Proza

De atlas

Door Fien Veldman | beeld: Stefaan Van Hyfte
15 maart 2019

Voordat wij er eindelijk iets aan deden, was Thomas Martin een vreselijke leerling. In september had hij een klasgenoot, Michel Autun, uitgedaagd de Schelde over te zwemmen in ruil voor een broodje kebab. De brandweer moest eraan te pas komen, het water was te koud en de stroming te sterk. Michel was onderkoeld. Thomas bekeek hoe zijn klasgenoot bijna verdronk vanaf de kade, tweeënhalve meter hoger dan het waterpeil, en at het broodje zelf op. Hij koos altijd een tafel achter in de klas en zat het liefst alleen. Hij had een jas van een of ander duur merk die hij aanhield tijdens de les, en schoenen die er constant uit bleven zien alsof ze net gekocht waren: brandschoon, felgeel en nooit nat geweest, wat bijzonder was in Tournai. Tournai was een stad die grijs was ook al scheen de zon en waar dingen vaker dicht dan open waren (winkels, gordijnen, restaurants, luiken). Veel stoeptegels lagen los, waardoor je, als je verkeerd stapte wanneer het regende, het modderige water dat zich had verzameld onder de tegel over je schoenen kreeg. Thomas gebeurde dat niet. Hij wandelde niet; hij ging met de auto naar school. Die had hij van zijn ouders gekregen. Hij was onlangs achttien geworden en het krijgen van een auto hoorde daar nu eenmaal bij in het leven van iemand zoals Thomas Martin. Hij zat iedere dinsdagmiddag in mijn klas, aan dat achterste tafeltje, zijn gele schoenen kleurrijker dan heel Wallonië. Alle leraren waren onverdeeld negatief over Thomas, maar in de docentenvergadering over een eventuele schorsing na zijn misdraging ging het gesprek als volgt:

Biologie: Het zijn jonge mannen, die zoeken hun grenzen op: het hoort bij de leeftijd.

Engels: Michel had wel kunnen verdrinken.

Wiskunde: Zo’n schorsing zorgt alleen maar voor een achterstand. Hij zit in de zesde, is bijna klaar met zijn –

Engels: Dat deze jongen denkt zo met andere mensen om te kunnen gaan. Het is onacceptabel.

Frans: Dat is waar. Maar ja.

Iedereen wist wat deze ‘maar ja’ betekende. Maar ja: wat we ook doen, Thomas Martins acties kennen geen consequenties. Geen aangifte, geen schorsing, geen huisarrest zou hem op wat voor manier dan ook tegenhouden om precies te doen wat hij wilde. Dus er gebeurde niets. Thomas Martin kon elke pauze in alle rust genieten van zoveel broodjes kebab als hij op kon. Nu was het februari en het volgende schandaal diende zich aan. Thomas’ ex-vriendin, Émilie, had het uitgemaakt en Thomas had uit wraak een naaktfoto van haar op internet gezet en gedeeld met de hele school.

‘Was het echt een naaktfoto,’ vroeg Biologie aan Wiskunde, ‘of heeft Thomas iets bij elkaar gephotoshopt?’

Wiskunde durfde de foto niet te bekijken.

‘En als het een echte is, wie heeft de foto gemaakt?’ zei Biologie.

‘Ja, dat maakt toch wel uit,’ zei Gymnastiek, ‘want als zij zo’n foto van zichzelf maakt… tsja.’

Economie kwam na het horen van dit gesprek naar me toe. Ze zei: ‘Nederlands. Laten we actie ondernemen. Ik weet dat jij, net als ik, niets geeft om deze school.’ Daar had ze gelijk in. Mijn werk interesseerde me nauwelijks, ik kende slechts de naam van enkele van mijn leerlingen, in de pauzes las ik een boek terwijl mijn collega’s met elkaar tergend saaie en langdradige verhalen uitwisselden, nu en dan onderbroken door een alarm op iemands telefoon. (Vrijwel iedereen stelde een wekker in die om de drie uur van zich liet horen: de eerste drie uur was namelijk het gratis parkeren op de parkeerplaats dicht bij de school, daarna diende je € 1,75 per uur te betalen. De regels voor Tournai-Centrum. Maar als je de auto op een ander terrein opnieuw stationeerde, begon de gratis drie uur óók weer opnieuw. ‘Sorry, even herparkeren’ was een prima excuus om een gesprek in medias res te verlaten. Ergens eind jaren tachtig werd een zenuwachtige invalleraar scheikunde na de aankondiging zijn auto opnieuw te parkeren nooit meer teruggezien.) In ieder geval: Economie had me goed ingeschat. Mijn baan weerhield me er niet van een risico te nemen.

Terwijl onze collega’s zich zoals altijd met futiele zaken bezighielden, besloten Economie en ik over te gaan tot ons plan. Thomas maakte deel uit van het roeiteam en blauw-wit had een belangrijke wedstrijd over twee weken. Economie kende een mannetje, zei ze. Ik vond het altijd fijn als iemand ‘mannetje’ zei, in mijn gedachten was dat een miniatuur-figuur met een beitel en een pet, wonderbaarlijk genoeg alle accessoires die hij nodig had om ieder probleem, groot of klein, op te lossen, en dus had ik onmiddellijk vertrouwen in haar idee. Het mannetje, in dit geval, was een chiropractor. We gaven hem gedetailleerde instructies en maakten een afspraak voor T. Martin op een donderdagochtend, tien uur tien. Thomas moest eigenlijk naar gym, maar we konden Gymnastiek er vrij gemakkelijk van overtuigen dat deze afspraak belangrijker was dan haar les. De behandeling was immers in het belang van zijn roeiwedstrijd! (‘De roeiwedstrijd!’ ‘Natuurlijk!’) Economie vertelde Thomas dat ze deze afspraak had gemaakt voor iedere roeier uit de A-klasse en Thomas was natuurlijk het type om deze voorkeursbehandeling gretig te accepteren. Economie kende de behandelaar als een eeuwig gefrustreerd figuur omdat zijn praktijk (‘kunst’, noemde hij het zelf) niet werd erkend door de overheid, en dus ook niet werd gereguleerd (waardoor er ‘ongekende kwakzalvers’ rondliepen, aldus de behandelaar). Voor Economie en mijzelf was dit gebrek aan regulering echter een geschenk uit de bureaucratische hemel. Economie had nog een rekening met dit mannetje te vereffenen, en dus stemde hij na het horen van het verhaal, geen moment aarzelend, in met het plan.

Aan de onderkant van een schedel begint (of eindigt, het is maar net hoe je het ziet) de wervelkolom, die bestaat uit drieëndertig opeengestapelde wervels. De onderste noemt men ook wel de ruggenwervels, de bovenste zeven vormen de zogenoemde cervicale wervelkolom. De nekwervels. De bovenste nekwervel ondersteunt de schedel en dit onderdeel van het menselijk skelet zorgt ervoor dat een persoon in staat is om het hoofd naar voor en achter te kunnen bewegen, zoals bij het ja-knikken. Deze bovenste wervel heet de atlas. Onder de atlas bevindt zich de axis, die de draaiende beweging van het hoofd naar links of rechts mogelijk maakt. Zoals bij het nee-schudden.

De behandelaar was een begenadigd man die niet alleen deze wervels, maar ook de spieren, het bindweefsel, de bloedvaten en de zenuwen eromheen kende als zijn eigen broekzak. Hij vertelde Thomas aan het begin van de sessie dat hij na de behandeling misschien tijdelijk enkele ongemakkelijke effecten zou bemerken. Thomas liet zich niet kennen en stemde in. De jongen behield een stoïcijns gezicht terwijl de man zijn frustraties over het leven en de wereld afreageerde op Thomas’ achttienjarige kraakbeenschijven. Na de behandeling stelde Thomas geen vragen en maakte hij geen enkel bezwaar. Hoe hij die middag thuiskwam, blijft een raadsel.

Je kunt je natuurlijk afvragen in hoeverre Thomas Martin, als nauwelijks volwassen mens in deze ongrijpbare maatschappij, verantwoordelijk was voor zijn handelen. En dan bedoel ik niet of zijn prefrontale cortex wel naar behoren werkte (dat was duidelijk niet het geval, dat had iedereen door), maar de kwestie of en wanneer iemand aansprakelijk is voor zijn daden, op een ethisch niveau. In hoeverre hadden zijn ouders hem verpest? Zijn moeder was een lieverd, dat wist ik. Maar lieve moeders baren niet zelden verschrikkelijke zoons, dat wist ik ook. Moesten we de ideeën die hem werden aangeleerd – over zichzelf, over anderen, over de samenleving en zijn plek daarin – wellicht inachtnemen, hem een bepaalde mate van clementie verlenen? Kon hij er eigenlijk wel wat aan doen? Waar deze generatie allemaal wel niet mee geconfronteerd werd, tegenwoordig. Dat vormt een mens. Maakte dat Thomas Martin niet feitelijk ontoerekeningsvatbaar? Helaas was Filosofie het jaar daarvoor ontslagen omdat zijn vak al decennia lang het minst populaire keuzevak was, met op het eind nog maar twee leerlingen, dus kwamen Economie en ik niet aan deze vragen toe.

Bij terugkomst op school merkte Wiskunde op dat Thomas leek te zijn veranderd, maar hij kon er zijn vinger niet op leggen.

Geschiedenis onderbrak – welke was Thomas Martin ook al weer?

Engels vond hem bescheidener. Hij was wat stiller geworden.

Gymnastiek was teleurgesteld. Thomas was niet langer een van de beste leerlingen in haar klas.

Het gesprek in de docentenkamer was kort, de aandacht ging algauw weer uit naar alarmgeluiden, de volgende schoolvakantie en wat er morgen in de refter zou worden geserveerd. (Vissticks, zo ging het gerucht.)

Economie en ik waren meer dan tevreden.

Over de auteur

Fien Veldman (1990) schrijft fictie en essays. Haar korte verhalen zijn gepubliceerd in o.a. The Stockholm Review of Literature, De Correspondent en Hard//Hoofd. De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde kende haar in 2018 de Elise Mathilde Essayprijs toe. Ze schrijft voor Cineville over film en voor het Friesch Dagblad over theater.

Over de illustrator

Stefaan Van Hyfte (1983) of Stift is een illustrator en graphic novelist uit Brussel. Hij leverde satirisch illustratiewerk af voor het maandblad Goedele en tekende voor De Tijd en De Morgen. Voor een groteske tentoonstelling over André Van Duin animeerde hij de muren van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid in Hilversum. Ook wandelde hij een jaar langs de Duits-Poolse grens om in de Branderburgse natuur inspiratie te zoeken. Terug in zijn vertrouwde Brussel werkt hij aan een graphic novel in een bezwerende stijl van Goya tot Hokusai. stift-illustrator.blogspot.com

Lees meer uit de categorie Proza

Golden Years

Door Laurens van de Linde

CANNOT READ DALLAS. De woorden blijven op het display staan als ik mijn kaart opnieuw voor de incheckpaal houd. Ik pulk wat aan het elastiekje dat om mijn ringvinger zit.       Vanochtend was er een documentaire op tv over grizzlyberen die op zalm joegen. De beren sloegen wild in het kolkende water terwijl de vissen […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper