Interview

Anne Giesen: zolderkamerschrijver en ontdekkingsreiziger

Door Elske Jacobs | beeld: Reinout Dijkstra
6 oktober 2018

‘Schrijven doe ik op gestolen momenten. Wanneer ik sta te koken of op de fiets zit, bedenk ik plotten, personages en mooie zinnen. Die schrijf ik op de achterkant van boodschappenlijstjes of typ ik uit tijdens onbelangrijke colleges.’ Anne Giesen is student Algemene Cultuurwetenschappen en fanatiek deelnemer aan schrijfwedstrijden. Ze mag zich winnaar noemen van Write Now! 2018, en verlaat op zaterdag 13 oktober haar vaste schrijfplek bij het raam om op te treden in Rotterdam tijdens Geen Daden Maar Woorden Festival.

Hoe was het om de finale van Write Now! te winnen?
‘Ik ging de finale in zonder verwachtingen of ambitie. Op het moment dat mijn naam werd genoemd, had ik geen enkele coherente gedachte. Ik voelde me tegelijk verwilderd en verstild. Het enige dat ik die avond echt registreerde was de trots van mijn aanwezige vrienden.

Sinds dat moment is de betekenis van mijn winst beetje bij beetje tot me doorgedrongen. Eerst waren er de mensen die me feliciteerden, op de hoogte van de gebeurtenissen zonder dat ik hen zelfs maar over de wedstrijd verteld had. Daarna kreeg ik e-mails over de inhoud van de prijs – een lijst die ik, ervan uitgaande dat de winst ver buiten mijn bereik was, nooit serieus had bekeken. En toen ik ten slotte aan het bureau van een geïnteresseerde uitgever zat, die me vertelde dat we de mogelijkheden met alle plezier in mijn tempo af kunnen tasten, besefte ik dat ik als volkomen onbekende amateurschrijver plots een heel andere positie had gekregen.’

Voel je sterk de druk om als jonge schrijver via wedstrijden of talententrajecten aan je zichtbaarheid te werken? 
‘Ik heb nooit de druk gevoeld om zichtbaar te zijn. Maar sinds mijn vijftiende (toen ik voor de eerste keer in de finale stond) doe ik ieder jaar trouw mee aan Write Now!, en ik heb sinds mijn veertiende jaarlijks gedichten ingestuurd naar Doe Maar Dicht Maar. Er was wel een vage drang om mezelf te legitimeren: als ik één keer per jaar publiek had voor mijn teksten, dan had ik een reden om de rest van het jaar lekker op mijn kamer te schrijven.

Nu ik gewonnen heb, voel ik de druk om zichtbaar te blijven sterker. Het voelt alsof ik moet handelen nu ik als ‘aanstormend talent’ bestempeld ben, anders ben ik over een jaar of twee misschien alweer vergeten. Ik wil me daardoor echter niet laten leiden. Als schrijver voel ik me nog jong en onervaren. Ik houd mezelf daarom voor dat een debutant van 25 of 30 nog steeds een ‘jonge schrijver’ is. Dat geeft mij tijd genoeg om mezelf te ontwikkelen. Ik wil graag mijn kansen aangrijpen en zie mijn winst als een aanmoediging, maar ik wil niets overhaasten.’

Hoe zou je jouw werk omschrijven? En waardoor laat je je inspireren?
‘Moeilijk; het voelt een beetje als een kaart tekenen van een stad waar je middenin staat. De sterkste drijvende kracht die ik kan aanwijzen (maar dit geldt waarschijnlijk voor de meeste schrijvers) is een verlangen naar begrip. Ik word vaak getroffen door hoe groot de wereld is, hoeveel meningen, mogelijkheden en waarheden er zijn: te complex voor één hoofd. Dus verdeel ik ze over personages met uiteenlopende visies.

Ondanks alles dat we fout doen, houd ik van mensen. Onze drijfveren, angsten, kleine en grote daden fascineren me, daarom probeer ik mijn personages met begrip en affectie te benaderen. Misschien is dat ook de reden dat ik het liefst schrijf op plekken met uitzicht, waar ik herinnerd word aan de afmetingen van de wereld en de veelheid van het leven daarin. Ik wil een goed verhaal vertellen, maar ik wil ook onderzoeken, aftasten en sta altijd open voor inspiratie. Of ze nu voortkomt uit films of muziek, fragmenten van gesprekken, objecten in musea, een windvlaag, een geur: ik kan nooit definiëren waarom het een me treft en het ander niet.’ 

Heb je onlangs nog iets gelezen dat je diep raakte?
‘Een indrukwekkende roman die ik onlangs las is De vogels van Tarjei Vesaas. Eenvoudig en helder geschreven; er lijkt er een diep begrip en empathie in de regels te schuilen. Het boek vertelt over het dagelijks leven van de verstandelijk beperkte Mattis, en is beschreven vanuit diens eigen beleving. Ik weet niet waar Vesaas deze weergave op gebaseerd heeft, maar de tekst voelde overtuigend. Door grote maar ongedefinieerde betekenis te hechten aan schijnbaar willekeurige gebeurtenissen of woorden, werd de verwarring van Mattis invoelbaar.’

De jury van Write Now! noemde je een knappe verteller met een origineel taalgevoel. In het juryrapport staat: ‘De schrijver schetst een overtuigend universum waarin de emotie nooit wordt uitgemolken, maar tussen de regels zit.’
‘Grappig genoeg heb ik van nature een sterke neiging tot het schrijven van melodramatische verhalen. Ik ben me hiervan bewust, dus zoek ik manieren om bij het theatrale uit de buurt te blijven. Zo besefte ik onlangs dat het schrijven vanuit een kind misschien zo’n manier is. De kinderen waarover ik schrijf worstelen bijna altijd met aspecten van de ‘volwassen wereld’ die zij wel zien of voelen, maar niet begrijpen. Emotie wordt hierdoor een kwestie van gebaren, houdingen, stemgeluid. Het wordt indirect.

Ik ben bewust bezig met het uitbreiden van mijn kennis over schrijven, mede door uiteenlopende boeken te lezen. Die boeken analyseer ik; ik kijk de truc met overgave af. Met de kennis die ik opdoe, probeer ik te spelen, zonder mijn eigen toon te verliezen. Maar het is een dunne grens tussen keuze en intuïtie, en ik kan vaak pas achteraf het verschil tussen die twee zien.’

Wat was nu echt een leerzaam moment voor je?
‘Als puber schaamde ik me lange tijd voor mijn liefde voor schrijven. Ik kende niemand van mijn leeftijd die daar interesse in had, en was me zelf ook nooit helemaal bewust van de schrijvers achter die romans, zoals je kunt e-mailen met mensen zonder je te realiseren dat ze lachen, eten, ademen aan de andere kant van het scherm.

Toen las ik De boekendief van Markus Zusak. De roman vertelt over het belang van boeken en verhalen. Tijdens het lezen begreep ik opeens dat deze Zusak, een naam op een kaft, net zo echt was als ik. En hij voelde dezelfde passie; het sijpelde praktisch uit de pagina’s. Dit besef was natuurlijk geen directe omslag, maar dit was de eerste keer dat mijn toewijding gelegitimeerd voelde.’

Wat is je toekomstdroom op schrijfgebied?
‘Ik heb eigenlijk nog geen concrete dromen op schrijfgebied. Ik wil mezelf vooral ontwikkelen, beter en zelfverzekerder worden. Uiteindelijk wil ik een roman publiceren, het liefst gevolgd door een tweede en een derde. Ik hoop vooral dat ik iets kan maken waar ik trots op ben en dat voelt als een verhaal dat alleen ik kon vertellen.

Maar ik richt me op meerdere genres en stijlen en weet nog niet waarop ik me het liefst wil toeleggen. Ik heb dan ook geen vastomlijnde wensen voor een publiek dat ik aan wil spreken, ook omdat ik eenvoudigweg weinig behoefte heb aan publiek. Ik schrijf alsof ik op ontdekkingsreis ga, om nieuwe ideeën te testen en werelden en personages te ontdekken. Daarnaast geniet ik van de volgorde van woorden, de klank van taal. Ik wil graag een goede schrijver zijn, en ben me bewust van het belang van feedback. Ik heb me daarom voorgenomen daar meer om te vragen. Maar hoezeer ik ook werk voor een mooi resultaat, het plezier zit voor mij hoofdzakelijk in het schrijfproces.’

Hoe ga je je voorbereiden op je optreden? En is optreden een noodzakelijk kwaad, of is de performance even belangrijk als het schrijfproces?
‘Ik denk dat ik al voorbereid ben. Wanneer ik schrijf, lees ik vaak mijn tekst aan mezelf voor. Op die manier hoor ik of de zinnen goed klinken, of alles logisch in elkaar zit.

Ik zie optreden niet (meer) als een kwaad. Zolang ik zeker ben van wat ik ga doen, vind ik het zelfs leuk. De mogelijkheid om op een zeer directe manier te delen wat ik gemaakt heb, zonder achter een scherm op reactie te wachten, spreekt me aan. Bovendien deel ik graag mijn teksten met het ritme dat ze hebben in mijn hoofd. 

Toch is optreden ook nooit meer dan een afterthought. Hoewel ik mijn teksten een aangename klank probeer te geven, nemen ze meestal de vorm aan van langere stukken proza met veel dialoog. Dat is eenvoudiger te lezen dan voor te dragen. Slechts sporadisch schrijf ik poëzie, wat wel voor optredens geschikt is. Optreden zal, denk ik, altijd iets blijven dat na het schrijven komt, waarbij de vorm van de tekst de voordracht bepaalt, en niet andersom.’

Fragment uit De rest zijn wij.

‘Wij geloven niet in toeval,’ vertelde mijn vader mij op zondagochtend. De hoge ramen van de kerk bestrooiden ons met gesuikerd licht. Groen, blauw en rood bevlekten zijn gezicht, alsof iemand buiten de lijntjes van zijn rimpels had gekleurd.
‘Waar geloven wij dan in?’ vroeg ik.
Ik wist niet zeker wie ‘wij’ waren: de mensen in de kerk, mijn vader en ik, of hij alleen in een gewichtig meervoud. De koningin sprak tenslotte over ‘wij’. Mijn vader, met zijn vest en zijn hoed en het zilveren zakhorloge, deed voor haar niet onder.
‘Wij geloven in God,’ zei mijn vader. ‘En God heeft een plan. Daar passen wij in. Als radertjes.’
Hij hield me het horloge voor, glanzend opgepoetst en met krullen rond de cijfers. De mis was nog niet begonnen. Mijn vader praatte zacht. ‘Je begrijpt misschien niet hoe het werkt, maar iedereen is nodig. De wijzers kunnen niet draaien zonder onze kleine handen.’
‘Ben ik ook een radertje?’ vroeg ik.
‘Jij ook.’
‘En de buik?’
De buik was van mijn moeder: hij was bol als de vakensblazen waar de dienstmeid ballen mee maakte. De buik zou een baby worden en daarna een mens.
‘Ook de buik,’ zei mijn vader.
Ik knikte. Ik was vijf en wist niet veel. Niet van God en niet van buiken en niet van wijzers. Maar iets wist ik wel. Ik wist dat er zaken zijn die niemand uit kan leggen. Die dingen bewaarde ik in een laatje in mijn hoofd, dat ik speciaal met fluweel had bekleed. Ze wachtten en werden niet ouder, zodat ik ze na een tijdje zou inhalen, en begrijpen.
Dat hoopte ik in elk geval.
Mijn vader draaide zich naar altaar. Het horloge verdween in zijn zak.

Toen mijn zusje werd geboren, huilde mijn moeder. De hond werd krankzinnig van het geluid en kroop jankend onder de tafel. Mijn vader beende voor de gesloten deur op en neer. Ik zat naast de dienstmeid bij de haard en probeerde niet angstig te kijken.
‘Ben je bang?’ vroeg ze.
De dienstmeid verborg een oog. Het moest onder haar opgestoken haar zijn, of in de palmen van haar handen. Ze zag het wanneer ik een koekje uit de keuken nam of snoepte van de honing en ze zag het wanneer ik ‘s avonds in mijn land van dekens had liggen lezen, zelfs als ze om zeven uur naar huis was gegaan.
‘Een beetje,’ zei ik.
Van boven klonk een kreet. De hond verborg zijn staart tussen zijn poten. De dienstmeid lachte.
‘Is dat grappig?’ vroeg ik.
Ze streek over haar mond, veegde de lach als kruimels van haar lippen. Er bleef wat hangen in de hoekjes. ‘Ja,’ zei ze. ‘Dat is grappig. Alle mensen worden geboren en gaan dood. En toch denken we dat de hemel barst wanneer het onze beurt is.’
De dienstmeid lachte tot mijn zusje er was. Toen hield ze op.

Mijn vader wilde mijn zusje geen naam geven. Mijn moeder wilde haar Hilde noemen. Dus werd het Hilde. Hilde ging niet mee naar de kerk. Eerst bleef ze thuis in de armen van de dienstmeid. Ze werd stevig in lappen gewikkeld. Ze mocht niet te dicht bij het vuur komen. Later hing ze aan de rokken van onze moeder.
Wanneer we vertrokken, werden haar vingertjes losgehaakt. De dienstmeid drukte een pop in haar armen. De deur sloten we stevig achter ons. Het had de poort van een fort kunnen zijn.
‘Is Hilde geen radertje?’ vroeg ik mijn vader.
‘Hilde is een straf,’ zei mijn vader. Ik stopte de woorden in mijn la.

Hilde had rode ogen. Ze kon ermee zien, maar niet zo goed als ik.
‘Kijk daar!’ fluisterde ik.
We zaten op onze knieën achter een braamstruik. De takken waren in goud gedoopt. Zand kriebelde onder mijn kleding. Hilde’s enorme hoed tekende schaduwen op haar wangen; ze verschoven met de paardenbloempluimen van wolken.
‘Waar?’ fluisterde ze terug.
Ik wees. Aan het eind van mijn vinger hupte een konijn. Het wit van de staart verraadde hem, één razendsnelle flits per sprong. ‘Waar?’ fluisterde Hilde opnieuw.
Ze kroop dichterbij. Een tak kraakte onder haar gewicht. Onmiddellijk schoot het konijn weg. Het liet een lege plek achter: zwijgend gras en onbuigzame madeliefjes.
Hitte klom op in mijn hals. Ik wendde me tot Hilde, maar de taal verdwaalde voor ik iets kon zeggen. Ze zat in elkaar gedoken, haar rode ogen dicht en haar handen omhoog. Ik had geen idee wie haar zoveel schrik had geleerd.
Ik zei: ‘Hij komt wel terug.’
‘Echt?’
‘Echt.’
Lees hier het hele verhaal.

Lees meer van

17/4: De Arbeider

Door Elske Jacobs

De Optimist presenteert: De Arbeider Thema-avond poëzie in De Nieuwe Liefde, Amsterdam 17 april, 20.00 Facebook-evenement Tickets Gloeien je oren nog van onze eerste voyeuristische thema-avond afgelopen maand? Op 17 april is De Optimist terug in De Nieuwe Liefde en dit keer laten we de arbeider aan het woord! De literaire hoekstenen van onze samenleving komen samen […]

Lees meer uit de categorie Interview

Kunst & Kasboek: Lukas van den Vrande

Door Saar Francken

Kunst maken én geld verdienen, hoe doe je dat? Saar Francken interviewt verschillende kunstenaars die op creatieve manieren financiering vinden om hun kunst te kunnen maken. Ditmaal op bezoek bij Lukas van den Vrande, een kunstenaar die door maar liefst 75 beschermheren en –vrouwen gesteund wordt. Op de fiets naar Lukas in de Kauwgomballenfabriek. Ik […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper