<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	xmlns:slash="http://purl.org/rss/1.0/modules/slash/"
	>

<channel>
	<title>De Optimist &#187; Jaron Beekes</title>
	<atom:link href="http://www.deoptimist.net/author/jb/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>http://www.deoptimist.net</link>
	<description>Digitaal cultureel magazine</description>
	<lastBuildDate>Fri, 03 Feb 2012 11:57:32 +0000</lastBuildDate>
	<language>en</language>
	<sy:updatePeriod>hourly</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>1</sy:updateFrequency>
	<generator>http://wordpress.org/?v=3.3.1</generator>
		<item>
		<title>De dag van morgen</title>
		<link>http://www.deoptimist.net/2011/01/de-dag-van-morgen/</link>
		<comments>http://www.deoptimist.net/2011/01/de-dag-van-morgen/#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 26 Jan 2011 20:42:25 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Jaron Beekes</dc:creator>
				<category><![CDATA[Kort verhaal]]></category>
		<category><![CDATA[Jaron Beekes]]></category>
		<category><![CDATA[Kim Westerweel]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.deoptimist.net/?p=3845</guid>
		<description><![CDATA[Kim Westerweel Illustratie: Jaron Beekes Het was alweer even geleden sinds de dag was aangebroken, maar Katya Petrovna lag nog in bed. Door het enkele raam van haar zolderkamer scheen de zon vrij naar binnen. Voor het raam hing geen gordijn dat het licht had kunnen dempen, de slaap verlengen, de nacht bewaren. Na ieder [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Kim Westerweel<br />
Illustratie: Jaron Beekes</p>
<p>Het was alweer even geleden sinds de dag was aangebroken, maar Katya Petrovna lag nog in bed. Door het enkele raam van haar zolderkamer scheen de zon vrij naar binnen. Voor het raam hing geen gordijn dat het licht had kunnen dempen, de slaap verlengen, de nacht bewaren. Na ieder nieuw etmaal viel de dag opnieuw naar binnen, als een ongenode gast die pertinent weigert zijn sleutel in te leveren.</p>
<p>Steeds nam Katya zich voor er iets aan te doen: de maten op te nemen, stof uit te zoeken, het gordijn te zomen, op te hangen. Vroeger zou ze haar hand voor zo’n klus niet hebben omgedraaid, toen haar dagen nog bestonden uit een volle agenda en takenlijsten die zo lang waren dat ze op een natuurlijke manier efficiëntie afdwongen. ‘<em>If you want to get something done, ask a busy person</em>,’ had ze ooit ergens gelezen. Maar druk had ze het al lang niet meer en zo kwam het dat de dag haar ook vandaag weer vroeg had gewekt, namelijk precies op het moment dat de zon over de huizenrij aan de overkant van de straat heenkrulde en haar met de eerste bundel licht vol in haar gezicht had geraakt.</p>
<p>Met het snelle stijgen van de zon verplaatste ook het licht zich, van het hoofd- naar het voeteneinde van het bed, vanwaar het zich verder verbreedde naar de rest van de kamer: voorbij de deur van het halletje dat toegang verschafte tot de kleine keuken en nog kleinere badkamer, over de dubbele stellingkast langs de muur, het bescheiden bureau met de rotan stoel, de kleine televisie, de kledingkast in de hoek. Katya draaide zich nog eens om, maar kon de slaap niet meer vatten. Ze draaide zich op haar rug, met één arm onder haar hoofd, het donzen dekbed in zacht knisperende plooien nog iets strakker om zich heen getrokken.</p>
<p><a href="http://www.deoptimist.net/wp-content/uploads/de-dag-die-voor-haar-lag-illustratie.jpg"><img class="alignnone size-large wp-image-3848" title="De dag van morgen" src="http://www.deoptimist.net/wp-content/uploads/de-dag-die-voor-haar-lag-illustratie-743x1024.jpg" alt="" width="445" height="613" /></a></p>
<p>In de geborgenheid van dat nest dacht ze na over de dag die voor haar lag. Ze zou in ieder geval boodschappen moeten halen. Het enige wat ze nog in huis had, waren een blikje tomatenpuree, twee crackers en een restje chocopasta. Katya keek de kamer rond – naar de papieren op het bureau, de stapel wasgoed op de vloer naast de stoel, de verse, opvallend stofvrije vlek ter grootte van Joni Mitchell op de plank waar ze haar cd’s bewaarde – en constateerde dat er ook nodig weer eens gepoetst moest worden.</p>
<p><em>Zo groot is die kamer niet. Vandaag ga ik er eens stevig tegenaan.</em></p>
<p>Vanuit haar bed keek ze door het zolderraam naar buiten, naar de clichématig blauwe lucht , zo volstrekt wolkeloos dat het blauw, bij gebrek aan contrast, een bleke, bijna witte kwaliteit kreeg. Een gesprek tussen twee voorbijgangers dwarrelde in flarden omhoog, van de straat naar haar raam. Een tram reed bellend voorbij. In de verte klonk het ruisen van de snelweg. Iedereen was ergens mee bezig, of op weg ergens naartoe. Iedereen had een ergens om naartoe te gaan.</p>
<p>Beneden in het trappenhuis klepperde de brievenbus. Katya nam zich voor om zo dadelijk eerst de post te halen. Wat de vraag opwierp of ze dan eerst zou douchen. Ze had er een hekel aan om buren tegen te komen in het trappenhuis, buren die haar in stilte veroordeelden, om haar verslapen verschijning, haar onverzorgde trap, haar onproductieve bestaan – ze zag het aan hun blikken, ze voelde het, ze wist het zeker. Zoals de gereserveerde mevrouw Koen-Lammers, die zich slechts zelden liet zien, maar wier ogen Katya door het spionnetje voelde loeren, telkens wanneer ze de deur op de tweede verdieping passeerde. Een keer was Katya voor die deur stil blijven staan en had van buitenaf door het spionnetje teruggekeken. Hoewel ze niets had kunnen zien, was ze ervan overtuigd geweest de stilte van een gestokte ademhaling van achter de deur te kunnen horen.</p>
<p>Nee, beter was het om eerst te douchen.</p>
<p>Katya keek op de wekkerradio op het tafeltje naast het bed. Half elf. Denkend aan de taken die voor haar lagen, besloot ze nog even te wachten.</p>
<p><em>Er is nog genoeg tijd om alles te doen.</em></p>
<p>Het douchen zou haar ongeveer een half uur kosten. De post pakken. Tien minuten. Boodschappen doen. Een uur. Lunchen. Schoonmaken. Een uur. Met de stellingkast erbij, twee. Was in de machine doen. Ze bedacht zich dat er nog een was in de machine zat die ze eerst nog zou moeten uithangen. Katya zuchtte maar eens en draaide zich op haar zij.</p>
<p>Eigenlijk moest ze vandaag ook Marie bellen. Die had een paar dagen geleden een bericht ingesproken. Wanneer spreken we weer eens iets af. Het was inderdaad alweer een tijd geleden. Met een traag gebaar reikte Katya over de rand van het bed naar de vloer en pakte haar mobiele telefoon.</p>
<p>Zodra ze hem aanzette, begon het ding te piepen. ‘U heeft één nieuw voicemailbericht’, las ze. Met een gevoel van weerzin zette ze haar telefoon uit en draaide zich op haar rug. In die houding lag ze een tijdje stil te luisteren naar het koeren van de duiven op de rand van de dakgoot, aan de buitenkant van het raam. Hoewel ze probeerde er niet aan te denken, vroeg ze zich af wie er ingesproken zou hebben. Het kon haar moeder zijn geweest, of Marie natuurlijk. Erg zou dat niet zijn. Maar de gedachte dat ze iemand terug zou moeten bellen, weerhield haar ervan om haar telefoon opnieuw te pakken en het bericht alsnog af te luisteren.</p>
<p>Naast het bed lag een stapel boeken die ze allemaal nog moest lezen. Bovenop lag een dik boek van een beroemde Russische schrijver. Het was haar aanbevolen door Marie, die er naar men zei verstand van had, maar omdat het zo dik was, zag Katya er al maanden tegenop om erin te beginnen. En ook nu greep ze liever naar de stapel met tijdschriften. Die lagen ook al weer geruime tijd naast haar bed en waren inmiddels grotendeels verouderd, maar omdat ze nog niet alle artikelen had gelezen, kon ze zich er niet toe brengen ze weg te gooien.</p>
<p>Katya bladerde door een oude editie van een dik cultuurtijdschrift en dwong zich vervolgens om de stukken te lezen, één voor één. Systematisch werkte ze zo het blad door, van voor naar achter, met het voornemen het vandaag helemaal uit te krijgen. Even voorbij de helft, echter, middenin een artikel over de filosofische wortels van een Oost-Duitse levenskunstenaar, voelde ze dat haar ogen dichtvielen en legde ze het blad met de rug naar boven naast zich neer, draaide zich om en viel in slaap.</p>
<p>Tegen de tijd dat ze wakker werd, was het al half drie in de middag. Katya rekte zich langdurig uit en stond met tegenzin op. In het kleine keukentje besmeerde ze de twee crackers met het laatste beetje chocopasta. Ze at werktuiglijk, zonder smaak. Ze was zich vaag bewust van een gevoel van ontevredenheid, van onbehagen over het feit dat de dag haar aan het ontglippen was. Maar als een touw met een zware last dat eenmaal is begonnen te glijden, kon ze er niets meer tegen doen, of zo scheen het haar toe.</p>
<p>Weer terug in de kamer had de zon haar lange boog naar het andere einde van de straat inmiddels bijna voltooid. In het donkerende licht dansten duizenden stofdeeltjes. Katya pakte haar laptop van het bureau, ging ermee op bed zitten en klapte hem open.</p>
<p>Tegen de tijd dat ze alle nieuwe berichten had gelezen die haar virtuele vrienden in het afgelopen etmaal op hun hyves- en facebookpagina’s hadden geplaatst, was het kwart voor vijf. Nu heeft het zeker geen zin meer om naar de winkel te gaan, stelde ze vast. En het licht is al zo goed als verdwenen, dus ook poetsen heeft weinig zin meer. Ze zette haar telefoon weer aan en belde de pizzeria. Bij de vriendelijke jongen bestelde ze pasta carbonara en een fles rode wijn.</p>
<p>Toen de pasta kwam, at ze die op bed, terwijl ze met de afstandsbediening langs de televisiekanalen zapte. Bij de pasta dronk ze twee glazen wijn, en daarna nog twee. Buiten was het inmiddels helemaal donker. De duiven waren stil geworden.</p>
<p>Vanuit haar bed keek Katya achtereenvolgens een kookprogramma, een soapserie, een journaal, een actualiteitenprogramma, een film en toen nog het staartje van een ander actualiteitenprogramma. Naast het bed stond het lege aluminiumbakje met de witte resten van de pasta en de saus. Daarnaast de lege wijnfles.</p>
<p>Zo viel Katya Petrovna uiteindelijk weer in slaap. De laatste gedachte die ze had, nadat ze de televisie met de afstandsbediening op stand-by had gezet en zich op haar zij had gedraaid, het dekbed hoog opgetrokken tot vlak onder haar kin, was: morgen moet ik er eens stevig tegenaan, echt.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.deoptimist.net/2011/01/de-dag-van-morgen/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>2</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Een goed oor.</title>
		<link>http://www.deoptimist.net/2010/02/een-goed-oor/</link>
		<comments>http://www.deoptimist.net/2010/02/een-goed-oor/#comments</comments>
		<pubDate>Mon, 22 Feb 2010 21:32:27 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Jaron Beekes</dc:creator>
				<category><![CDATA[Kort verhaal]]></category>
		<category><![CDATA[Jaron Beekes]]></category>
		<category><![CDATA[Niña Weijers]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.deoptimist.net/?p=1777</guid>
		<description><![CDATA[Niña Weijers Beeld: Jaron Beekes De dag waarop ik dacht: nou is het genoeg, was een maandag in november. Ik had de flyers in een plastic tas gestopt, maar ze werden alsnog nat tijdens het uitdelen. In de punt van mijn linkerlaars zat een gaatje. Ik had dat gaatje al vierhonderd keer geprobeerd te plakken, [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Niña Weijers<br />
Beeld: Jaron Beekes</p>
<p><a href="http://www.deoptimist.net/wp-content/uploads/een-goed-oor-klein.jpg"><img class="alignnone size-full wp-image-1778" title="Een Goed Oor" src="http://www.deoptimist.net/wp-content/uploads/een-goed-oor-klein.jpg" alt="" /></a></p>
<p>De dag waarop ik dacht: nou is het genoeg, was een maandag in november. Ik had de flyers in een plastic tas gestopt, maar ze werden alsnog nat tijdens het uitdelen. In de punt van mijn linkerlaars zat een gaatje. Ik had dat gaatje al vierhonderd keer geprobeerd te plakken, maar de lijm liet telkens los. Via mijn grote teen doorweekte de regen mijn sok. Ik keek in de zak en zag een straaltje regenwater langs het plastic glijden waardoor de flyers van de zijkant nat raakten, precies op het vouwrandje. Ik pakte er één uit de tas. De ene helft viel voor mijn voeten op straat, door het slap geworden vouwrandje.</p>
<p>EEN GRATIS SOFTIJ</p>
<p>SJE BIJ BESTEDING VAN E 7,50</p>
<p>Ik zat een tijdje thuis zonder baan. Ik had zes jaar geflyerd, en dat is een hele tijd. Het is moeilijk dan één-twee-drie op iets anders over te stappen. In mijn hoofd ging ik na wat de opties waren, en dat bleken er zó veel dat het me echt ging duizelen. Dan dacht ik bijvoorbeeld: stewardess. Maar als ik daar langer over nadacht herinnerde ik me zo’n Ryanair-vlucht naar Girona, waar de stewardessen <em>flight attendants </em>heetten. Die in plaats van wenkbrauwen tekeningen van wenkbrauwen hadden en boven Frankrijk krasloten moesten verkopen.</p>
<p>In de krant las ik een artikel over trendwatchers, en ik googelde ‘trendwatcher’ om te kijken of het wat voor mij zou zijn. Op www.trendwatcher.com &#8211; wit met auberginekleurige kaders &#8211; vond ik Richard. Richard was een bekende trendwatcher, en praatte over Business Babes en Burnout Babes en Balance Babes en DE 10 MONDIALE MEGA TRENDS, maar vooral over een <em>Positieve Vibe. </em> Ik stond op en liep naar de keuken om soep te maken. De staafmixer haalde ik steeds een stukje verder uit de pan, net zo lang tot de broccolisoepspetters in het rond vlogen en groengespikkelde klodders achterlieten op het fornuis en de muur en mijn broek. Ik pakte een vaatdoekje en vroeg me af wat dat eigenlijk was, een <em>Positieve Vibe. </em>De week daarop trad ik in dienst als serveerster bij het café bij me om de hoek. Toen ik het papiertje met daarop geschreven ‘<span style="text-decoration: underline;">leuke spontane</span> collega gezocht om ons <span style="text-decoration: underline;">leuke gezellige</span> team te versterken!!!’ op het raam geplakt zag, wist ik dat ik dat was. Mensen hadden dat namelijk vaak tegen mij gezegd, wanneer ik hen een flyer aanbood: wat ben jij een leuke, spontane<em> </em>meid.<br />
Mijn bazin noemde het café <em>petit</em>, wat hetzelfde is als klein, maar dan charmanter. De bazin was ook mijn enige collega. Toen ik was aangenomen zei ze tegen mij dat ze dat van dat ‘team versterken’ had vermeld om het beter te laten klinken. Achter de bar stond een tostiapparaat waarmee we tot diep in de nacht tosti’s maakten voor de klanten. Of gasten, zoals mijn bazin liever had dat ik ze noemde. Razend populair waren ze, die tosti’s.</p>
<p>Het was een zaterdag in december en heel koud, op zijn minst twee graden in de min. Binnen was het warm en gezellig. Mijn bazin had allemaal Bolsius-kaarsen met rood glas eromheen gekocht, dus van buiten leek de kroeg net een knusse hoerentent. Ik draaide Paul Simon en Neil Young, dat vond ik passen bij de rode gloed van de kaarsen en de winter die buiten was. Ik had daar een goed oor voor. Midden in de zaak (het werd door mijn bazin altijd <em>de zaak </em>genoemd) had ik vier tafels aan elkaar geschoven, want er zou een groep van twaalf mensen komen borrelen. De twaalf mensen kwamen één voor één binnendruppelen, en het waren er geen twaalf maar dertien. Ze waren van mijn leeftijd en zagen er hip uit, met fluorescerende sneakers en skinny jeans. Ze leken me veel te hip voor ons café, of misschien vonden ze ons café juist weer hip omdat het niet hip was. Toen ik erheen liep om hun bestelling op te nemen, zei een meisje met een grote bos krullen: ‘Ik wil een biertje’. Ze zei dat met een heel rare stem, heel langzaam en diep alsof iemand een slowmotionknop had ingedrukt. Ook sprak ze de r overdreven rollend uit: bierrrrrrrtje. Het duurde heel even, maar toen had ik het in de gaten: ze was doof. Ik keek naar de andere mensen aan tafel, en kreeg toen in de gaten dat die ook allemaal doof waren.<br />
Van achter de bar observeerde ik de dove mensen. Temidden van al het gekakel vormden ze een eiland van stilte. Er was alleen maar die voortdurende beweging van hun handen. Soms deed ook hun bovenlijf mee. Dat was waarschijnlijk als ze erg enthousiast waren over iets. Misschien zeiden ze dan: ‘Ik heb een nieuwe vriend!’ Of: ‘Ik heb een nieuwe baan!’ Of: ‘Ik heb een nieuwe neus!’ Eén van de meisjes had namelijk een perfecte neus.</p>
<p>Na een tijdje pakten de dove mensen hun jassen op en kwamen ze bij mij afrekenen. Ze maakten een bedankt-gebaar naar mij. Dit lijkt op het gebaar dat Italiaanse voetballers maken als ze hebben gescoord. Een soort kus met je vingers, maar dan vanuit je kin. Ik deed het gebaar terug, en ik denk dat ze dat konden waarderen.<br />
Eén van de dove mensen bleef achter. Een jongen. Hij bestelde nog een biertje en een tosti aan de bar. Omdat er verder niemand aan de bar zat en ook in de rest van het café niemand meer was en de glazen al gespoeld waren en het koffiezetapparaat al was schoongemaakt, voelde ik me ongemakkelijk.<br />
De jongen haalde een notitieblokje uit zijn zak en schreef iets op, razendsnel. Hij wenkte me en wees op het notitieblokje. Er stond: Ik ben Jorn en ik kan vrij goed liplezen. Hoe heet jij?<br />
Ik zei heel langzaam en hard mijn naam. Toen voelde ik me een beetje belachelijk. Hij kon me toch niet verstaan. Desalniettemin was het moeilijk om heel langzaam én op een normaal geluidsniveau te spreken. Ik zei dus ook heel hard: ‘WAT BRENGT JOU HIER?’ En hij schreef op dat hij in de buurt woonde en dat hij lid was van een vereniging voor jonge dove mensen, en dat ze ééns in de zoveel tijd met zijn allen uit eten gingen. Ik knikte en zei: ‘LEUK.’<br />
Hij schreef: wat doe jij graag?<br />
Ik wist niet goed wat ik daarop moest antwoorden. Dus wiegde ik mee op de muziek en trommelde ik met mijn vingers op de bar.<br />
Na een tijdje schreef hij: waar luister je naar?<br />
Ik zei: ‘NAAR EEN COVER VAN BOB DYLAN’<br />
Hij zei: ‘Sorrrry?’. Ik denk dat hij moeite had het woord ‘cover’ van mijn lippen te ontcijferen, want dat maakt niet zoveel bewegingen.<br />
Ik schreef in zijn notitieblokje: NAAR EEN COVER VAN BOB DYLAN.<br />
Hij schreef: Op papier ben ik niet doof, hoor.<br />
Ik schreef eronder: SORRY. Maar dat kraste ik door, en schreef: sorry. Hij moest hierom lachen, een lach zonder geluid.<br />
Welk nummer van Bob Dylan? Schreef hij. En door wie?<br />
Ik schreef, want dat voelde beter dan dat harde praten: You Ain’t Goin’ Nowhere. Glen Hansard. Zo mooi en beter dan het origineel.<br />
Hij schreef: Wat dat betreft zou je me alles wijs kunnen maken <img src='http://www.deoptimist.net/wp-includes/images/smilies/icon_wink.gif' alt=';)' class='wp-smiley' /><br />
Door de knipoog wist ik dat ik me niet ongemakkelijk hoefde te voelen. Ik schreef: ben je altijd al doof geweest? Hij knikte en vroeg wat ik zo mooi vond aan dit nummer.<br />
Dat vond ik een heel moeilijke vraag, want hoe leg je muziek uit? Je hebt melodie, ritme, zang, instrumenten en nog veel meer dingen. Dat kun je niet uitleggen, dat moet je hóren. Maar dat vond ik hard om te zeggen tegen een doof persoon. Dus schreef ik: dit nummer heeft heel goeie teksten.<br />
Hij schreef terug: de teksten ken ik. Whoo-ee, ride me high. Tomorrow&#8217;s the day that my bride is gonna come. Dus dat is een beetje flauw.<br />
Het was ook een beetje flauw. Dus ik schreef: het is moeilijk. Ik dacht even na, en voegde toe: bij muziek is het geheel meer dan de som der delen. Dat klonk goed, en waar.<br />
Probeer het eens, schreef hij.<br />
Het nummer was afgelopen. Ik zette het nog een keer op, maar nu heel hard, want er was verder toch niemand meer in de zaak. Ik twijfelde hier even over, maar pakte toch Jorns hand en bracht hem naar één van de boxen. Die trilde als een gek, en ik legde zijn hand erop. Toen deed ik mijn ogen dicht. Het voelde alsof ik ín de muziek kroop. Alsof de gitaar en de banjo en de mondharmonica en de stem van Glen Hansard een onderdeel van mij waren geworden. Dit was een heel bijzonder gevoel.<br />
Er kwam een gedachte in me op, en die gedachte was: <em>Positieve Vibe. </em>We bleven zo staan totdat het nummer voorbij was. Toen wees ik op mijn lippen en zei, langzaam, maar ook zachtjes: ‘Kijk eens naar mijn arm’. En Jorn keek, en zag mijn kippenvel. Met zo’n langzame vreemde stem van iemand die zichzelf niet kan horen zei hij: ‘A   fish   thatwalks and        a    dog thattalks. Is dát         watmuuuuziek is?<em>’</em><br />
Ik dacht hierover na, want &#8216;<em>A fish that walks and a dog that talks</em>&#8216; was een regel uit het nummer en dat was dus misschien niet wat muziek was. Of wel? Wat had Bob Dylan ermee bedoeld? Nadat ik er een tijdje over had nagedacht, dacht ik: ja! En ik zei: ‘Ja!’<br />
En Jorn zei dat hij vond dat ik dat heel goed had overgebracht.</p>
<p>&#8212;</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.deoptimist.net/2010/02/een-goed-oor/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>1</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Coupe de Plumeau.</title>
		<link>http://www.deoptimist.net/2009/07/coupe-de-plumeau/</link>
		<comments>http://www.deoptimist.net/2009/07/coupe-de-plumeau/#comments</comments>
		<pubDate>Mon, 20 Jul 2009 23:11:48 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Jaron Beekes</dc:creator>
				<category><![CDATA[Kort verhaal]]></category>
		<category><![CDATA[Alexander Baneman]]></category>
		<category><![CDATA[Jaron Beekes]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.deoptimist.net/?p=880</guid>
		<description><![CDATA[Alexander Baneman Illustratie: Jaron Beekes De bankjes in de kleedkamer waren mij te smal. Of misschien lag het niet aan de vastgeschroefde houten planken, maar aan de afstand daarvan tot de muur. Als ik iets te veel wiebelde schoof mijn scharregat zo de opening in. Voor dikzakken die doorgaans gebruik maakten van dit witte hok [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Alexander Baneman<br />
Illustratie: Jaron Beekes</p>
<p><a href="http://www.deoptimist.net/wp-content/uploads/ill-coupe-plumeau.jpg"><img class="alignnone size-medium wp-image-882" title="ill-coupe-plumeau" src="http://www.deoptimist.net/wp-content/uploads/ill-coupe-plumeau.jpg" alt="" width="460" height="432" /><br />
</a><br />
De bankjes in de kleedkamer waren mij te smal. Of misschien lag het niet aan de vastgeschroefde houten planken, maar aan de afstand daarvan tot de muur. Als ik iets te veel wiebelde schoof mijn scharregat zo de opening in. Voor dikzakken die doorgaans gebruik maakten van dit witte hok om hun pondjes eraf te trainen, zou het precies goed zijn. Met hun dikke reten over de rand heen gelubberd. Rembrandt stond voor een gebarsten spiegel zijn halflange blonde haar in model te brengen met gel. Tegen beter weten in. Hoe vaak hadden wij hem al niet gewaarschuwd voor dat spul? Het paste niet bij onze ‘stiel’. Maar Rembrandt moest en zou zijn springerige haar ‘doen’. Grote klodders verdwenen in de baal stro. Het leek uiteindelijk op pasta in olie. Tranen van zweet rolden kriebelig langs mijn gezicht en vielen op mijn spijkerbroek. ‘Can I play with madness?!’ schreeuwde mijn t-shirt. De met paarse vilstift getekende droeve gezichten op de witte neuzen van mijn gympen leken de opdruk te kunnen lezen. Ik bekeek de motieven op mijn gemêleerde onderarmen. Nog een half uur…</p>
<p>Het viel mij voor het eerst op toen ik een gitaar kocht. Een elektrische. Met een gifgroen plectrum in mijn dikke worstenvingertjes geklemd, gleed ik langs de snaren. Aderen waren nauwelijks te zien op de rug van mijn hand. Sommige handen hebben hele stelsels en netwerken, maar bij mij leek het oppervlak geheel glad, met hier en daar een minieme ophoging. Het waren precies dezelfde handen als die van mijn grootvader, God hebbe zijn ziel. Hij was toen drie maanden eerder gestorven aan een inwendige bloeding. Hij belde om elf uur ’s avonds een ambulance voor pijn in de borst. Ze vonden hem liggend in de hal met zijn handen over zijn buik gevouwen. Alsof een aanwezige geest met een boodschap aan zijn armen had staan sjorren om ze in de juiste positie te krijgen. Zijn vergulden ringen lagen op het ouderwets houten toilet, dat diende als telefoonkastje, ook in de hal. Hij werd afgevoerd en later gereanimeerd, maar het werkelijke knelpunt in zijn afgesleten lichaam ontging de geneesheren voorkomen. Na een paar uur was hij dood. De medici stonden voor een raadsel en waren door mij tot in de eeuwigheid verdoemd. Mijn moeder, haar broers en ik moesten nog drie kwartier in de rouwkamer met karakteristieke stoelen van zwart leder wachten voor de dienstdoende artsen de tijd hadden gevonden om tekst en uitleg te geven. Ik kan mij hun gezichten niet meer voor de geest halen.<br />
Ik rekende de gitaar (Een Bc Rich Platinum Ironbird) contant af bij het bebrilde walnootje achter de kassa en strompelde met de koffer de winkel uit. Ik liep meteen door naar huis waar ik in mijn kamer (ik woonde nog ‘thuis’) voor de spiegel ging staan en mijn gezicht eens goed opnam. Waren er nog meer gelijkenissen? Alleen dat oog, maar dat wist ik al. Mijn rechteroog is iets kleiner dan het linker, een eigenschap die bij zware vermoeidheid en dronken buien wordt versterkt. Ja, en dat haar. Stugge krullen, met een diameter van anderhalve centimeter per stuk. Ik probeerde mijn tranen weg te slikken, maar mijn spiegelbeeld gaf snel te kennen dat die missie niet zou slagen.</p>
<p>Mijn grootvader leefde nog toen ik op het idee kwam een band op te richten. We zaten op de Dam in Amsterdam en tankten verdovende hoeveelheden bier weg.<br />
Zoals altijd als ik teveel gedronken heb, kwam er op een gegeven moment een soort roes van stille melancholie over mij. Het gebeurde meestal als de dronkemansgesprekken stokten en het drankgezelschap maar wat voor zich uit zat te staren.<br />
Kijk ons eens zitten, mompelde ik in mezelf. Vier nietsnutten. Een verhuizer met meer dagen in de ziektewet dan in de kartonnen dozen; een uitkeringtrekker die zichzelf beschouwd als de nieuwe Van Rijn en twee studenten die heel misschien met een routeplanner de tentamenzalen kunnen vinden. Er moest iets veranderen en op dat moment schoot het getal vier door mijn hoofd. Het magische getal vier!<br />
‘Weet je wat wij zouden moeten doen,’ sprak ik plechtig. ‘Een band oprichten.’<br />
‘Pffft, heb je hem weer,’ giechelde Rembrandt. Ook Peter glimlachte bij mijn woorden. Joost leunde naar voren op zijn knieën en keek mij tersluiks aan. ‘Een band?’ vroeg hij.<br />
‘Ja, een band,’ zei ik. ‘We zijn met vier personen. Het perfecte aantal voor een band. Heeft iemand hier het verhaal ‘Wie ligt wakker van Radiohead?’ van Herman Brusselmans gelezen?’<br />
‘Radiohead is een band die bestaat uit vijf personen, meneer de wetenschapper,’ antwoordde Peter. Hij nam een grote slok en viel bijna om.<br />
‘Weet ik, weet ik,’ zei ik vlug. ‘In dat verhaal geeft Brusselmans zijn visie op het aantal bandleden. Vier.’ Ik stak het aantal vingers in de lucht. ‘Kent niemand van jullie dat verhaal? Gepubliceerd in de bundel <em>Bloemen op mijn graf</em>.’<br />
‘We studeren niet allemaal letterkunde.’ Joost probeerde zijn twaalfde blikje op de andere elf te stapelen, wat door een lichte tremor in zijn handen jammerlijk mislukte. ‘Maar vier is inderdaad een perfect getal,’ zei hij pompeus, het blikje toch maar vasthoudend. ‘Als ik dat mag zeggen als mathematicus in wording.’</p>
<p>Tja, ze waren makkelijk over te halen. Peter helemaal; wat kon hem het schelen? Volgens de papieren zat hij aan huis gekluisterd met een slijmbeursontsteking. De opzet werd gemaakt op een los velletje lijntjespapier dat ik uit mijn collegeblok scheurde.<br />
De volgende dag kon uit mijn dokterbibberhandschrift het volgende opmaken:</p>
<p><em>Peter op drums<br />
Joost met vocals; meer kan hij niet<br />
Rembrandt op de bas. ‘IK SPEEL DE BA(A)S’</em><em><br />
Bruno: leadguitar en vocals<br />
Naam band: onbekend. Misschien Piles of cans?????</em></p>
<p>Ik schudde mijn hoofd en zwiepte de zweetdruppels in een warme motregen uit mijn haar tegen de muur. Was het echt zo heet? Ik wist het niet. Een hete stroom lucht stoomde langs de ietwat verwijde hals van mijn t-shirt naar mijn gezicht. Ik was er zeker van dat mijn bleke wangen langzamerhand al geheel rood ingekleurd waren. De overige bandleden stonden nu relaxed tegen de glanzende tegels, die in samenwerking met de bruin geworden voegen de vier muren van de kleedkamer vormden. Hier en daar onderbroken door posters van de gouverneur van Californië in zijn glorietijd en Lou Ferrigno met groene schmink. Door een blauwige gloed aangetast. Alleen ik zat nog op het smalle bankje.<br />
‘Peter,’ gromde ik.<br />
Hij wendde zijn blik niet af van zijn gevlamde broek, maar kreunde ter bevestiging.<br />
‘Speel eens wat.’<br />
Zonder weerwoord pakte hij de drumstokjes uit zijn achterzak, settelde zich in kleermakerszit op de grond en tikte met zijn vettige slierten voor zijn ogen een ritme uit één van de nummers die later een multifone invulling zouden gaan krijgen, op het zeil. Nog twintig minuten…</p>
<p>Mijn grootvaders gezichtsuitdrukking hield het midden tussen kinderlijke onschuld en deerniswekkendheid. Maar als mijn moeder hem vertelde over mijn veroveringen van meisjes uit de kleuterklas, mijn knokpartijtjes of later over mijn vorderingen op school en mijn plannen om iets met letteren te doen, begonnen zijn ogen te glimmen. Dan kom ik hem bijna horen denken aan zijn eigen jeugd. Gespannen luisterde hij dan naar het verslag van mijn moeder en knikte af en toe zonder dat irritante  ‘Aha’,  ‘Uhuh’ of ‘Jaja’ uit te stoten, die verscheuringen in de communicatie die helaas maar als te vaak hoorbaar zijn.<br />
Als men zijn gezicht zou opnemen vanaf de hals, zou er eerst een vierkante kin zichtbaar worden, met daarboven een verbeten mond; een grote neus; zwarte ogen als diepe gaten in dik perkament; een hoog voorhoofd en als afsluiting kleine zilverwitte krulletjes. Ik had als jongetje ergens gelezen dat een hoog voorhoofd wijsheid impliceert. Nu heb ik dat altijd een typisch pseudo-wetenschappelijke bewering gevonden, maar voor hem ging het wel degelijk op. Of zijn voorhoofd er ook maar iets mee te maken had of niet, zijn verhalen getuigden veelal van een levenservaring om ‘u’ tegen te zeggen. Deze man kende het klappen van de zweep. Vaak vroeg ik mij in een grimmige bui af of er littekens te zien zouden zijn op zijn rug. Zoals bij Stallone als John Rambo in <em>First Blood</em>.<br />
De laatste paar jaren van zijn leven was hij meestal gekleed in een joggingpak of een pyjama (wat hij ook voor een sporttenue hield, maar niemand, en ik zeker niet, attendeerde hem op zijn vergissing). Hij sprak wel van tijd tot tijd over een spijkerpak dat ergens achter in de kast moest hangen, maar dat hij niet meer kon vinden. Wij verzwegen dan maar dat hij daarmee het auto-ongeluk had gekregen dat hem bijna zijn leven kostte. De ambulancebroeders hadden het pak stuk moeten knippen om hun werk te kunnen doen. Nu refereerde alleen nog zijn relatief bolle buik aan het duistere verleden waarin een alcoholische liefde zijn dagen en zijn hart vulde.<br />
Na zijn overlijden was ik twee weken in de lorum en elke avond als ik thuiskwam riep ik zijn naam, of nee zijn titel: ‘Opa!’, en vroeg daarna waarom hij was weggegaan. Ik zag hem nog zitten voor het raam met zijn koffiekopje voor hem op de door een bordeauxrood kleed gestoffeerde tafel; het boegbeeld van mijn bestaan in pyjama.</p>
<p>‘Zo Bruno, dat is een tijdje geleden. Een paar weken?’<br />
Ik knikte.<br />
‘Nou, gecondoleerd vriend.’<br />
Joost zette een treurig gezicht op en stak zijn hand uit die ik schudde. Vervolgens krulden zijn lippen om en zei hij: ‘Heren, dit is Luigi.’ Hij wees naar een jongen met spits gierengezicht. Zijn ogen waren zwartomrand en lagen diep in hun kassen. ‘Hij is ook van Italiaanse komaf, net als jij Bruun.’<br />
We zaten in café Koeienoog en het weer was ons niet gunstig gezind. Sneeuwvlokken dwarrelden tegen de ruiten en de samengepakte wolken zorgden voor een dusdanige duisternis, dat kroegbazin Pieternel zich genoodzaakt voelde de lichten te ontsteken. Het voorspelde allemaal niet veel goeds.<br />
‘Ik heb dat verhaal van Brusselmans gelezen, Bruun,’ zei Joost glunderend terwijl hij naast mij neerplofte. ‘Je bent hier niet de enige academicus.’<br />
‘Daar gaan we weer.’ Peter rolde met zijn ogen, schoof het met spinnenwebben beklede glas Leffe naar zich toe en nam een grote slok.<br />
We bogen beiden van elkaar weg om Pieternel de ruimte te geven om de hangende kaars boven onze hoofden aan te steken.<br />
‘En?’ vroeg ik gemelijk.<br />
‘Nou, Radiohead is met vijf personen,’ begon hij. ‘En dat klonk goed volgens jouw idool. Dus heb ik Luigi gevraagd om met ons mee te doen.’<br />
Dacht hij nu werkelijk dat ik vier personen wilde omdat dat in een verhaal staat en dus vijf personen ook geen probleem vind omdat dat in datzelfde verhaal staat? Toegegeven: ik kwam op het idee om een band op te richten dankzij dat verhaal en het ‘magische’ getal vier dat daaraan vast hing. Maar komaan, we waren bezopen.<br />
‘Wat speel je?’ vroeg Rembrandt. Hij blies zachtjes naar de kaars. Het kleinzielige spelletje om zo lang mogelijk tegen een vlakkerend vlammetje te blazen zonder dat hij opging in een smeulend pitje had hij kennelijk nog niet af kunnen leren.<br />
Nog voor Luigi antwoord kon geven, brabbelde Joost: ‘Hij speelt gitaar, net als Bruun.’ Een tik tegen mijn schouder. ‘Ik dacht als hij nu eens <em>leadguitar</em> gaat doen, dan kan Bruun zich meer richten op de zang, samen met mij. Dan voegt Bruun alleen iets toe met zijn gitaar, zonder direct ook daarvoor zorg te hoeven dragen. Laten we wel wezen, die krijsende, snerpende akkoorden kunnen wel eens meer moeite kosten dan hij voor ogen heeft.’ Hij keek mij aan. ‘Alleen als jullie het goed vinden, natuurlijk,’ voegde hij daar snel aan toe.<br />
Het was op zich geen slecht idee. Het zou mij veel last ontnemen, zeker. Maar wilde ik mijn positie als belangrijkste figuur van de band zomaar opgeven? Had ik die positie wel? Jazeker, ik; de bedenker van de band, <em>leadguitar</em> en <em>vocals</em>. En nu zou ik dat opgeven. Het was iets om langer over na te denken, dat wel. Maar acht rondjes verder zag ik in dat het mij allemaal niet zo heel veel kon schelen.<br />
Welkom Luigi.</p>
<p>Zo’n bandnaam, dat is niet niks. Pile of Cans bleek uiteindelijk niet te werken. Toen ik op een dag mijn haar, dat bestond uit een bosje schaafrullen, had geföhnd zei Luigi: ‘Coupe de Plumeau.’<br />
Hij zei niet zo veel, maar als hij wat zei dan sloeg het ergens op.<br />
De band was gedoopt.</p>
<p>Nog tien minuten. Ik wilde nog even gaan pissen, maar toen ik opstond van het bankje brulde ik een sloot kots met brokken over de kleedkamervloer.<br />
Ik kon dit niet. Niet zonder de man die mij overal in gesteund. Die ook nu in de zaal had moeten staan, joelend met zijn witte krullen die dansten om zijn hoofd. In de spiegel zag ik mijn stijlgeföhnde haar. Dit was ik niet. Dit was een man die probeerde te ontsnappen aan een oblomovistisch lot. Ik kon niet meer.<br />
Zonder acht te slaan op de uitsmijter op de vloer nam ik mijn jasje van het haakje en wandelde snel naar buiten. De verontwaardigde kreten van mijn bandleden loochende ik.</p>
<p>&#8212;</p>
<p>Alexander Baneman publiceerde eerder proza en poëzie in onder andere <em>Lava </em>en <em>Met andere zinnen. </em>Voor het Vlaamse blad <em>Weirdo&#8217;s </em>werkt hij aan een serie essays over het werk van Charles Dickens.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.deoptimist.net/2009/07/coupe-de-plumeau/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Merkstiftrood.</title>
		<link>http://www.deoptimist.net/2009/04/merkstiftrood/</link>
		<comments>http://www.deoptimist.net/2009/04/merkstiftrood/#comments</comments>
		<pubDate>Sun, 19 Apr 2009 21:32:11 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Jaron Beekes</dc:creator>
				<category><![CDATA[Kort verhaal]]></category>
		<category><![CDATA[Basje Boer]]></category>
		<category><![CDATA[Jaron Beekes]]></category>
		<category><![CDATA[merkstiftrood]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.deoptimist.net/?p=449</guid>
		<description><![CDATA[Basje Boer Illustratie: Jaron Beekes Ik schreef vroeger dagboek. Ik schreef over de kleren die ik aantrok om naar school te gaan. Over de soft-erotische films die Iris en ik keken als haar ouders gingen kaarten (een oudere man tikte jolig met een mattenklopper op de blote billen van een dienstmeisje met een schortje voor). [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Basje Boer<br />
Illustratie: Jaron Beekes</p>
<p>Ik schreef vroeger dagboek. Ik schreef over de kleren die ik aantrok om naar school te gaan. Over de soft-erotische films die Iris en ik keken als haar ouders gingen kaarten (een oudere man tikte jolig met een mattenklopper op de blote billen van een dienstmeisje met een schortje voor). Ik schreef over Rutger die had gezegd dat hij mijn sjaal mooi vond.<br />
Nu schrijf ik: Ik heb vakantie genomen van mijn leven en ik doe niets wat ik doorgaans zou doen en ik doe alles wat ik doorgaans niet zou doen. Als ik er geen blaren van zou krijgen, zou ik mijn linkerschoen aan mijn rechtervoet dragen.<br />
Ik slaap uit. Ik drink wodka in plaats van wijn. Ik doe de afwas en Jacob droogt. Ik blijf tot acht uur &#8216;s ochtends wakker en zie het langzaam licht worden achter Jacobs paars geschilderde vensters.<br />
Vannacht zat ik op de wc. Ik had gedronken. Wodka. Veel te veel wodka, zonder ijs. Ik had allang geplast maar het zat wel lekker op de pot. Het licht in de wc is rood; het peertje is met merkstift gekleurd. Tegenover de pot hangt een grote stoffige spiegel en in het rode licht ben ik mooi. Met mijn broek op mijn enkels zat ik misschien wel twintig minuten op de wc en ik glimlachte naar mezelf, wankelend op de pot. Mijn gedachten tuimelden over elkaar heen, alsof ik wiet had gerookt. Maar als ik stoned ben, komt er geen einde aan de denkstroom. Dan jagen de woorden door mijn hoofd en nog voor een gedachte eindigt, doemt er alweer een nieuwe op. Dan denk ik: &#8216;God, wat ben ik opgefokt.&#8217; Vervolgens denk ik alleen nog maar: &#8216;Opgefokt, opgefokt, op-ge-fokt, oooooopgeeeeeefoooookt.&#8217; Of er zingt een liedje in mijn hoofd: &#8216;Ik be-hen zooooo opgefokt, zooooo opgefokt, ooooopgefokt. Ik be-hen&#8230;&#8217; Ook nu struikelde de ene gedachte over de andere, maar het voelde anders. Het kon me niet schelen dat ik me geenszins van mijn eigen overpeinzingen bewust was. Klonk er een liedje in mijn kop, dan deinde ik kalm mee met de melodie, ondertussen grinnikend naar mijn eigen gezicht. Dat godvergeten mooie gezicht. Deed ik mijn haar naar achter, dan was ik prachtig. Kamde ik met mijn vingers de plukjes over mijn voorhoofd, dan was ik zo mogelijk nog verrukkelijker. Ik tuitte mijn lippen en liet de woordenstroom door mijn hoofd razen. Ik trok een wenkbrauw op en legde mijn kin tegen mijn schouder. Ik stak mijn borstkas vooruit en pruilde.</p>
<p><a href="http://www.deoptimist.net/wp-content/uploads/merkstiftrood-218x3002.jpg"><img class="size-large wp-image-3374 alignleft" title="merkstiftrood-218x300" src="http://www.deoptimist.net/wp-content/uploads/merkstiftrood-218x3002-743x1024.jpg" alt="" width="357" height="491" /></a></p>
<p>Toen kreeg ik een heldere gedachte. Ik moest iets doen wat ik niet eerder had gedaan. Niet de wodka, wodka dronk ik immers vaker. Niet de kleren, kleren doen er niet toe. Ik keek om me heen in het kleine toilet, om inspiratie op te doen. Toen wist ik het. Niet alleen had ik het nooit eerder gedaan, het was nooit eerder in me opgekomen. Het was een maagdelijke gedachte. Mijn hoofd was op avontuur.</p>
<p>Ik holde giechelend de gang op, mijn broek opgetrokken maar mijn gulp nog open, zocht in de keukenkastjes naar een wijnglas, holde terug naar de wc, plaste in het glas en dronk vervolgens mijn urine op. Toen ben ik gaan slapen, met Jacob natuurlijk.</p>
<p>&#8212;</p>
<p><a href="http://www.basjeboer.nl">www.basjeboer.nl</a></p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.deoptimist.net/2009/04/merkstiftrood/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Vergeet alles wat je dacht te weten.</title>
		<link>http://www.deoptimist.net/2008/12/vergeet-alles-wat-je-dacht-te-weten/</link>
		<comments>http://www.deoptimist.net/2008/12/vergeet-alles-wat-je-dacht-te-weten/#comments</comments>
		<pubDate>Sun, 30 Nov 2008 23:03:41 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Jaron Beekes</dc:creator>
				<category><![CDATA[Kort verhaal]]></category>
		<category><![CDATA[Harm Haverman]]></category>
		<category><![CDATA[Jaron Beekes]]></category>
		<category><![CDATA[nummer 13]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.deoptimist.net/test/?p=39</guid>
		<description><![CDATA[Harm Haverman Illustratie: Jaron Beekes Hier loop ik, nummer 13, met mijn hoofd tegen de vroege, snijdende oktoberwind en een zware rugzak die aan mijn schouders trekt. Een nog zwaardere lading spijt en herinneringen trekt mijn rug krom en maakt dat mijn enkels bij elke stap zwikken in mijn laarzen. Maar ik vertel mezelf dat [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Harm Haverman<br />
Illustratie: Jaron Beekes</p>
<p>Hier loop ik, nummer 13, met mijn hoofd tegen de vroege, snijdende oktoberwind en een zware rugzak die aan mijn schouders trekt. Een nog zwaardere lading spijt en herinneringen trekt mijn rug krom en maakt dat mijn enkels bij elke stap zwikken in mijn laarzen. Maar ik vertel mezelf dat ik hard ben, keihard. Hier loop ik, 13 noemen ze mij. De eerste dag tatoeëerden ze het nummer op mijn hand, opdat ik het nooit vergeten zou. Hier loopt nummer 13 onverdroten voort met de vaal vieze lucht van een opgever om hem heen, de opgever voor wie er geen verschil meer is tussen doorgaan of stilstaan, want een verschil maken doet niets meer op dit punt. Zoals een tak die afbreekt boven de rivier en wordt meegevoerd door het water, zonder zelf te kiezen waarheen of waarom, zo marcheer ik. Ik ben een blok aan het been van dit peloton en zij weten dat ook: zij hebben mij zien sterven en ze walgen ervan. Hier marcheer ik, 13, als soldaat in het leger der nieuw geboren hopelozen, en vervloek met elke nieuwe stap de zon, de maan en, hoe klein ze ook is, mijn wereld.</p>
<p>De soldaat rechts van mij vroeg me gisteren of ik dan soms vond dat ik iets beters verdiend heb, en ik kon niets anders doen dan met ingehouden adem de verte in staren. Ik kan niet denken maar toch denk ik dat ik gek word. Ik kijk naar de lucht en de hemel daalt op me neer en slokt me op. Alles is blauw nu. Mijn marcheren is nauwelijks nog marcheren, het verzandt tot een slenteren, een beschamend zwalken. Hier loopt de dronken soldaat, komt allen kijken!&#8217;13! Terug in het gelid vuile lafaard! Mannen! Neerwaarts mars! De ondergang ligt onder ons en niet voor of achter ons dus houd je blik op beneden gericht! Gedraag je als een man! Ten onder! Kijk naar soldaat 13, die stinkende rat, om te zien hoe je lang kan lijden alvorens aan je eind te komen! Naar benee! Naar benee!&#8217;</p>
<p>Zo marcheer ik hier onder de dwang van een bajonet in mijn rug terwijl hysterie aan mijn adem trekt en haar vervormt tot een mismaakt gekreun, elke keer dat een nieuw spook van vroeger zich aandient. Ik ben een forens op weg naar hel, dag na dag, gekruisigd voor de misdaden van niet meer dan hooguit een handjevol.</p>
<p>Ik kan mij niet herinneren mij hiervoor te hebben opgegeven. Ik had niet kunnen weten dat dit het gevolg zou zijn. Ik heb nooit ergens om gevraagd, alleen iets in de schoot geworpen gekregen. Had men mij een keuze gegeven, dan verkoos ik een auto ongeluk, of nee, beter nog, een schipbreuk. Dan stond ik op dek met mijn knokkels wit om de reling, mijn rug recht en schouders naar achteren en staarde de golven recht in de ogen met om mij heen de honderden mannen, vrouwen en kinderen aan boord, allen schreeuwend in een blinde paniek om deze grote onrechtvaardigheid. &#8216;Oh God! Niet ik! Niet nu!&#8217; Dan keek ik toe hoe de ratten in lange stromen het schip verlieten en de eer aan zichzelf hielden. Dan zag ik hoe mannen in uniform orders de lucht in slingerden op het ritme van de ratelende kettingen waaraan reddingsloepen mank en vervormd te water gelaten werden, om vervolgens met knikkende knieën en een natte vlek in hun kruis de sloepen achterna te springen. Buigend staal, brekende kabels en uit elkaar spattend glas maakte deze glorieuze symfonie compleet terwijl kortsluiting en uitslaande vlammen de belichting verzorgden. Dan voelde ik hoe het water mijn schoenen binnen liep, hoe het trok aan de pijpen van mijn broek, hoe het mij tot op het bot doorweekte. Terwijl het schip ten onder ging en het water verder steeg, voelde ik het water als de troostende armen van een goede vriend die mijn schouders omvatten; als de zachte en zoute lippen van een jonge liefde, na een vrijpartij waarin alles is vergeten en vergeven, op mijn lippen. En als laatste wierp het water een zware en donzige deken over mij heen terwijl ik de reling liet gaan en mij weg gaf aan de grote oceaan en de enige slaap die rust geeft sliep. Tot in de eeuwigheid zou ik zweven en rond drijven en dit alles zou gedaan zijn. Geen last meer op mijn rug, geen bajonet meer in mijn rug, nooit meer zonder einde voort marcheren door deze straten.</p>
<p>Maar ik speel de kaarten die ik gedeeld krijg op advies van mijn vader, dus ik zeg nog een keer tegen mezelf dat ik mijn kin omlaag moet houden en niet voor- of achterom moet kijken. Geen golven maken. Slapende honden laten slapen, 13.<img class="aligncenter size-medium wp-image-141" title="vergeet_alles" src="http://www.deoptimist.net/wp-content/uploads/vergeet-alles2.jpg" alt="" width="442" height="238" />&#8216;Het is een tijd van oorlog, 13! Oprotten met je warrige praatjes over zweven in boten! Jij bent een gevaar voor je peloton! Jij hebt een taak en die taak komt eerst! Naar benee! Naar benee! We gaan allemaal ten onder!’<br />
‘En je hebt het aan jezelf te danken, 13! Jij hebt je kans gehad, je kreeg jouw tijd in de zon en je hebt het allemaal verkwanseld. Je hebt jezelf de leeuwenkuil in geworpen, overgeleverd aan de genade van deze halve gekken!’<br />
Een van de mannen in het peloton grijpt zijn kans, ik voel de kolf van een geweer tegen mijn achterhoofd. Ze hebben gelijk, ik heb dit inderdaad aan mijzelf te danken. Mijn benen vallen onder me weg en ik zit op mijn knieën, laat mijn hoofd zakken en draai me niet om om te zien van wie de klap afkomstig is. Meteen krijg ik weer een klap. Een hand sterker dan de mijne grijpt me bij mijn keel en knijpt hem dicht, een tweede hand sluit zich om mijn hart en knijpt. Mijn bloed stroomt tegen de richting in door mijn aderen. Een derde hand vormt een vuist en stompt me in mijn maag. Een vierde op mijn mond. Een regen van vuistslagen op mijn gezicht, maar in mijn hoofd blijft het stil. Ik rol me op tot een bal. Meer geweerkolven dalen op me neer. De lucht wordt uit mijn longen gezogen, ik stijg op uit mijn lijf en zie mijn lippen blauw worden terwijl elke cel in mijn lijf schreeuwt om zuurstof. Van boven neerkijkend zie ik de tegels van het trottoir openen en mijn lichaam opslokken in het zwarte water van een nachtelijke Atlantische Oceaan.</p>
<p>Mijn lichaam tuimelt en buitelt, dimensies worden geschrapt uit de kaders van deze wereld. ‘Ik krijg wat ik wil&#8217; is mijn laatste gedachte. ‘Het water neemt mij tot zich, eindelijk slaap voor altijd.’ Mijn lijf vecht tegen de zee en ademt mijn longen vol water, maar verdrinken doet het niet. Dit is geen slaap maar een ontsnapping! Ik ben de toekomst! Krankzinnig van geluk zal ik neerdalen naar de zeebodem, waar ik onderdak vind in een walvisgeraamte en mezelf in leven houd met het verzamelen van kelp en schelpen. Ik zal escargots kweken en haring uit het water plukken, kreeft eten wanneer ik wil. Ik ben alleen op de laatste plek op aarde waar iemand me ooit zal komen zoeken. Tijd zal voort kabbelen zonder dagen of nachten, zonder bezoek of brieven van verre vrienden. De zee is alles wat ik nodig heb en met haar voer ik oneindige gesprekken. Hier is niks, hier ben ik niks, hier voel ik niks, hier denk ik niks, hier besta ik. Er zullen dagen zijn dat ik omhoog kijk naar de oppervlakte van de oceaan en door de golven heen de zon zie. Op die dagen speur ik naar een gevoel van heimwee of nostalgie maar zonder resultaat, ik ben de zee en de zee is mij en ik woon in haar armen. Een leven lang leef ik hier in perfecte staat van vrede, tot een klap van een geweerkolf tegen mijn voorhoofd mij terugroept naar het hier en nu.</p>
<p>Aan mijn haren word ik naar boven getrokken en vervolgens terug op het trottoir geworpen. Dit is het einde, of in ieder geval het einde nabij, mocht een einde echt bestaan. Zonder dat iemand een woord zegt trek ik mijn jas dichter om me heen terwijl ik weet dat het de wind niet buiten zal houden. Ik slinger mijn rugzak weer om mijn schouders en zet beschaamd mijn ene voet voor de andere. ‘Lafaard’. Er komt geen redding, nooit, voor niemand van ons.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.deoptimist.net/2008/12/vergeet-alles-wat-je-dacht-te-weten/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
	</channel>
</rss>

