Kort verhaal

Dit zijn de antwoorden

Door Lies Gallez | beeld: Stefaan Van Hyfte
8 mei 2018

Er zijn mensen die zeiden dat ze aankwam met een rugzak op en dat ze stonk naar zweet, regen en sardines uit blik. Anderen zeiden dat ze hier al die tijd gewoond had in het huisje op de berg. En dat niemand anders daar woonde, vanwege die berg. Ik wist niet wat waar was, maar het maakte ook niets uit. Ze was mooi en droeg topjes met spaghettibandjes.

Waarom droeg ze spaghettibandjes?
Omdat ze bruine schouders wilde.

In het dorp waren ze het erover eens dat ze te veel en te luid zong, alsof er toch iemand anders zou wonen op de berg. Net die specifieke twijfel konden de dorpelingen niet verdragen. De meesten durfden haar niet eens aan te kijken, omdat ze haar zo zielig vonden. Omdat ze zelf niet doorhad dat anderen dat vonden, werd het pas echt zielig. Mensen kregen er Bambi-ogen van.

Jos, die een café openhield aan de voet van de berg, was de eerste die er zijn mond over opentrok. Dat was op zich niet zo vreemd. Hij deed voor alles en iedereen zijn mond open. Hij had een mond die niet gesloten kon zijn door zijn dikke lippen en gigantische tanden. Hij zei: Ze zingt te veel, te luid én te vals. En iedereen op café die bier dronk, zei: Weten we. En iedereen die geen bier dronk, zei: Weten we. En iemand op tv zei op datzelfde moment: Trump is a dick. Het was allemaal niet grappig. Dat wisten we ook wel.

Er was het plan dat Jimmy bedacht. (Voor meer informatie kun je zijn Facebookprofiel nakijken: Jimmy Vandenputte.) We stemden met handen in de lucht, sommigen met omhooggestoken bierflesjes. Iemand zou haar bezoeken op de berg. En natuurlijk vroeg iemand of ik dat wilde doen. (Ik zat ook op café, omdat ik geen televisie meer had.) Ik kende haar alleen via de blauwe bessen. Ze vroeg één keertje of ik een bakje wilde en ik zei: Ja. Ze waren donker en zoet en maakten vlekken op je vingers en handen. Het waren de beste blauwe bessen die ik ooit gegeten had.

Volgens het plan zou Irma een taart bakken. Het enige wat ik moest doen, was taart eten en vragen of ze minder luid kon zingen. Optioneel mocht ik ook grapjes maken, koffie of thee drinken, en een beetje glimlachen, wat knikken. Meer niet, het leek zo simpel.

De volgende ochtend zat Jos voor zijn café een sigaar te roken. Hij had net op de lotto gespeeld. Jos zei: Vroeger hadden mensen hier allemaal dikke kuiten van het op- en neerwandelen. Hij lachte. Ik keek naar zijn kuiten.

Het eerste wat ik boven zag, was een waterput waarboven stond Hier begint geschiedenis. Het tweede was een rood huisje. Zoals de huisjes in sprookjes zijn, alsof er enkel lieve mensen in kunnen wonen die hele dagen lieve dingen zeggen, woorden die mensen voor baby’s gebruiken. Op de deur hing een hart. Ik wilde er mijn tanden in zetten, maar deed het niet.

Ze deed de deur open nog voor ik kon aanbellen. Het is mijn gave, zei ze, Ik heb geen bel, maar uitstekende oren. Ze glimlachte. Het huisje was klein. Overal stonden porseleinen beeldjes van kabouters, meisjes die met poppen spelen, twee mensen die een wandeling maken, een jongen in korte broek die onder een boom zat, een hondje met een rode bal. Ze schonk thee uit. Ze deed er suiker in. Mij werd niets gevraagd. We namen plaats in twee blauwe fauteuils voor het raam.

Ze zei: Iedereen heeft verschillende karaktertrekjes, toch? (Ik wist niet of het een vraag was of niet, dus knikte ik.) En ik weet gewoon graag welke, dus kocht ik voor elk specifiek trekje een beeldje, zei ze. Nou, fijn, zei ik, en dat bedoelde ik ook. Dat het fijn moest zijn om te weten uit welke trekjes, delen of stukken je precies bestaat. Dat er geen onbekend terrein meer is, nergens, voor niemand.

Ze ging verder: Iedereen heeft ook ergens dat deel in zich van een hondje dat graag achter een bal aanloopt. Ik bedoel, we lopen een hele leven achter van alles aan: mannen, geld, geluk, rust. Honden kiezen ten minste één ding, iets simpels. Ze glimlachte. Ik keek naar haar kuiten. En ze praatte en praatte en soms vergat ik wat ze zei. Ik keek gewoon naar haar mond, hoe die bewoog, hoe alle klanken in essentie beweging zijn. Ze had een mooie mond, fijne, rozige lippen. Ik vroeg me af wie ze er al mee gekust had, hoeveel jongens of meisjes.

We aten taart, omdat we honger hadden. Ze toonde me foto’s van haar reis naar Mexico. Op één foto staat ze topless vissen te voederen. Ze spreken er Spaans, zei ze. Ze vertelde me het ene weetje na het andere alsof ze Wikipedia was, alsof het dat was waar haar leven om draaide: meer weten dan Wikipedia. Ik kon er niets tegenin brengen. Ik dronk thee. Ik dronk nog meer thee. Ik moest hoognodig naar het toilet.

Het toilet was een houten huisje boven op de berg. Met de deur open kon ik over de stad kijken. Ik zag autootjes, mensjes op fietsjes, mensjes met hondjes, mensjes zonder hondjes, huisjes en boompjes, alsof ik ze allemaal met mijn eigen handen verplaatsen kon. Ik dacht terug aan mijn missie, aan de slagroomtaart, aan Jos die buiten een sigaar rookte. Ik was vastberaden. Toen bleek er geen wc-papier meer te zijn.

Berkje, want zo heette ze, althans dat vertelde ze aan iedereen, stond buiten op me te wachten. Niet het soort wachten van mensen op te late bussen en treinen, maar een enthousiast wachten van een kind op een aardbeienijsje. De zon scheen alsof het een spotlicht was en dit het podium waarop zij en ik een rolletje speelden. Afhankelijk van wat ik nu zou doen, zou er een applaus volgen. Ik zei: Berkje, iedereen, het dorp en alle mensen en Jos, zij vinden dat je soms te veel en te luid zingt. Dat je vaak zo zingt dat ze vermoeden dat er nog iemand anders op de berg woont. Iemand die van liedjes houdt, zelfs als ze vals gezongen zijn.

Berkje stond te kijken als een kind dat toch geen ijsje zou krijgen. Ze zei niets, dat was het ergste, geen enkele klank vormden die fijne, rozige lippen van haar. Ze liep naar binnen, nam het beeldje van de jongen in de korte broek in haar handen en sloeg het stuk. Het ene beeldje na het andere volgde. Met gespreide armen probeerde ik haar te stoppen. Ik legde mijn beide handen strak om haar gezicht en duwde. Ze bezat de mooiheid van iemand die van zichzelf niet geloven kon dat ze dat was. Zo stonden we een tijdje in elkaars ogen te kijken. Alles werd water.

Er woont hier niemand anders, zei ze. (Maar het was allemaal bijzaak geworden: Jos, de slagroomtaart, mijn missie, zij die geen bier dronken, zij die wel bier dronken. Ze hoorden tussen haakjes nu.) Misschien wilde ze eigenlijk zeggen: Ik zing vaak, omdat ik eenzaam ben.

Dit zijn de antwoorden, zei ik, en iets daarvoor schrapte ik mijn keel, omdat dit belangrijk was. Berkje keek me aan, alsof ik haar elk moment kussen zou. En misschien zou ik dat ook doen. Ik wist niet of het zou passen. En of dat dan anders was: een meisje kussen.

Misschien ben jij de eerste mens die alles zo goed kan horen, net zoals een hond. En misschien zing jij zodat mensen jou zouden kunnen horen, zelfs vanop die hoge berg. Al is het maar zodat zij, Jos en alle anderen, heel even zouden denken: O, dat is Berkje.

En ze knikte, en ze glimlachte. Als Berkje glimlachte dan kreeg ze de wangetjes van een hamster die net zes nootjes had verzameld. Ik dacht terug aan de waterput: Hier begint geschiedenis.

En alles trilt, zei ze. Alles trilt.

Wat ze niet bedoelde, was hoe smartphones trillen als er een bericht binnenkomt, bijvoorbeeld. Dat was het niet. Ik liet haar gezicht los. Ze stak haar armen in de lucht en tot nu toe kan ik je niet vertellen waarom ze dat precies deed, maar ze deed het. Op zich was het mooi hoe Berkje daar met omhooggestoken armen en rode wangen op de berg stond. Ze leek op iemand die net een marathon had gelopen zonder te zweten.

Ik wist dat wij ook trilden. Dat mijn hart klopte, maar vertaald op papier werd het een schokkende lijn die voor het menselijke oog exact hetzelfde was als een geluidstrilling. Op, neer, op, neer, op, neer. Ik beeldde me in dat liefde op zich niets meer was dan het geluidloos praten van twee harten tegen elkaar. (En toen Arend, hij hoort ook al tussen haakjes, nadat we twee uur lang bewegingloos naakt op een plaid hadden gelegen, verklaarde: Wij zitten echt op hetzelfde trillingsniveau. Toen begreep ik dat hij eigenlijk bedoelde: Ik zie je graag. Maar dat kreeg hij niet gezegd.) Toen kuste ik haar fijne, rozige lippen. Berkje sloot haar ogen.

Waarom sluiten mensen hun ogen tijdens het kussen?
Kussen met gesloten ogen is leuker.

Op de berg werd het donker. Berkje maakte thee. Ik vroeg haar of het nu echt stil was en ze zei dat het niet zo was. Er was nog geluid: de wind door het gras, het beekje verderop, zelfs de sterren. Ik vond het allemaal geweldig hoe zij sterren kon horen. Maar ik zei het haar niet. Ik dronk thee. Ik at blauwe bessen met kristalsuiker. Ik keek naar haar grote oorschelpen. Ik vond dat een mooi woord ‘oorschelp’. Ik dacht aan de zee. Aan alle keren dat ik er verloren gelopen was. Ik had nog duizenden andere dingen kunnen doen, maar enkel dit klopte. Zij woonde alleen op de berg, ze was eenzaam, ze had het gehoor van een hond, en alles trilde. Dit waren de antwoorden, wist ik. En misschien hield ik van haar, dat wist ik nog niet.

Over de auteur

Lies Gallez houdt niet van massaconsumptie, tankstationkoffie en slagroom. Ze behaalde haar master audiovisuele kunsten schrijven aan het RITCS. In 2014 won ze de publieksprijs van A.L. Snijdersprijs met haar zeer korte verhaal. Dit jaar won ze de Hendrik Prijs-prijs voor kortverhalen. Dagen vult ze het liefst met woorden bij elkaar sprokkelen op plekken waar bomen zijn. Haar verhalen publiceerde ze onder andere in Kluger Hans en Deus Ex Machina. Ze werkt aan een roman en een bundeling van haar kortverhalen.

Over de illustrator

Stefaan Van Hyfte (1983) of Stift is een illustrator en graphic novelist uit Brussel. Hij leverde satirisch illustratiewerk af voor het maandblad Goedele en tekende voor De Tijd en De Morgen. Voor een groteske tentoonstelling over André Van Duin animeerde hij de muren van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid in Hilversum. Ook wandelde hij een jaar langs de Duits-Poolse grens om in de Branderburgse natuur inspiratie te zoeken. Terug in zijn vertrouwde Brussel werkt hij aan een graphic novel in een bezwerende stijl van Goya tot Hokusai. stift-illustrator.blogspot.com

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

Uitwedstrijden

Door Marc Lochs

De voordeur van de kamer zwaait open. Lei steekt zijn dikkige lijf naar binnen en wandelt zwijgend naar de stoel naast de koelkast. Hij gaat zitten en zakt dan onderuit, benen gestrekt met de voeten over elkaar. Zijn doorgewinterde Superconfex-jas laat hij aan, het Colnago-wielrenwinterpetje met regenboogrekbandje blijft op zijn hoofd. Lei is mijn oom. […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper