voor aan pa, mijn stem zacht alsof ik een slaapliedje zing. Lange tijd zitten we zo, tot de regen ophoudt.
‘Thuis,’ zegt papa.
Ik strek mijn hand uit en pak de zijne vast, dun en bros, maar nog altijd groter dan de mijne. ‘Ja, papa. We gaan naar huis.’

 

Over de auteur

Sonja Buljevac (1997) is geboren in Rotterdam maar getogen in Brabant. Ze studeert psychologie aan de Universiteit Utrecht. In 2017 won ze Write Now! Eindhoven.

Over de illustrator

Margreet de Jong (1989) werkt als illustrator onder de naam Studio Teer. Haar illustraties kenmerken zich als grappig en simpel met een knipoog in combinatie met structuur en regelmaat: orde in de chaos.

Lees meer uit de categorie Proza

Erika’s oplossing

Door Ward Mertens

Erika draait de kraan dicht. Uit de douchekop vallen nog enkele druppels. De stoomwolk in de cabine beneemt haar de adem. Ze moet enkel de glazen deur openduwen om zichzelf van dat verstikkende gevoel te verlossen, maar Erika wacht. Ze wacht tot de wolk een mistbank is geworden die niet hoger dan haar enkels reikt. […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper