Kort verhaal Proza

Vuurdoop

Door Mathilde Drooger | beeld: Bob Mollema
12 december 2017

Het is de derde dag en een harde dreun vlak naast me doet me opkijken van het kauwgomkrabben. Will ligt op de grond van de gymzaal. Zijn ogen zijn dicht, tussen zijn vingers smeult zijn sigaret. Net was hij nog druk bezig met de boenmachine. ‘Will, wakker worden!’ roep ik, maar hij geeft me geen antwoord. ‘Will’, zeg ik nog eens en ik por zijn arm. Geen beweging. Ik pak zijn pols maar weet niet waar ik zijn hartslag zou moeten voelen. Wat ik nu moet doen weet ik niet.

In het dorp deden verhalen de ronde over vakantiekrachten die na twee dagen nooit meer voor het schoonmaakbedrijf wilden werken. Ik werd vrijdagochtend half negen opgehaald voor mijn eerste werkdag. Toen ik de deur van het witte busje opentrok leek alles betrekkelijk normaal. Ik zag drie mensen, mijn nieuwe collega’s van de schoonmaakploeg. Naast me zat een jonge vrouw met kortgeknipt haar en een Winnie the Pooh-shirt, die zich voorstelde als Hannie. Naast haar zat een ander meisje, volledig in het zwart, met handen met zilveren ringen en armen vol tatoeages. Zij heette Roos. Nederlandstalige muziek schalde keihard uit de speakers. De hand van de leidster hing nonchalant uit het raam, een shaggie smeulend tussen haar vingers met lange rode nagels. Roos draaide ook shag. Ik was de enige in het busje met een rok aan. Na nog geen vijf minuten vroeg de leidster of ik van de kerk was. ‘Schoonmaken in een rok is niet zo handig,’ zei ze toen ik bevestigend antwoordde. Ik mocht geen broek aan van mijn ouders, maar dat zei ik niet.

Roos was blijkbaar ook te laat op zoek gegaan naar een vakantiebaantje. Zo veel werk was er niet op het eiland: zelfs voor bollen pellen bij de boer moest je minstens een maand van tevoren bellen of er nog plek was. Wij kregen wat was overgebleven: schoonmaken bij het bedrijf met de witte busjes die door de meeste mensen mongolenbusjes werden genoemd. Als ik met klasgenoten naar huis fietste en ze zo’n busje zagen, vertrok hun gezicht en stootten ze rare klanken uit.
            We reden richting het volgende dorp, waar we eerst een druk pratende man met een iets verlopen tatoeage ophaalden. Hij rookte Marlboro. Ik vroeg wie de man op zijn arm was. ‘Elvis Presley.’ Later vertelde hij de anderen dat ik hem gevraagd had wie dat was, ze moesten lachen om zijn verhaal.
            Ik had thuis ruimschoots ervaring met schoonmaken. Mijn moeder was het type dat elke maandagochtend het hele huis schoonmaakte, en als ik vakantie had was ik degene die de slaapkamers en de woonkamer stofte. ‘Niet klooien met het doekje, rechte halen, hou dat doekje eens fatsoenlijk vast.’ Dinsdagochtend waren dan de keukenkastjes aan de beurt en woensdagochtend zou ik de zolder van de schuur spinragvrij maken. Bij het schoonmaakbedrijf kreeg ik 2,31 euro bruto per uur voor werk dat ik in de vakantie sowieso moest doen.
            Het busje stopte voor een openbare middelbare school. Ik kreeg schoonmaakinstructies en een krabber om tafels kauwgomvrij te maken. Samen met Roos begon ik vol goede moed. Zij zette de radio aan op een zender met Engelstalige muziek. Ik merkte dat ik mijn doekje gebruikte op het ritme van de muziek.

Na anderhalf lokaal was het al tijd voor een rookpauze. In de lerarenkamer negeerde iedereen behalve ik het opvallende bordje ‘Niet roken’. Nog twee jongens hadden zich bij het schoonmaakteam gevoegd. Eén knuffelde ongegeneerd met Hannie. Ik probeerde niet te opzichtig te kijken.  De hele ochtend krabde ik kauwgom en sopte ik tafels, onderbroken door korte rookpauzes. Niemand keek hoe ik mijn doekje vasthield. Om stipt twaalf uur was het tijd voor de grote pauze. Hannie en haar geliefde waren verdwenen. ‘Die zijn weer kezen in de bosjes,’ zei Will. Iedereen lachte een viezig lachje. Ik vroeg me af of ze zich zouden schamen als ze erachter kwamen dat iedereen wist wat ze gedaan hadden.  

Will begon een discussie met de leidster van de groep over de boenwas die zij gebruikte voor het boenapparaat. ‘Als jij straks met vakantie bent, dan zal ik laten zien hoe het echt moet. Dat nieuwe soort boenwas is veel beter.’ Will liep met zijn sigaret in de hand heen en weer in de ruimte, pal voor het verboden te roken bord. De leidster probeerde hem van zijn ongelijk te overtuigen.

Ik vroeg Roos welke opleiding ze deed. Ze zat op de kunstacademie in Rotterdam. We praatten meer. Toen ik zei dat ik het met haar eens was dat alles op tv zo commercieel was, leek ze dat vanzelfsprekend te vinden. Het woord commercieel kon ik thuisbrengen, ik lette op bij economie, maar alles wat ik stiekem op tv had gezien leek wel een sprookjeswereld. Ik vertelde dat ik volgend jaar naar havo vier ging en op welke school ik zat. ‘Ik hoor dat het een strenge school is, een vriendin van mij zat daar en mocht niet eens haar haar paars verven.’

Tijdens de terugreis in het busje jeukten mijn handen van het schoonmaaksop. De anderen praatten over hun weekendplannen. Ik rekende uit hoeveel geld ik had verdiend met acht uur werken. Hannie vertelde aan Roos dat ze ook een tattoo wilde, van Winnie the Pooh. Ze wilde ook een grafsteen van de beer die een hart vasthield met haar naam erop.          

Maandagochtend aan het ontbijt droeg ik een zwarte rok tot net over de knie, de kortste die ik had. Daarop droeg ik een zwart egaal T-shirt. ‘Ben je bekeerd?’ had mijn broertje gegrapt toen ik de woonkamer binnenliep. Bij ons in de kerk droegen de weinige mensen die zeker wisten dat ze naar de hemel zouden gaan altijd zwart, om te laten zien hoe droevig zich zij voelden over hun zonden. ‘Niet spotten,’ zei mijn moeder boos tegen mijn broertje. Ze keek ook naar mijn monochrome outfit.
            ‘Ze draaien daar toch geen popmuziek, hè?’ Misschien had ze me horen neuriën in de douche. Ik zei dat er af en toe wel wat muziek gedraaid werd. ‘Als ze de radio aanzetten vraag je maar of ze hem uitzetten. Ik wil niet dat jij dat hoort. Anders stop je met dat werk, je kan niet met een gedoopt voorhoofd naar zulke muziek luisteren.’ Ik beloofde dat ik er wat van zou zeggen. Er waren bij de jeugdvereniging wel discussies over hoe zondig popmuziek nou eigenlijk echt was, maar de uitkomst was altijd dezelfde.

Deze keer werd ik opgehaald door Will. De leidster van de groep was op vakantie. Hij praatte nog sneller dan normaal en had een lijst van de leidster gekregen. Die liep hij na met een pen in de hand. Ik werd berispt door hem omdat ik te veel schoonmaakmiddel in het water had gedruppeld, terwijl ik afgelopen vrijdag dezelfde hoeveelheid gebruikt had. Will stak de ene sigaret aan met de andere. ‘s Middags was hij duizelig. Na de pauze bleef hij zitten in de lerarenkamer en ging daar luidkeels zitten bellen. Pas om vier uur ging hij weer aan de slag met de boenmachine in de gymzaal.

De derde ochtend was het Hannie die ons ophaalde. Naast haar op de passagiersstoel zat haar vriend, zijn hand op haar schouder. ‘Die moest naar de dokter,’ vertelde hij toen ik vroeg waar Will was. ‘Heb je weer dat korte rokje aan?’ vroeg Hannie.           

Will was er weer tijdens de eerste rookpauze. De dokter had gezegd dat zijn hart niks mankeerde, maar hij had een zwaar gevoel op zijn borst en voelde zich steeds duizelig. Minder roken, had de dokter gezegd. ‘Maar mijn longen moeten toch geteerd worden.’

De gymzaal moest ook schoon. De kleedkamers, de toestellen, de banken. Iemand had verkeerde was in de boenmachine gestopt, de machine rookte en deed niks meer. Will belde luidkeels met het hoofdkantoor. Hij schreeuwde dat het allemaal niet zijn schuld was en aan de leidster lag. Na het telefoontje stak hij een sigaret op in de gymzaal. Ik was de bankjes van stukken kauwgom aan het ontdoen. Waarom leerlingen van deze school kauwgom aten tijdens de gymles snapte ik niet; mijn moeder had me altijd gewaarschuwd niks te eten tijdens het sporten. Het volgende moment lag Will op de grond.

Ik weet niet hoe lang ik heb stilgestaan. Uiteindelijk roep ik Hannie. Als ze Will ziet liggen drukt ze de sigaret uit, vlak voor de filter vlamvat. Daarna pakt ze zijn telefoon en belt ze 112. Tien minuten later staat de ambulance voor de school en wordt Will afgevoerd.

‘Zou het heel erg zijn?’ Ik stel de vraag aan Hannies vriend, maar zij geeft antwoord. ‘Misschien moet je dat aan die God van je vragen.’ Ze zet een stap dichter naar me toe. ‘Ga maar lekker bidden, dat doen jullie toch zo graag?’ Ze blijft me in de ogen kijken. Ik ben compleet verstard en kijk naar een punt net boven Hannies hoofd. ‘Je denkt zeker dat je beter bent wij, met die kerk en dat rokje en alles.’
            ‘Laat haar met rust Hannie, zij kan er ook niks aan doen.’ Roos heeft zich in het gesprek gemengd. Hannie kijkt nog een keer uitdagend naar me, maar loopt dan weg. Haar vriend loopt achter haar aan. Roos blijft bij me staan. ‘Geloof je echt dat bidden helpt?’ Ze lijkt oprecht nieuwsgierig.
‘Ik weet het niet.’

Gewoonlijk zou ik zijn geschrokken van mijn eigen twijfel. Maar de rest van de dag ben ik vooral bezig Hannie te ontlopen in de verlaten school. Gelukkig krijgen we toestemming van het hoofdkantoor om vroeg naar huis te gaan. In de bus zegt Hannie niks tegen me, ik mijd haar blik, en die van de anderen, door de hele terugreis naar de grond te kijken.

Thuis zie ik steeds voor me hoe Hannie dichter naar me toe stapt. En herinner ik me mijn antwoord op Roos’ vraag. ‘Ze zetten de popmuziek niet uit als ik het vraag,’ zeg ik na het avondeten tegen mijn moeder. Het verbaast haar niks. Dat soort volk houdt nooit rekening met mensen van de kerk. We spreken af dat ik de volgende ochtend het uitzendbureau bel om te zeggen dat ik ziek ben. Verkouden, zal ik zeggen, door alle sigarettenrook.

Over de auteur

Mathilde Drooger (1987) is docent geschiedenis en tekstredacteur bij Tijdschrift Ei. Eerder verschenen verhalen van haar in Zij aan Zij, Tijdschrift Lover en Tijdschrift Ei.

Over de illustrator

Bob Mollema (1990, Bennekom) heeft vanaf zijn jeugd getekend. Hij is in 2015 afgestudeerd aan de HKU als illustrator en sindsdien werkzaam als freelancer en kunstenaar. Zijn werk kan ranzig doch delicaat zijn en laat soms niets, en soms veel aan de verbeelding over. Hij werkt in verschillende materialen die hij net niet de meester is omdat hij houd van toevalligheden. Ergens is het ook onkunde, maar Bob heeft een ongelofelijke maakdrang. Zijn thema’s variëren van maatschappelijke ongelijkheid tot onbeschaamd bloot in vreemde posities.

Lees meer uit de categorie Kort verhaal Proza

Paradis. Snor. Mosterd.

Door Johannes Westendorp

Naarmate hij vordert in de rij begint Lou meer en meer oor te krijgen voor de onbegrijpelijke zinsflarden rondom hem. De stem van het dikke meisje bij de kassa snijdt fel door het restaurantrumoer. Ze moet borsten als stootkussens hebben, te oordelen naar de steile hoek die haar bedrijfsschort maakt, maar Lou, normaal gesproken toch […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper