Interview Kort verhaal Proza

Wat je doet als je alleen bent

Door Mariken Heitman | beeld: Martien Bos
17 november 2018

De Optimist bestaat 10 jaar en dat vieren we de hele maand door met allerlei bijzondere publicaties. Een ervan is onderstaande: niet alleen volgt hier het schitterende kortverhaal Wat je doet als je alleen bent, Mariken Heitman was tevens bereid mee te werken aan een klein tweegesprek over het redactieproces. Want hoe gaat dat eigenlijk in zijn werk, publiceren bij De Optimist?
(Het verhaal volgt na het interview.)

Mariken Heitman: Ik vind het altijd onwijs spannend om iets in te sturen. Voor mij is het verhaal van belang, ik geef er iets mee bloot, maar je weet nooit zeker of de boodschap overkomt zoals je hem min of meer bedoeld hebt. Gelukkig was dat het geval!

Marijn Hogenkamp: De meeste kopij krijgen wij gewoon via de mail binnen. Eens per maand bespreken we met de redactie al deze stukken. Bij Mariken ging dit anders. Haar kende ik al via Atlas Contact, waar haar debuutroman verschijnt. Ik wist dus dat ze goed kon schrijven en nodigde haar uit iets op te sturen. Zij liet mij dit verhaal lezen en ik heb het aan een andere redacteur voorgelegd – die was het gelukkig met me eens: dit verhaal is teder en intrigerend, zeer geschikt voor De Optimist. Wat overigens niet betekende dat er niets meer gedaan hoefde te worden!

Mariken: In eerste instantie schreef ik het verhaal in de je-vorm, dat was een experiment. Ik wilde de lezer direct aanspreken, ‘je’ leek me directer dan ‘ik’. De lezer neemt daardoor ineens actief deel aan het verhaal. Maar wie is dan de verteller, vroeg de redactie. Daar had ik geen antwoord op.

Marijn: Wat ik zoek tijdens een feedbackronde, is de bevestiging van de keuze: heb je hier goed over nagedacht, weet je waarom je iets doet? Tweede persoon enkelvoud kan een prachtig perspectief opleveren, zoals Mariken al aangeeft raak je als lezer direct betrokken, maar het is ook moeilijk en riskant. Wat weet de ‘je’ die wordt aangesproken al en wat niet, hoe verhoudt deze aangesproken figuur zich tot de verteller? In een volgende versie liet ze deze vertelvorm los en werd het verhaal krachtiger.

Mariken: Uiteindelijk wil je als schrijver dat het verhaal zoveel mogelijk overkomt zoals je het bedoeld hebt en redacteuren helpen daarbij door op de zwakke plekken te wijzen. Natuurlijk schuurt dat soms wel. Hoezo verwarrend, denk ik dan bijvoorbeeld, heb je het wel echt goed gelezen? Maar aan een ego heb je niet zoveel als je een goed stuk wil schrijven dat ook nog eens gelezen en begrepen moet worden. Dus dan pas ik sommige van de feedback toch toe en blijkt het er bijna altijd beter op te worden. De afweging poot stijf houden of meebewegen blijft een lastige.

Marijn: Het leukste van dit werk, voor mij, is wanneer ik ongelijk krijg. Klinkt dramatisch maar ik bedoel niets meer dan wanneer de auteur laat zien dat het zus of zo moet omdat erover nagedacht is. De redactie van De Optimist heeft als doel steeds weer vragen te stellen: was dit – dit beeld of dit perspectief, deze zijweg of deze plottwist – je bedoeling en komt dat goed over op de lezer? Soms is dat verwarrend, we werken met meerdere mensen en dus krijg je als schrijvers soms meerdere smaken feedback terug. Mariken kon voor zichzelf goed bedenken waarin ze mee wilde gaan en waarin niet.

Mariken: Wanneer de feedback van meerdere redacteuren overeen komt (tijdsverloop), is dat een duidelijk teken aan de wand. Wanneer de feedback (deels) tegenstrijdig of niet overeenkomstig is, leer ik daar als schrijver veel van. Dat redacteuren ook maar mensen zijn, bijvoorbeeld, met een bepaalde smaak/voorkeur. Ik hoef niet overal in mee te gaan, niet iedereen hoeft het met ieder woord eens te zijn. Tegenstrijdige feedback kan ik daardoor veel makkelijker naast me neerleggen.

Marijn: Terwijl Mariken bezig was met het verwerken van de laatste dingen – we sluiten af met een ronde eindredactie om de laatste taal-, woord- en interpunctiezaken uit de tekst te pluizen – vroeg ik een illustratie aan. Als een inzending bijna klaar is voor publicatie en er dus geen grote inhoudelijke wijzigingen meer volgen, wordt deze voorgelegd aan de beeldredactie. Van daaruit wordt vervolgens een illustrator gezocht en gevraagd. Dit keer echter had ik een grote voorkeur voor Martien Bos, onze beeldman, zelf. Als je het beeld ziet, begrijp je wel waarom!

Mariken: Geweldig en ontroerend, de illustratie! Heel leuk en eervol om verbeeld te zien wat de illustrator uit mijn tekst heeft gedistilleerd. Ik kan me er volledig in vinden.

Marijn: Het verhaal dat nu op de Optimist staat, is wat mij betreft een mooie inkijk in Marikens kunnen. Januari 2019 verschijnt haar debuutroman, De wateraap. Een voorpublicatie is dit niet, maar alles wat Mariken zo’n boeiende schrijver maakt, haar stijl en stem en blik, zit al in Wat  je doet als je alleen bent. Daar mag ze trots op zijn – dat zijn wij ook!

Mariken: Een verhaal loslaten is ingewikkeld. Als ik totaal tevreden zou zijn, zou ik misschien niet meer hoeven te schrijven en ik schrijf zo graag. In zekere zin hoop ik nog heel lang net niet tevreden genoeg te zijn. Los daarvan ben ik op dit moment tevreden over het eindresultaat en is het verhaal bovendien een stuk beter dan de allereerste versie. Dank jullie wel, redacteuren!

(Verhaal volgt na beeld!)

Wat je doet als je alleen bent

Gisteren was er nog geen gat, wel potentie. Er is altijd potentie voor een gat, een hoopvolle gedachte. Geknield schat ik de diepte. Het was niet mijn idee om hier te komen. Mijn leidinggevende had erop aangedrongen. Het is zíjn vakantiehuisje, zijn grasveld. Zijn gat, al heeft hij daar nog geen weet van.

Bij aankomst had ik een paar keer om het vakantiehuisje gelopen en uiteindelijk vastgesteld dat een voordeur ontbrak. De woonkamer was voor de helft gevuld met een vale hoekbank die er al een heel leven – met anderen, ergens anders – op had zitten. Op het raam waren de schaduwen van zwaluwen geplakt die moesten voorkomen dat duiven of merels zich te pletter zouden vliegen. De tuin, een grasveld met wat struiken en een enkele boom, onderhield zichzelf, al vond ik het gras wat aan de lange kant.
   Ik besloot het te maaien, liet de grasmaaier ratelen als een tevreden dier dat grassprietjes strooide. Tot hij vastliep. Ik trok. Geen beweging. Er walmde iets gemeens uit mijn binnenste omhoog. Ik vloekte zonder spaties, duwde nog harder en voelde een verse blaar aan de binnenkant van mijn hand openscheuren. De trommel was vastgelopen op een dikke nylondraad die uit het gazon stak. Een draad was nooit alleen een draad, die verbond het één met het ander, zat ergens aan vast.
   Met een mes sneed ik de grasmaaier los. Een eindje draad van zo’n tien centimeter lang stak uit de grond. Ik trok, er gebeurde niets. Het slappe ding wilde wel buigen, maar daar had ik niets aan. Ik wilde niet dat de dingen meegaven, dat ze eindeloos meeveerden als bamboe, ik wilde dat ze blokkeerden, hard waren, als een muur, en dat ik ze desondanks zou breken. Ik verlangde naar weerstand en hakte in op de stugge graszode, groef emelten op: kleurloze halfwassen wezens. Ik ontblootte nog meer aarde en trok af en toe aan de draad, die nooit losliet. De aarde kruide ik naar de rand van de tuin, daar zou ik een wal opwerpen. De draad werd langer, ik deed mijn jas uit en later mijn trui. Er was geen reden om verder te graven.
   De draad liep in een rechte lijn naar het dunne bos. Ik groef de greppel vierkant. Dit was geen oefening in zelfkastijding, ik ging hier niet mijn eigen graf graven.
   In gedachte voerde ik gesprekken met mijn leidinggevende. Misschien wil jij wel een vijver, zei ik. Iedereen wilde een vijver en omdat hij bovendien niets terug zei, groef ik voort en negeerde de blaren. Wondvocht maakte de steel van de schop glibberig. Ik stak randen af en haalde een bats uit de schuur om losse aarde makkelijker af te voeren.
   Er was een moment dat ik om me heen keek en voelde hoe niets terugkeek. In deze staat zag ik het gat en ik realiseerde me dat ik iets vernielde, en hoe goed dat voelde.
   Aarde plofte in de kruiwagen en ik vervolgde het denkbeeldige gesprek met mijn leidinggevende. Ik zei: ze was al dood, toen. En nee, dit deed ik niet vaker. Laat me met rust. Volgende week, als ik ontslag nam, zou ik precies zeggen hoe het zat. Hoe mensonterend, dieronvriendelijk. Schijnheilig, dat ook. Ik stelde me voor hoe kalm en afgewogen ik alles uiteen zou zetten. Nog steeds zei hij niets terug, mijn zinnen hoopten zich op, klonterden samen als kalkafzettingen in een kransslagader.
   Aan het eind van de middag reed ik met een laatste lege kruiwagen terug naar het gat. De geur van naakte aarde had die van aap eindelijk verdrongen. Iedere ochtend had ik apenpoep van de muren gespoten. In het gesticht doen ze dat ook, daar smeren de mensen ook hun eigen uitwerpselen tegen de muur. Sommige muren nodigen daar kennelijk toe uit. Dat soort dingen miste ik niet.
   Slap en schuldig boog de lange draad naar beneden.

In bed dacht ik niet aan mijn vrouw maar aan Maya.

In de keuken haalde ik een vegetarische rondo uit zijn verpakking en legde het kille ding in een hete koekenpan. Mijn leidinggevende had het woord ‘burn-out’ gebruikt. De draad had vooralsnog geen einde. Het twijfelen begon.
   In bed dacht ik niet aan mijn vrouw maar aan Maya. Vlak voordat ik in slaap viel, dacht ik altijd aan haar en de anderen. Hoe ze nesten van stro maakten, elkaar opzochten, moeders bij dochters en kleinkinderen. Vaak genoeg had ik er op een stretcher naast gelegen als er eentje ziek was of ging bevallen, tussen ons niets meer dan tralies. Dan keek ik naar de gebaren, de donkere ogen, de zwarte ruggen en luisterde ik naar de geluiden die ze maakten, fluisterend bijna. Op hun zij, de knieën opgetrokken en de armen naar binnen gevouwen – zo vielen ze in slaap. Ik sliep nooit.
   Ook vannacht lag ik wakker. Alles wat ik overdag niet dacht, drong zich in veelvoud aan me op. Dus dacht ik alsnog aan mijn vrouw en aan welke woorden ik zou gebruiken, maar ik kwam niet verder dan haar verbaasde blik. Ik zag de halve maanvormige mond voor me, waarvan de uiteinden naar beneden hingen. Zo vond ik haar op een gibbon lijken. Het werd een kort gesprek, ze zei niets terug.
   Ik woelde.
   In de ochtend zijn de dieren van zichzelf. In de ochtend is iedereen van zichzelf. Ook ik.

Mijn knieën worden nat van het gras. De draad hangt er nog net zo bij als gisteren, hij steekt als een visgraat uit een veel te diepe, rommelige mond. Op de bodem scharrelt een egel, hij zal er vannacht in gesukkeld zijn. De egel veinst onzichtbaarheid. Hij krabbelt aan een wand en zakt terug op vier poten. Als een Citroën rijst hij iets omhoog, waggelt dan naar een andere hoek. Daar wordt het verstrooide krabbelen voortgezet. De onderkant van een zwartleren voetje wordt zichtbaar. Dat voetje, daar kan ik wel om huilen. De egel stopt met krabbelen. Hij wacht. Het gat is nog helemaal niet af maar zo kan ik niet verder graven. Ik stap erin en ga in de verste hoek zitten. De egel gromt en snuift, rolt zich uiteindelijk op.

Het was nooit de bedoeling geweest dat ze me bij Maya vonden. Grensoverschrijdend of onprofessioneel, zoiets had mijn leidinggevende gezegd, het woord ‘overplaatsing’ was ook gevallen.
   Dat is wat dierentuinen doen: onder het mom van internationale fokprogramma’s worden dieren gesedeerd en in kisten van geperst hout de wereld over gevlogen. Dat schreef het verdienmodel voor. De mensen kwamen voor jonge dieren, families met een alfamannetje en een bescheiden harem. Er zat een wrange logica in dat het nu mijn beurt was: van de chimpansees naar de stokstaartjes. Of erger.
   Als een klein kind had ik me laten toespreken door mijn leidinggevende. Was ik levensmoe geweest? Was ik vergeten met welk gemak een, notabene gewonde, chimpansee een mens kon toetakelen? Chimpansees waren anderhalf keer zo sterk, lepelde hij de tekst van het infobord op. Anderhalf, hij herhaalde het woord in afzonderlijke lettergrepen. Ik had iets moeten doen. Waarom had ik niet gebeld.
   Mijn vrouw vertelde ik het de volgende dag pas. We deden een NS-wandeling en ik keek naar de ritsjes op haar wandelbroek terwijl ik sprak. Zoiets was met olifanten natuurlijk ondenkbaar, zei ze. Zij werkte al veertien jaar met die dieren. Dat was van een heel ander kaliber. Het had haar een goed idee geleken als ik er een paar dagen tussenuit ging. Dan kon ik de dingen op een rij zetten. Voor mij hoefde de dingen niet op een rij.

Dieren waren geen mensen, nee, maar Maya en ik kenden elkaar al elf jaar. Zij was anders dan de andere apen. Ze zag me altijd als eerste, ook als ik alleen maar langsliep. Als ik eerder klaar was met voeren, kwam ze soms bij me zitten, dik glas of tralies tussen ons in, haar onderkaak ontspannen en de mond een beetje open.
   Soms stak ik haar iets extra’s toe. Dan sloten haar vingers zich om de wortel en in een vloeiende beweging trok ze het ding naar zich toe. Ze beet er een stuk af terwijl ze door me heen keek. Met haar dunne lippen bewoog ze het stuk van links naar rechts, waarna het in haar mond verdween. Ze kauwde en wiegde met haar bovenlijf en veegde met de rug van haar hand over haar mond en daarna over haar neus, liet daar een stukje wortel achter.
   Een paar weken geleden had ze zomaar een zwarte vinger op de mijne gelegd.

In een gat zijn de randen van het bestaan dichtbij. In deze zittende houding is het gat dieper dan ik lang ben. Het beeld van de wereld is een uitsnede van de hemel, een veeg bos, rafelige randen van aarde. Even overweeg ik een paar handschoenen uit de schuur te pakken. Niet alleen vanwege de stekels, maar omdat egels misschien bijten.
   ‘Denk jij dat slakken kerkhoven hebben, net zoals olifanten? Dat ze daarheen gaan als ze voelen dat het einde nadert? Een slakkenkerkhof?’ Ik heb het weleens gezien namelijk, meerdere lege slakkenhuizen bij elkaar, rommelig in een hoek van de tuin, de tekening op de kalk verschoten van kleur. ‘Jij eet slakken. Ik dacht, jij zult dit soort dingen wel weten.’
   De grond voelt vochtig onder mijn billen, toch blijf ik zitten waar ik zit, net als de egel, opgekruld als een slak in zijn huisje. Ik vraag me af of ik degene moet zijn die dit domme dier gaat redden, of ik nu slakken en kevers moet zoeken. Kan niet, mijn armen zijn zwaar van gisteren. Bovendien hebben ze me op non-actief gesteld omdat ik niets deed. Dat moet ik niet vergeten.
   Ooit vond ik aan zee het uitgeteerde lijf van een meeuw, op een bed van vuil sop. Zonder ogen, zonder organen, alleen nog de naamloze huls. De gehavende veren bewogen in de wind.
   Begint het te regenen? De egel draait strakker in zijn schulp. Hij zal wel vlooien of teken hebben, dat hebben wilde dieren. We kunnen maar beter in onze eigen hoek blijven.

Twee dode aapjes had Maya al gebaard. Ik herinner me de te grote hoofdjes op dunne nekjes, de bloedeloze handjes, het rimpelige vel. Daarom stond ze op de lijst. Het enige wat ze hoefde te doen, was een levend aapje baren. Ook dit jong lag bewegingsloos in het stro. Maya tilde het op, hield het lijfje met de slappe ledematen in haar armen. Ze stootte zachte geluiden uit waar niemand op antwoordde, liep heen en weer en begon het lijkje aan een voet achter zich aan te slepen. Haar ogen ketsten door de ruimte. De betonnen vloer werd roder, ze stopte niet met bloeden. De dierenarts praatte hard, gooide plastic verpakkingen op de grond en schoot het pijltje af. Een langgerekte krijs.
   Ik kromp in elkaar.
   Maya gleed slap op de grond, haar handen met de palm naar boven opengevouwen, de vingers gekromd. Iemand kreunde. Ze sleepten haar aan armen en benen op een brancard, het zag eruit als jonassen.

Hier zit ik, in een gat in de grond dat zich met regen zal vullen. We worden een vijver. Met mij komt het wel goed, maar het lijkt me onwaarschijnlijk dat egels kunnen zwemmen. Hij zal zwellen als een spons of indrogen als een meeuw. Het was ook de bedoeling om hier alleen te zijn. Dan pak ik toch het aardappelschilmesje uit mijn broekzak en begin ermee in een wand te wrikken. Wormen, die eet hij vast. Wormen zijn het manna van de binnenaarde.
   Wat ik al niet moet doen om kernachtig te worden.

Iedereen was al naar huis toen ik het apenlijkje uit de vriezer haalde. Ik dacht aan mijn vrouw, die ik eigenlijk moest bellen, maar die waarschijnlijk iets zou zeggen over beleid. Dat ik dat toch wist? Ik dacht aan mijn leidinggevende, die had gezegd dat we geen kinderboerderij waren of een zielige-apenopvang. Als Maya geen levende jongen kon baren was het einde verhaal. Overplaatsing naar Portugal. Alleen achteraf en in gedachten sprak ik de juiste woorden. Maar dan sprak er niemand terug.
   Het lijfje was al stijf. Ik ritste de zak open. Kleine ijskristallen zaten in de zwarte vacht, de armpjes lagen als twee potloden gekruist op het buikje, waar de navelstreng nog aan zat. De oogleden, die nooit open gingen, hadden korte wimpers en waren doorzichtig blauw. Zo vroom, het was een oud beeld dat ik herkende. 

Het is het vuilroze van wormenhuid, dat weerloos blote, daar gruw ik van. Ze móeten zich wel in de aarde verstoppen. Ik houd er eentje tussen duim en wijsvinger. Een kleintje. Dan tijger ik over de modderige bodem naar de egel en leg de worm daar waar ik zijn snuit verwacht als hij zich zou ontrollen. Terug in mijn eigen hoek sla ik mijn armen om mijn benen. Ik raak doorweekt.

Maya lag op een dikke laag stro. Ze hoorde bij te komen van de operatie en de narcose, maar haar benen lagen te nonchalant over elkaar. Ik maakte mezelf wijs dat ze nog ademde, maar eigenlijk had ik dat zachte bewegen gedurende de avond steeds meer zien afnemen.
   Ik stapte het nachtverblijf in en legde het bevroren jong tegen haar buik, keek naar haar gezicht met het sluike, zwarte haar en de uitstaande oren, de romp die niet bewoog. Ik had iemand moeten bellen, de dierenarts of een collega, maar ik fluisterde haar naam. Een paar keer, steeds iets luider.
   Er viel iets binnenin me, lang en traag.
   Maya, zei ik, en nog een keer. Een hand, mijn hand, op haar lauwe schouder. Ik vouwde haar arm om het jong, fluisterde dat alles goed zou komen. Dat ze gewoon, allebei, hier konden blijven. Ik ging zitten en streelde haar rug, schoof naar achteren en ging liggen. Het stro prikte in mijn wang. Op mijn zij, de knieën opgetrokken, armen naar binnen gevouwen, zei ik dat alles goed kwam. Nu kwam alles goed.

Als het regent, hoor je alleen het vallen van druppels. Ze vallen loodrecht, de wanden blijven op deze manier droog. De aarde is een koudbloedig dier, mijn ene hand ligt tegen een wand, met mijn andere houd ik de draad vast. Ik ben het einde. Ik heb te doen met de egel. Er is niemand die ons zal komen redden.

Over de auteur

Mariken Heitman (1983) is bioloog en docent op een middelbare landbouwschool. Zij publiceerde eerder fictie op deFusie en in januari 2019 verschijnt haar debuutroman, De Wateraap, bij uitgeverij Atlas Contact.

Over de illustrator

Martien Bos is naast freelance tekstschrijver ook illustrator voor diverse tijdschriften, kranten en uitgeverijen in binnen- en buitenland. Hij tekende onder andere voor De Optimist, NRC Handelsblad, VPRO, De Standaard, uitgeverij Boom en Athenaeum–Polak & Van Gennep. Zie martienbos.com.

Lees meer uit de categorie Interview Kort verhaal Proza

De Nieuwe Lichting: Christiaan Lomans

Door Christiaan Lomans

De Optimist vroeg de nieuwe lichting afgestudeerden van schrijfopleidingen in Nederland en Vlaanderen om hun eindwerk in te sturen. In DE NIEUWE LICHTING presenteren wij fragmenten uit dat werk en stellen wij de schrijvers van de toekomst voor. Op deze zonnige herfstdag stellen wij aan u voor: Christiaan Lomans, pas afgestudeerd aan Creative Writing Artez. Hoe ben je […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper