Kort verhaal Proza

Zeven centimeter boven de grond

Door Martien Bos | beeld: Sander Abbema
25 februari 2018

Saskia kijkt naar de zomerschoenen die ze op tafel voor zich heeft staan. Het zijn leren muiltjes, kleur butterscotch. Het bestaansrecht van de schoenen is de enorme houten sleehak: ‘the heel of God’. In een zwierige fantasieletter staat dat op de vierkante doos, die ze in haar kinderlijke opwinding boven op de kaart van haar ouders en de andere post heeft gelegd.
In eerste instantie waren de schoenen bij haar buren bezorgd. Haar fout: uit macht der gewoonte had ze haar vorige huisnummer, 51, opgegeven in plaats van 15. Deze zaterdag zijn ze precies een week verhuisd, een halfjaar na het begin van haar nieuwe baan in deze stad, de stad waar ze vroeger studeerde. In één dag heeft ze alle muren opnieuw gelatext. De verflucht is nog niet weg.
Odaria, zeven jaar oud, staat bewegingsloos voor het raam.
Saskia had niet verwacht dat ze het zo heerlijk zou vinden weer terug te zijn in haar oude studentenstad. Het silhouet van de scheve, brede kerktoren tegen de wolkeloze hemel op de dag dat ze langs haar vroegere gracht fietste, had haar het gevoel gegeven wakker te worden uit een donkere, droomloze slaap.

Midden in de nacht. Bij gebrek aan een nachtkastje ligt haar telefoon op de vloer. In het weerkaatste licht van de snelweg doet ze een greep naar beneden. Krijsende meeuwen moeten haar wakker gemaakt hebben. Half vier. Het is juni, nesten moeten verdedigd worden. 

Als Saskia naar beneden komt, zit Odaria al voor de televisie. Met het geluid gedempt tot fluisterniveau toont het toestel de anchors van BBC Breakfast. Het meisje lijkt volkomen in beslag genomen door de man en de vrouw die hun bleekheid af en toe doorbreken met een schalkse opmerking naar de ander – vonkjes geflirt die, als het goed is, volkomen langs haar heengaan. 
Toen Saskia met Odaria net in Nederland was, dacht ze dat het uit heimwee was dat het kind steevast doorzapte tot de BBC. Misschien klonk in het algemeen beschaafd Engels genoeg van het Schots door voor het meisje. 
Saskia opent de gordijnen en ziet aan de overkant van de straat een man staan. Niets valt aan hem op, behalve dat hij op die plek stilstaat, recht tegenover haar huis. Zijn bovenlijf steekt boven een geparkeerde auto uit. Hij kijkt continu haar kant uit. Saskia loopt naar de keuken om koffie te zetten en brood te smeren. Als ze Odaria gaat halen voor het ontbijt, is de man ervandoor.

 

De man had het goed gezien. Zíj was het, de slet die zijn vader tot zelfmoord had gedreven. De studente van toen was een vrouw geworden, wat ronder en wat kleurlozer. Dat ze het gore lef had gehad om naar deze stad terug te verhuizen, zou hem niet moeten verbazen.

 

Odaria maakt met haar iPad een foto van een plastic speelgoedeenhoorn en zet de foto op haar Instagramaccount. Sinds ze Saskia’s oude iPad heeft gekregen, heeft ze al vijftien foto’s online gezet. 
Saskia kijkt naar de ansichtkaart die ze onder de schoenendoos vandaan getrokken heeft: Fallingwater, het huis van Frank Lloyd Wright boven een waterval. Ze heeft een hekel aan functionalisme. Er is geen plaats voor een prettige bende, wildgroei, onbedoeld gebruikt van spullen of ruimtes – voor alles wat wonen léúk maakt. Het weekendhuis is een museum voor miljoenen geworden.
Op de achterkant de obligate gelukswens naar aanleiding van de nieuwe woning. Wat verwachtte ze ook anders? Blauwe vulpeninkt, discipline. Ze denkt eerst dat het het handschrift van haar vader is, maar ziet dan dat de kaart ‘ook namens je vader’ ondertekend is. 
Saskia’s ouders vonden de verhuizing begrijpelijk maar konden hun zorgen moeilijk verbergen. Zouden ze Odaria nog wel even vaak blijven zien, nu ze aan de andere kant van het land zouden wonen? Ze hadden aangeboden alle kosten op zich te nemen die het inrichten van de nieuwe woning met zich mee zou brengen. Saskia had resoluut bedankt – haar aandacht was niet te koop. Ze wist wat ze te verdedigen had. Ze had het ouderlijk nest verlaten, maar datzelfde nest achtervolgde haar, opgetild en meegedragen door een stel roofvogels dat hun blik geen seconde van Saskia losliet.
Haar ouders gunden haar, onder het mom van meelevendheid, nog geen maand rust. De onbezonnenheid van hun dochter had hun al vaker slapeloze nachten bezorgd: de tatoeage, de verhouding met de labiele hoogleraar, de abrupt afgebroken bouwkundestudie, het Schotse avontuur. 
En dan. 
Dat kind, dat had helemaal niet gehoeven, of misschien dan toch niet zo. Waarom niet gewoon een vader? Haar ouders gaven adviezen alsof ze bevelen gaven: recht in de houding, monden vertrokken in een graad van ernst die meer met de dood te maken had dan met beginnend leven.
Bij hun laatste ontmoeting werd Saskia getrakteerd op een oekaze tegen ‘holle suikers’, terwijl zij zelf was grootgebracht met hagelslag, chips, vla, cake en sinas en bij het ontbijt zeker twee glazen Tjolk, een kleur- en smaakstoffenvehikel dat barstte van de suiker. 
Van de weeromstuit liet Saskia Odaria dagelijks een glas cola drinken. En ze kreeg gelijk: als Odaria er genoeg van had, liet ze de cola staan. Kinderen voeden zichzelf op. 
Saskia liet steeds minder van zich laten horen en beriep zich in een sporadische vlaag van gewetensnood op het recht op afzondering. Waarom lijken er regels van wederkerigheid te gelden ten opzichte van je ouders? Zij maken jou zonder dat je daar om hebt kunnen vragen. Ik ben vrij en niemand tot iets verplicht. De vanzelfsprekendheid waarmee ouders een beroep doen op de vrije tijd van hun kinderen, enkel en alleen omdat een paar decennia eerder…
Ook nu, starend naar het klassieke schuinschrift op de ansichtkaart, windt ze zich er langzaam over op tot ze alle redelijkheid dreigt te verliezen. Regelmatig heeft ze op het punt gestaan om in een voicemailbericht definitief het contact te verbreken. Uiteindelijk neemt ze nooit het risico dat er iemand opneemt.
Dat Saskia haar ouders pas een week van tevoren vertelde over haar verhuizing, vonden ze een belediging. Missie geslaagd.

 

Dat kind, dat had helemaal niet gehoeven, of misschien dan toch niet zo.

Het is maandagmiddag en Saskia rijdt naar huis. Ze is vrolijk, hoewel ze om moet rijden vanwege werkzaamheden. Een omvangrijke verbouwing van het station, kennelijk al acht jaar gaande, zo zal ze later die avond lezen. Daarna rijdt ze zichzelf verdwaald in die uithoek van de stad waar in haar tijd de beruchte studentenflats stonden. Autobranden, drugsfeesten, balkonklimmers. Ze kijkt naar de nieuwbouwwoningen. Veel duurzaam hardhout. 
Ze heeft tijdens de lunch lang naar Daan gekeken. Het gebeurde onbedoeld, maar zodra ze zag dat hij het merkte mocht het er zijn, betekenis hebben. Later die middag had Daan tot drie keer toe een handtekening van haar nodig. Toen ze de lift instapte, zag ze hoe hij van een afstand naar haar blote benen keek. De hakken van God deden hun werk.

Als ze de auto uitstapt, ziet ze hem al staan. Hij kijkt haar niet aan, maar houdt zijn blik op het raam van de huiskamer gericht. Is hij in gedachten verzonken?
Saskia gaat haar huis binnen – wat kan ze anders? – en kijkt voorzichtig naar buiten door het glas-in-loodraampje van de voordeur. De man is verdwenen. Ze kijkt zo goed als ze kan in beide richtingen de straat uit, maar zodra haar wang het koude glas raakt ergert ze zich aan haar stompzinnige achterdocht. Ze loopt haar appartement in en zet de ramen tegen elkaar open. De verflucht is nauwelijks meer waarneembaar.
Odaria zegt dat ze nu al honderdtwintig volgers heeft en vraagt waarom ze Saskia niet kan vinden. 
‘O schat, ik heb al zo veel accounts, ik heb geen Instagram meer nodig in mijn leven.’ Terwijl ze het zegt, neemt ze zich voor de inbox van haar datingapp weer eens te openen – of nee, ze kan nu gelijk wel kijken.
‘Wat doe jij als ik er niet meer ben?’ vraagt Odaria.
‘Dan zit ik op mijn werk, poepie,’ antwoordt Saskia. Allemachtig. Uit haar hoofd probeert ze uit te rekenen hoeveel binnengekomen berichten ze per dag gemist heeft.

Midden in de nacht. Saskia wordt weer wakker van de meeuwen. Ze hoort Odaria giechelen in haar slaap. Als ze de slappe lach heeft, lacht dat kind zó aanstekelijk. Ze vraagt zich af of het aantrekkelijk voor jongens zal zijn, Odaria’s volle lach.
De hoogleraar Building Engineering kon ook zo lachen. Tijdens colleges en werkgroepen was daar niets van te merken, maar die ene keer dat hij bij een borrel van de studievereniging kwam kijken, had Saskia geen keus gehad: ze was als een blok voor de man gevallen. Natuurlijk, zijn lange bouw, zijn atletische manier van lopen en zijn innemende bescheidenheid waren haar al opgevallen, maar het was zijn heerlijke lach geweest die Saskia aangespoord had werk van hem te maken. Had zij geweten dat het humeur van die man als een dode boom was tijdens een storm… Ze had aan zijn droeve ogen de stemmingswisselingen zien leren aankomen: een blik die vooruit leek te lopen op de man zelf en haar meestal net genoeg tijd gaf om dekking te zoeken tegen zijn razende uithalen.
Ze had nog geen halfjaar op het winderige Skye gezeten of een vriendin stuurde haar een bericht. In de overlijdensadvertentie werd gesproken over een zelfgekozen einde. Voor wie er meer vanaf wist, was dat een uitdrukking die de gewelddadigheid van dat einde bijna opzichtig buiten beeld hield.  

Dinsdagochtend. Odaria staat voor het raam en kijkt naar buiten. Ze knikt.
Saskia loopt slaapdronken de woonkamer in. Ze schrikt als ze het kind daar zo ziet staan. ‘Waar kijk je naar?’
‘We krijgen bezoek,’ zegt Odaria. 
‘O?’ Saskia loopt de gang op naar de voordeur. Daans gezicht verschijnt in haar gedachten. Door het glas-in-loodraampje ziet ze dat er niemand op de stoep staat. Ze concludeert dat Odaria weer eens iets fantaseert. Wat wilde dat zeggen, dat ze direct aan Daan dacht? Zou hij ook aan haar denken? Daan moet een kans krijgen om ook inhoudelijk op haar te reageren, vindt ze – ze is niet alleen oppervlakte. Die tijd ligt achter haar. De hakken gaan morgen niet aan. 
Odaria is aan de keukentafel gaan zitten en liket alle foto’s die voorbijkomen. Ze legt haar hand plat op tafel en probeert er met de iPad, die ze schuin op de tafel laat rusten, een foto van te maken.

Vrijdagavond rond elf uur. Het duurt even voor Saskia het ziet: het water in alle bloemenvazen is rood. Voor de televisie ligt een lege fles limonadesiroop, de iPad ernaast zit onder de plakkerige handafdrukken.
De date is niet geworden wat ze ervan had gehoopt. Ze trekt haar hakken uit en gaat met haar rug naar het raam aan de straatkant zitten. Haar voeten doen pijn. Ze zou televisie kunnen kijken, maar heeft daar geen zin in. 
Daan had niet zozeer willen imponeren met zijn kennis over klassieke schilderkunst, druktechnieken, het eelt op de vingers van een graveur, nee, hij was oprecht enthousiast. Hij bleef onophoudelijk vertellen en had al vertellend aangetoond dat hij ongevoelig was voor haar subtiele reacties. Per saldo bleek hij een ontzettend slechte luisteraar. Op echt medeleven, en daarmee een gelijkwaardige relatie, hoefde ze dus niet te hopen. Ze is blij dat ze zich niet heeft laten gaan maar verder voelt ze zich waardeloos. Ze heeft het idee dat iedereen haar kan zien.
Van boven klinkt opnieuw gegiechel. Ook voor Saskia zelf is het tijd om naar bed te gaan. Misschien nog een glaasje wodka, een gewoonte uit een andere tijd.

Na het tweede glas wodka wil ze de gordijnen sluiten. Als ze opstaat en naar het raam loopt, ziet ze achter haar eigen weerspiegeling het gezicht van de man. Ze loopt naar de voordeur, verwacht half dat hij verdwenen is, maar hij staat er gewoon en lacht naar haar. De lach, vriendelijk, charmant misschien, lijkt een déjà vu, maar ze herkent deze persoon hooguit als de voorbijganger die afgelopen week naar binnen leek te kijken. Ze aarzelt, gokt, en noemt op vragende toon de naam van de studievereniging van Bouwkunde. Ze laat hem binnen als hij met een knikje een brede, bijna gespierde glimlach laat zien die ze vrijwel zonder twijfel herkent. Als ze zijn jas ophangt aan de kapstok naast die van Odaria, ruikt ze de vrijgekomen lichaamsgeur: warm, aards, mannelijk.

‘Hoe gaat het nu met je?’ vraagt hij nog voordat hij zit. Hij heeft een stem van warm basalt en spreekt de woorden uit als een lichte bries boven zee. De lucht trilt, er lijkt iets met de tijd te zijn. Ze vindt iets in hem wat ze kwijt was, iets waarvan ze niet wist dat ze ernaar had kunnen zoeken. Thuiskomen in zes woorden, dat is het.
Ze vertelt. Ze vertelt en ze vertelt en zou hem alles van haar leven na de studie willen vertellen, maar beseft dat ze zich het best kan beperken tot feiten die niet te veel prijsgeven over klein leed en banaal ongemak. En terwijl ze zijn gezicht bestudeert, op zoek naar aanwijzingen die haar gevoel van herkenning kunnen verklaren, valt het haar op dat hij veel te jong is om met haar gestudeerd te kunnen hebben. Hij verstart als ze vertelt dat ze gestopt is met bouwkunde omdat het toch niets werd, dat er geen passie was en het vak, de bureaus en de mensen niet bij haar pasten.
‘Maar vertel, hoe gaat het met jou? Help me even, van welk practicum kennen we elkaar ook weer?’ Ze rekent erop dat deze verkapte bekentenis op z’n minst voor een glimlach zorgt, in elk geval op een begripvol gebaar. Ze heeft het mis.
De gekwelde blik die volgt, bezorgt haar een schok: de triestheid van deze ogen heeft ze zo vaak gezien. Hun eerdere versie, met grijzere, diepere wallen, ruigere wenkbrauwen en scherpere rimpels, kent ze beter dan haar lief is. De herinnering aan de vader van deze man treft haar als een ontdekking van chantage of zwangerschap. Ze weet hoe verraderlijk de goeiige, licht neerhangende oogleden zijn. De blik is een aanzwellend gerommel van het geweld dat komen gaat.
Een antwoord van de man is overbodig.

Op de televisie wordt het NOS-journaal van deze zaterdagochtend herhaald. Odaria zit aan de keukentafel, het is kwart over zeven. In haar linkerhand houdt ze een met melkchocola omhulde mueslireep. Met de wijsvinger van haar andere hand ververst ze onophoudelijk haar Instagrampagina. 
Na een paar dagen al weet ze dat de frequentie van likes vlak na plaatsing het hoogst is, dat die daarna heel even lijkt in te zakken en dat het daarna weer sneller gaat met de likes, het een paar uur stabiel is, tot de frequentie weer inzakt, in blijft zakken tot het maximum aantal hartjes bereikt lijkt, en er uiteindelijk nog sporadisch gereageerd wordt.
Nu gaat het nog goed. De foto van Saskia die op de grond ligt krijgt er nog steeds elke paar secondes een like bij. 

Over de auteur

Martien Bos is naast freelance tekstschrijver ook illustrator voor diverse tijdschriften, kranten en uitgeverijen in binnen- en buitenland. Hij tekende onder andere voor De Optimist, NRC Handelsblad, VPRO, De Standaard, uitgeverij Boom en Athenaeum–Polak & Van Gennep. Zie martienbos.com.

Over de illustrator

Lees meer van

Vergezichten

Door Martien Bos

Voor de themamaand vroegen wij onze illustratoren: wat zien we als we uit het raam kijken over 50, 100 of 500 jaar? Zijn er dan überhaupt nog ramen; kijken we nog met onze blote ogen? In ‘Vergezichten’ hun visuele antwoord op deze vragen. Deze week: Martien Bos.   “Volgens futurist en Google-ontwikkelaar Raymond Kurzweil zal in […]

Lees meer uit de categorie Kort verhaal Proza

De Nieuwe Lichting: Christiaan Lomans

Door Christiaan Lomans

De Optimist vroeg de nieuwe lichting afgestudeerden van schrijfopleidingen in Nederland en Vlaanderen om hun eindwerk in te sturen. In DE NIEUWE LICHTING presenteren wij fragmenten uit dat werk en stellen wij de schrijvers van de toekomst voor. Op deze zonnige herfstdag stellen wij aan u voor: Christiaan Lomans, pas afgestudeerd aan Creative Writing Artez. Hoe ben je […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper