Proza

Voorpublicatie uit ‘Uiterste dagen’ van Ferdinand Lankamp

Door Ferdinand Lankamp | beeld: Martien Bos
20 februari 2019

Lente dus. Edvard Haga kent de allereerste voorbode: de dagen die gaan lengen. Het zal niet lang meer duren tot de sneeuw op de daken van de boerderij, de stallen en de schuren, en op de takken van de bomen aan de oostkant van de weg, hoorbaar begint te schuiven, om eerst in druppels, dan in klonten naar de aarde te vallen. De sneeuwmantel, die het land al sinds oktober bedekt, zal in de zon langzaam gaan smelten en in die eerste nachten misschien nog bevriezen tot een ruwe ijslaag die de boeren ’s ochtends dwingt voorzichtig hun paarden te mennen. Later, als de nachtvorst is verdwenen en ook de laatste sneeuwresten zijn weggezonken, zullen in de zompige bodem paarse leverbloempjes verschijnen en zal in de hoogte een vlucht ganzen overvliegen, op zoek naar goede broedplaatsen. Voor het zover is gaan er nog weken voorbij, maanden misschien zelfs, maar de belofte van dat alles ligt al besloten in die langere dagen.
   Na die eerste voorbode volgt een tweede: de berekeningen die Edvard op zijn vingertoppen begint te maken. Hoeveel voorraden heeft hij nog over? Hoeveel man zal hij nodig hebben voor het zaaien? Hoeveel stuks vee hebben de winter niet overleefd? Zal hij ze dit jaar laten dekken, zo ja, bij wie kan hij dan goede en betaalbare hengsten en stieren vinden?
   Het mompelen, het staren naar zijn vingers begint meestal onverwachts en het duurt even voordat hij zich ervan bewust is. Dit jaar merkt hij het op een maandagmorgen, als hij de kar met melkbussen over de korte laan richting de hoofdweg trekt. Hij plaatst de zolen van zijn laarzen zo in de sneeuw dat hij niet onderuitgaat, de hakken eerst. Intussen kijkt hij richting een van de bijgebouwen, de stuga, waar de werklui soms al vanaf de lente en vaak tot diep in de nazomer overnachten. Denkend aan die mannen begint hij een schatting te maken van de hoeveelheid geld in kas, van de oppervlakte van de bezaaibare grond en de ligging ervan ten opzichte van de wegen en de paden die hij kan gebruiken.
   Zeven hectare van zijn grond gebruikt hij als wei- en hooiland, vier hectare laat hij begroeid met berken en sparren, en in totaal gaat iets meer dan één hectare op aan de hoeve, de bijgebouwen, het aardappelveld en het moestuintje waar Elsa in de winter en de lente bezig is. Het restant, bijna zestien hectare, is akkerland. De weg deelt zijn grond in tweeën. Aan de westkant liggen de akkers, de weilanden en de grote graanloods; aan de oostkant ligt al het andere, ook de boerderij zelf, die hij op een wat hoger stuk grond heeft laten bouwen. Hij heeft recht van overpad op de laan van boer Holmgård in het noordwesten, al maakt hij daar, omdat die hoek weiland is, slechts bij hoge uitzondering gebruik van. Hij zou zo graag recht van overpad hebben op het laantje dat even ten zuiden van zijn grond van de weg aftakt en daarvandaan, over de grond van boer Degerholm, helemaal naar het dorp Vikby in het westen loopt, waar Elsa’s ouders wonen. Dat laantje ligt maar twintig meter bij Edvards akkers vandaan en verkeert altijd in uitstekende staat. Zonde, eigenlijk, dat het niet openbaar is. Hij zal ook dit voorjaar weer het smallere onverharde paadje moeten gebruiken dat de grens vormt tussen zijn grond en die van Degerholm; hij zal de werklui weer naar dat goede laantje zien kijken, hij zal haast kunnen zien dat ze zich afvragen waarom herr Haga niet heeft geregeld dat hij daar recht van overpad heeft. Hij knarst de tanden. Werklui, werklui. Hij denkt aan de groepen breedgeschouderde jonge mannen die elk voorjaar weer op het erf verschijnen. Ze staan daar dan opgesteld, met de armen voor het lichaam, de pet in de handen en de kin op de borst. Hij vraagt hoe ze heten, waar ze vandaan komen en, als ze een Finse naam hebben, of ze wel behoorlijk Zweeds hebben leren spreken. In de regel kiest hij die jongens uit die de ogen neerslaan als hij voor ze staat. Hoeveel heeft hij er dit jaar nodig? Hij heeft zijn vingers nodig om te tellen, zijn nagelriemen om naar te staren, maar zijn handen omklemmen het trekhengsel van de kar, diep verscholen in dikke wanten.
   Lente dus, al dreigt deze een zware te worden. Niet alleen omdat de jongens die hij over een paar weken op het erf verwacht nu aan de andere kant van het land, in Karelië, tegen de Russen vechten; niet alleen omdat hij zijn jongste, Cecilia, morgen naar het hoofdkwartier van Lotta Svärd in de stad zal brengen, waar ze als koerier, typiste of telefoniste het leger wil helpen; niet alleen omdat het nog maar de vraag is of Edvards Finland over een aantal weken nog wel bestaat.
   De lente dreigt vooral zwaar te worden vanwege de brief die hij vrijdag heeft gekregen. Die brief had hij al verwacht, hij had haver apart gehouden voor het geval er een beroep op hem zou worden gedaan. De veearts van het leger was in de herfst langsgekomen. Hij bekeek Edvards merries, noteerde hun gewicht, hun leeftijd, stelde vragen over hun karakter. Toen de Russen een paar weken later aanvielen begreep Edvard dat het een kwestie van tijd was. In de brief die hij vrijdag ontving stond het onvermijdelijke: de Finse krijgsmacht vordert Ida, zijn merrie van zeventien jaar, de lieveling van het gezin en vooral van zijn dochter Cecilia. Op maandag, vandaag, zou hij nadere instructies ontvangen. Hij tilt de melkbussen van de kar. Op het licht achter de vensters van de boerderij na is het donker, maar toch denkt hij, kijkend naar het noorden, de boomtoppen in de verte te zien, de heuvel waarover de weg richting de stad loopt en waarvandaan hij vandaag een bode verwacht. Een lente zonder Ida. Wat moet hij zonder Ida?

Hij gaat naar binnen en trekt in de hal zijn laarzen uit, onder aan de trap. Hij zoekt steun op de leuning, die kraakt onder zijn gewicht; misschien moet hij binnenkort eens naar de naden in het houtwerk kijken. De trap staat er komende zomer achttien jaar, net als de rest van de boerderij en de bijgebouwen. Een levenswerk. Hij wilde een modernere boer zijn dan zijn vader en dan zijn ooms. Hij wilde onder meer dat de bovenverdieping ook in de winter kon worden bewoond; hij heeft er een kachel laten neerzetten. Zo werd die verdieping de slaapkamer van Birgitta en Cecilia.
   In de grote kamer, die uitziet op het zuidwesten en waar in de namiddag en in de vroege avond het licht lang naar binnen valt, zijn toch nog genoeg sporen van de oude gebruiken te zien. Op de vloer liggen handgeweven tapijten, sommige gemaakt door Elsa, andere door haar moeder, weer andere lang geleden door zijn eigen moeder. De haard en het fornuis had hij graag van elkaar willen scheiden, zoals dat in zuidelijker streken al veel langer gangbaar is. De werklui die hem destijds hielpen begrepen hem in eerste instantie niet, ze zagen er de noodzaak niet van in, ze hadden nog nooit in een boerderij gestaan, zeiden ze eensgezind, waar het fornuis en de haard van elkaar waren gescheiden. Elsa’s vader, toch een man van de wereld, een zoon van een rijke boer, begreep hem ook niet.
   ‘Veel te duur, veel te onhandig,’ zei hij. Ook Elsa kondigde aan dat ze liever een ouderwets haardfornuis had, en daarmee kon Edvard zijn wens vergeten. Aan de muur boven de eettafel hangt een ingelijst borduurwerk van haar hand. Een Bijbeltekst: Herren är en stridsman, Herren är hans namn. De Heer is een krijgsman, de Heer is Zijn naam.
   Elsa is de soep van gisteren aan het opwarmen, ruikt hij. De koffie loopt. Hij legt een ogenblik een hand op haar heup en vraagt of Cecilia al wakker is.
   ‘Dat weet ik niet. Ik wil haar even laten slapen.’
   Zoals elke ochtend vraagt ze naar de koeien. Als meisje in Vikby maakte ze eens mee, ze heeft dit vaak verteld, dat de koeien na de winter zo verzwakt waren dat ze in de lente door haar vader en haar broers uit de stal moesten worden getild en in het weiland werden gelegd, om te eten en om hopelijk aan te sterken.
   ‘Geen zorgen, het is er warm genoeg.’
   Hij neemt plaats aan de eettafel, op zijn vaste plek. Hij kan heel de kamer overzien en laat zijn blik rusten bij de twee geweren boven de deur. Onder zijn grote jachtgeweer, een erfstuk van zijn vader. Daarboven zijn Mosin-Nagant. Elsa weet niets van de brief, Cecilia ook niet. Ze hadden allebei gezien dat er post voor hem was, maar hij opent brieven die alleen aan hem zijn gericht altijd in de afzondering van zijn werkkamer. Zaken met betrekking tot geld, grond en eigendom zijn de hunne niet, weten ze; ze vertrouwen erop dat hij het wel zal zeggen als ze iets moeten weten. Een lichte steek in zijn maag, omdat hij dat vertrouwen misschien heeft geschonden, omdat hij zich heel even voorstelt hoe Cecilia zal reageren als ze het hoort. Juist daarom heeft hij het niet verteld. Hij had het Elsa kunnen zeggen, maar had ze haar mond gehouden? Al kent hij niemand beter, hij zou het niet met zekerheid kunnen zeggen.

 

Over de auteur

Ferdinand Lankamp (1989) is schrijver. Zijn debuutroman zal verschijnen bij Atlas Contact.

Over de illustrator

Martien Bos is naast freelance tekstschrijver ook illustrator voor diverse tijdschriften, kranten en uitgeverijen in binnen- en buitenland. Hij tekende onder andere voor De Optimist, NRC Handelsblad, VPRO, De Standaard, uitgeverij Boom en Athenaeum–Polak & Van Gennep. Zie martienbos.com.

Lees meer van

De Optimist op Lowlands: Garlenda

Door Ferdinand Lankamp

Ferdinand Lankamp beklom net als Roos van Rijswijk (wiens verhaal je eerder deze week al las) het Optimistpodium op Lowlands 2017! In het kader van het thema Onschuld schreef hij een splinternieuw verhaal, Garlenda. Disclaimer: dit korte verhaal is allesbehalve optimistisch. De hitte wekte me. Hatelijk is dat, ik houd niet van hitte. De tent begon […]

Lees meer uit de categorie Proza

De wederopstanding van Jezus en Hannie Schakema

Door Koonian Thomas

‘Ik ben het, Jezus,’ zei Jezus, en ik wist niet zo goed wat ik met die opmerking moest.    ‘Hallo,’ zei ik. ‘Ik ben Hannie Schakema.’    ‘Dat weet ik,’ zei Jezus, en ik zei: ‘Niet om vervelend te doen, maar ik geloof niet in u.’    Ik hoorde Jezus zuchten. ‘O, oké,’ zei hij. […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper