Essay

De roze olifant en de samoerai

Door Tova Lindt | beeld: Bob Op t Land
1 maart 2018

Je ziet de dingen pas werkelijk uit je ooghoeken, als je eigenlijk ergens anders mee bezig bent. Het is net of de werkelijkheid zich dan gepasseerd voelt, het niet neemt en zich aan je opdringt.

Harry Mulisch, Twee vrouwen

 

Elke keer als mijn geliefde terug naar Londen vertrekt laat hij meer achter dan alleen een opgeruimd aanrecht, een klammige berg zwarte sokken en onderbroeken, en gemengde gevoelens van afwezigheid. Als ik thuis kom terwijl hij op weg naar Schiphol is, ligt er steevast ook een nette stapel Engelse kranten en tijdschriften voor me klaar. Uitgelezen nummers van zijn abonnement op The Week en krantjes die hij meepikt van Luton airport, Heathrow of Gatwick. Ik doe de deur achter me dicht, verbaas me over de opgeruimdheid en het feit dat het mij zowel droevig als opgelucht stemt dat ik thuiskom in een huis dat nu weer zonder hem is. Om niet verder na te hoeven gaan hoe het met die gemengde gevoelens zit, trek ik een Times uit de stapel en begin te bladeren.

Pagina twee van de culturele bijlage is voor drie kwart gevuld met de foto van een pronte blonde dame van onbestemde leeftijd die eigenwijs haar armen voor haar borst heeft gekruist, en die met spottend omhoog gekrulde, fel gestifte mondhoeken recht in de camera – naar mij – kijkt. Ze draagt een collier uit dikke, hoogglans gepolijste stenen die op laurierdrop of magere kolen lijken, en op haar hooggesloten, zwarte jurk krioelen kleurige, in elkaar vervlochten bloemen en planten, een kunstige en uitbundige jardin botanique. De vingers die ontspannen op haar biceps liggen zijn zorgvuldig gemanicuurd maar ongelakt. Haar hoofd bevindt zich precies in het midden van een rond schilderij op de achtergrond, waardoor het lijkt alsof zij een stralenkrans, een aureool draagt. Boven de foto staat in koeienletters de kop: ‘I think the unthinkable’.

De vrouw op de foto is Julia Peyton-Jones, de vertrekkende directrice van de befaamde Serpentine Gallery in de Londense Kensington Gardens. De befaamdheid van deze hotspot voor contemporaine kunst is voornamelijk aan Peyton-Jones zelf te danken, lees ik. Toen zij 25 jaar geleden bij de ietwat slaperige galerie begon, beloofde zij ‘to turn the heat up’. Door namen als Maria Abramovic, Ai Weiwei, Gerhard Richter en Jeff Koons aan te trekken, stegen de bezoekersaantallen van 200.000 naar meer dan een miljoen per jaar. Ooit zelf begonnen als schilderes, ging Peyton-Jones bij de Serpentine vijfentwintig jaar lang tekeer als bevlogen curator en kunstworkaholic, haar werkdagen duurden gemiddeld van 6 uur ‘s ochtends tot middernacht.

Maar het was tijd voor nieuwe projecten, zo motiveerde de queen of arts haar vertrek enkele maanden geleden. Het artikel zelf geeft meer duidelijkheid: At the Serpentine, she wooed the art world. Now, at 64, Julia Peyton-Jones has become a mother.

Ik leg de krant opzij en ga aan het opgeruimde aanrecht staan om thee te zetten.

           This is the night of my destruction,
           zei mijn geliefde. Hij pakte zijn roestvrijstalen Rolex van het tafelblad en klikte hem vast rond zijn stevige pols. Een definitief gebaar. Tot enkele seconden daarvoor hadden wij nog aan de whisky en extra pure chocola gezeten, ik had zijn voet op mijn schoot en de verhalen waren steeds langer en vertakter geworden. Nu was het stil. Met de smaak van eikenhout en Schotse rivieren op mijn tong probeerde ik mijn woorden terug te halen, terug te draaien. Wat had ik gezegd? Het had me zelf ook verbaasd om die woorden uit mijn mond te horen rollen, het zorgvuldig opgebouwde verhaal van mijn geliefde bruusk onderbrekend: ‘Zullen we een kindje maken?’

Ik wacht op het fluiten van de ketel.
          Het moederschap was iets wat speelde toen ik een jaar of zes, zeven, acht, negen jaar oud was. Toen bestierde ik samen met mijn beste vriendje een uitdijend Baby born-gezin. Daarna werd het een vanzelfsprekendheid in mijn achterhoofd, iets wat hoorde bij het idee van volwassen-zijn. Maar het leefde niet. Nu fladdert er ineens om de paar weken een pastelkleurig geboortekaartje op mijn mat. Het dringt zich op. Terwijl ik nu net aan een weg begin te timmeren die voor het eerst in mijn leven als de mijne voelt, terwijl er rationeel bekeken absoluut geen ruimte is voor een kind en alles wat daarbij om de hoek komt kijken. Toch lijkt het erop dat ik nú een beslissing moet nemen die voor de rest van mijn leven cruciaal zal zijn. Nu. Want ik ben bijna vijfendertig en anders is het wie weet wel te laat en o wee wat dan.
         Kennelijk houdt mens-zijn in dat je voortdurend verstrekkende beslissingen moet nemen over onafzienbare terreinen.

De ketel stoomt en piept en begint te krassen in plaats van te fluiten. Ik schenk een sputterend glas thee in en buig me weer over het artikel en de foto. Wat mij die avond bezielde weet ik niet. Misschien was het de whisky, misschien was het die voet op mijn schoot, misschien was het mijn ‘biologische ik’ die ineens werd opgejaagd door een drammerig getik in de onderbuik. Mijn geliefde is twee keer zo oud als ik en zeer gewenst kinderloos. Hij keek me aan alsof zijn laatste uurtje had geslagen. ‘Ik ben te oud,’ zei hij tenslotte. ‘I will be dead by the time the child is ten years old.

Overtuigd van hun onsterfelijkheid
Bijna alle gewervelde dieren sterven zodra ze niet meer vruchtbaar zijn. De mens vormt uiteraard weer een uitzondering, want in een mensenleven valt er zo veel na te streven, te bestieren, te beminnen en uit te vechten dat een bestaansreden niet per se aan voortplanting hoeft te worden ontleend. Je kunt ook een bruisende kunstgalerie oprichten of een essay schrijven. Maar de mens zou de mens niet zijn als hij of zij tevreden was met minder dan álles. En dus komt men in tijdsnood. Vooral de hoogopgeleide, westerse vrouw schijnt volgens de statistieken het moederschap steeds langer uit te stellen.

          Echter, met de medische mogelijkheden van vandaag de dag, met hormoonbehandelingen, het invriezen van eicellen, in-vitrofertilisatie (IVF) en kunstmatige inseminatie hoeft dit uitstelgedrag niet per se een probleem te vormen. Zoals Julia Peyton-Jones laat zien, is het flink oprekken van de fysieke leeftijdsgrens voor het krijgen van kinderen een realistische optie geworden. Maar is Peyton-Jones een geval apart, of is zij misschien wel een trendsetter? ‘I think the unthinkable’.

De oudste moeder van de wereld is nog vijf jaar ouder, de Indiase Rajo Devi Lohan. Zij beviel op zeventigjarige leeftijd via een sectio caesarea van een gezonde baby. Maar wat voor vrouwen opzienbarend is, lijkt voor mannen van oudsher gesneden koek. Ik voel de neiging om mijn geliefde al die vaders voor te houden – Picasso, Mick Jagger, Harry Mulisch – overtuigd van hun onsterfelijkheid totdat het tegendeel bewezen is.

Zo’n honderd jaar na de invoering van het Nederlandse vrouwenkiesrecht is de inhaalslag van vrouwen op het gebied van maatschappelijke prestaties, een eigen – niet aan de man ontleende – status en professionele zelfverwezenlijking gestaag aan het vorderen. Brengt deze inhaalslag het met zich mee dat de status van het moederschap in het leven van een vrouw ook aan het verschuiven is? Van primaire bron van zingeving tot zoiets als de kers op de taart van een succesvol leven? Embarking on new projects, zoals Peyton-Jones het verwoordde, maar pas als de overige schaapjes binnen zijn.

Om vrouwen meer ruimte te geven om hun carrière te ontwikkelen, buigt de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) zich momenteel dan ook over de vraag of de leeftijdsgrens voor vrouwen om in aanmerking te komen voor een vruchtbaarheidsbehandeling moet worden opgeschoven van 45 naar 50 jaar. En terwijl de commissie aan het wikken en wegen is ‘of we zulke oude moeders willen’, kijkt Dr Anurag Bishnoi uit India, waar géén leeftijdsgrens geldt, er op zijn manier tegen aan: ‘Age is not the issue,’ zegt de arts die de zeventigjarige Rajo Devi Lohan aan haar kind hielp. ‘It is whether the mother is tough enough physically and mentally.’

Dientengevolge lijkt het erop dat ‘te oud’ domweg niet meer bestaat. Als je tot ver in je pensioenleeftijd en desnoods just with a little help van de biomedische techniek nog vader of moeder kunt worden, dan ziet mijn geliefde het dus verkeerd.
        Of misschien moet ik mijn vraag ietsje bijstellen: is het krijgen van een kind op hoge leeftijd iets wat wenselijk is? Moet je je kind prematuur willen opzadelen met de tragische kant van het leven, met vergankelijkheid en verlies? Is het verantwoord om je kind bloot te stellen aan het ontbreken van de meest bepalende hechtingsfiguur en een ontregeld gezin?
        Ogenschijnlijk staat dit haaks op de ouderlijke taak om een veilig nest, een kader van bestendigheid te creëren, om je kind zo optimaal mogelijk naar de volwassenheid te (bege)leiden. ‘Kijk, wat er ook gebeurt, ik zal er altijd zijn voor je. Bij mij ben je veilig.’ Dit lijkt me zo ongeveer de kernzin van het ouderschap. En als ouder word je geacht to walk it like you talk it. Maar hoe kun je continuïteit en betrouwbaarheid garanderen als je zelf al nagenoeg onder de leeftijdsgroep van kwetsbare oudere valt?
       ‘Leeftijd is alleen een getal,’ zegt de wereldrecordmoeder daarop, vlak na de geboorte van haar baby. ‘Ik ben gezond en fit, ik voel me goed.’ Ontkenning van de sterflijkheid tot het tegendeel bewezen is. ‘My goal is to live to 100 and remain in really good shape,’ zegt Julia Peyton-Jones. Een nogal roekeloze uitspraak.

Eros, Thanatos en rubberen tegels   
Met het bloedhete glas thee tussen mijn handen lees ik verder in de Times. En ik vraag me af of Julia Peyton-Jones met de Serpentine dezelfde grootse dingen voor elkaar zou hebben gekregen als zij haar aandacht en energie had moeten verdelen tussen haar kunstenaars en haar kind.
        Volgens de driftenpsychologie van Sigmund Freud komen zowel kunst als kinderen voort uit Eros, de seksueel geladen levensdrift. Betekent dit dat creatieve schepping en voortplanting hand in hand gaan met elkaar? Of is het meer het een óf het ander? Als er in een strak opgeblazen band twee ventielen zitten, dan zal de luchtstroom die uit elk ventieltje komt zwakker zijn dan als er slechts eentje openstaat. Als het vuur op twee vlammen moet branden, dan zullen ze allebei op een lager pitje staan.

Ik verbrand mijn tong aan de thee. Wat is het toch met thee dat hij altijd of veel te heet is of ijskoud? En als je nooit meer te oud bent, wanneer ben je dan te ziek voor een kind? Wanneer ben je te gek voor een kind? Wanneer te arm, te lelijk, te perfect?
       En valt niet-bestaan altijd te verkiezen boven een bestaan als – bijvoorbeeld –  weeskind met hechtingsproblematiek? Of boven het leven met een aandoening of een onbekende (donor)vader? Valt niet-bestaan te verkiezen boven een leven in armoede? Kan een vermeend ongelukkige existentie maar beter helemaal worden voorkomen? Kunnen potentiële ouders dan niet ook beter eerst helemaal veiligstellen dat niet alleen het speeltuintje, maar ook het hele schoolplein en de straat en dan ook maar de rest van de wereld, dat het hele onafzienbare terrein met rubberen tegels is bekleed?
       

        Eros is niet alleen de drift die kunst en kindjes voortbrengt, Eros is ook de tegenhanger van Thanatos, de doodsdrift. Een kind maken is de ultieme bezwering van de dood, door een nieuwe circle of life aan te zwengelen, door je klauwen te zetten in de toekomst, wordt de sterfelijkheid uitgedaagd en tegelijkertijd ten zeerste bevestigd. Een mens die geboren wordt betekent een mens die zal sterven. Neurochirurg en schrijver Paul Kalanithi illustreert in zijn autobiografische relaas When Breath Becomes Air hoe Eros en Thanatos op scherp staan. Kalanithi en zijn vrouw kiezen voor een kind, ondanks de infauste prognose van Paul, die op zijn 36ste geconfronteerd wordt met uitgezaaide longkanker. Paul maakt de geboorte van zijn dochtertje mee vanuit een ziekenhuisbed, en hij overlijdt als zij acht maanden oud is. Tijdens het laatste jaar waarin hij voor zijn leven vocht heeft hij een kind gemaakt en een boek geschreven. Wat hij aan zijn kind, zijn vrouw, zijn lezers meegeeft is dat leven niet plaatsvindt ondanks pijn en lijden en verlies, maar dat leven plaatsvindt ook en juist te midden van pijn en lijden en verlies. Net als kunst.

        ‘Honestly, if she can handle artists she can handle a baby,
         zegt een goede kennis van Peyton-Jones over de inmiddels 65-jarige kersverse moeder. Mijn geliefde en ik volgen gearmd het bordje naar de Serpentine Gallery. Grayson Perry belooft The Most Popular Art Exhibition Ever! Mijn geliefde gaat gedwee in de rij staan. We voeren de eekhoorntjes in Kensington Garden, ze komen naar ons toe, maar alleen als we niet kijken. We liggen in het gras. Mijn geliefde legt zijn voet in mijn schoot. Ons kindje is getransformeerd tot de olifant in de kamer – soms roze, soms lichtblauw – die liever ongenoemd wil blijven. Mijn geliefde ziet het als zijn zwaard van Damocles. Gelukkig, denk ik, ben jij een samoerai.

Wie weet is een hoge leeftijd juist wel een pré als het gaat om die ene meest basale én meest grootse, die ultieme ouderlijke taak die vaak niet tot een goed einde wordt gebracht: je kind leren wat doodgaan is. En hoe je het moet doen. (‘Kijk! Zo doe je dat.’)
        Wie weet heeft de Indiase vruchtbaarheidsdokter wel gelijk, en doet het er niet toe hoe oud of jong je bent. Wie weet doet het er niet toe hoe lang je leeft en of je kinderen krijgt of niet. Maar of je – frontaal dan wel vanuit je ooghoek – het onafzienbare terrein op durft. Of je het ondenkbare kunt denken. En of je de roekeloosheid kunt opbrengen. 

 

Over de auteur

Tova Lindt (1982) schrijft en verpleegt. Ze studeert proza aan de Schrijversvakschool Amsterdam en is tekstredacteur bij Tijdschrift Ei.

Over de illustrator

Bob Op 't Land zoekt. Omringd door stapels schetsboeken, strips en ander referentiemateriaal slijpt hij achter zijn werktafel aan zijn kunnen. Het tekenen is een zoektocht. Als een tekening af is, gaat hij in een nieuwe tekening verder met zoeken. Je kan Bob op social media vinden onder de noemer 'Pencilier Artworks'.

Lees meer uit de categorie Essay

Gewijvengezeik

Door Maarten van Riel

Tekst: Maarten van Riel In de vorige eeuw waren Céline, Nabokov, Grass, Hilsenrath, Camus en Gogol niet meer dan onbekende namen voor mij. Op de boekenplank boven mijn bed prijkten slechts vijftien boeken die mijn goedkeuring konden wegdragen – hoofdzakelijk omdat ze gevuld waren met vieze praat. Uiteraard behoorden de boeken van Ronald Giphart (1965) […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper