Merkstiftrood

Door
19 april 2009

Ik schreef vroeger dagboek. Ik schreef over de kleren die ik aantrok om naar school te gaan. Over de soft-erotische films die Iris en ik keken als haar ouders gingen kaarten (een oudere man tikte jolig met een mattenklopper op de blote billen van een dienstmeisje met een schortje voor). Ik schreef over Rutger die had gezegd dat hij mijn sjaal mooi vond. Nu schrijf ik: Ik heb vakantie genomen van mijn leven en ik doe niets wat ik doorgaans zou doen en ik doe alles wat ik doorgaans niet zou doen. Als ik er geen blaren van zou krijgen, zou ik mijn linkerschoen aan mijn rechtervoet dragen. Ik slaap uit. Ik drink wodka in plaats van wijn. Ik doe de afwas en Jacob droogt. Ik blijf tot acht uur ‘s ochtends wakker en zie het langzaam licht worden achter Jacobs paars geschilderde vensters. Vannacht zat ik op de wc. Ik had gedronken. Wodka. Veel te veel wodka, zonder ijs. Ik had allang geplast maar het zat wel lekker op de pot. Het licht in de wc is rood; het peertje is met merkstift gekleurd. Tegenover de pot hangt een grote stoffige spiegel en in het rode licht ben ik mooi. Met mijn broek op mijn enkels zat ik misschien wel twintig minuten op de wc en ik glimlachte naar mezelf, wankelend op de pot. Mijn gedachten tuimelden over elkaar heen, alsof ik wiet had gerookt. Maar als ik stoned ben, komt er geen einde aan de denkstroom. Dan jagen de woorden door mijn hoofd en nog voor een gedachte eindigt, doemt er alweer een nieuwe op. Dan denk ik: ‘God, wat ben ik opgefokt.’ Vervolgens denk ik alleen nog maar: ‘Opgefokt, opgefokt, op-ge-fokt, oooooopgeeeeeefoooookt.’ Of er zingt een liedje in mijn hoofd: ‘Ik be-hen zooooo opgefokt, zooooo opgefokt, ooooopgefokt. Ik be-hen…’ Ook nu struikelde de ene gedachte over de andere, maar het voelde anders. Het kon me niet schelen dat ik me geenszins van mijn eigen overpeinzingen bewust was. Klonk er een liedje in mijn kop, dan deinde ik kalm mee met de melodie, ondertussen grinnikend naar mijn eigen gezicht. Dat godvergeten mooie gezicht. Deed ik mijn haar naar achter, dan was ik prachtig. Kamde ik met mijn vingers de plukjes over mijn voorhoofd, dan was ik zo mogelijk nog verrukkelijker. Ik tuitte mijn lippen en liet de woordenstroom door mijn hoofd razen. Ik trok een wenkbrauw op en legde mijn kin tegen mijn schouder. Ik stak mijn borstkas vooruit en pruilde.

Toen kreeg ik een heldere gedachte. Ik moest iets doen wat ik niet eerder had gedaan. Niet de wodka, wodka dronk ik immers vaker. Niet de kleren, kleren doen er niet toe. Ik keek om me heen in het kleine toilet, om inspiratie op te doen. Toen wist ik het. Niet alleen had ik het nooit eerder gedaan, het was nooit eerder in me opgekomen. Het was een maagdelijke gedachte. Mijn hoofd was op avontuur. Ik holde giechelend de gang op, mijn broek opgetrokken maar mijn gulp nog open, zocht in de keukenkastjes naar een wijnglas, holde terug naar de wc, plaste in het glas en dronk vervolgens mijn urine op. Toen ben ik gaan slapen, met Jacob natuurlijk. — www.basjeboer.nl

Lees meer van

Stijlestafette: Whatsapp

Door

Voor onze themamaand De Stilist vroegen wij deelnemers van De Stijlestafette om een variatie à la Queneau op onze oertekst te schrijven. 23.52 ‘Pierre, Marie is ladderzat en d’r fietssleutel kwijt, ze kan niet alleen naar huis zo, kan je d’r komen oppikken?’ 0.12 ‘Lees je berichten ff man, ze loopt nu buiten op brug in d’r […]

Lees meer uit de categorie

Poëzieweek 2016

Door

  hond haai hommel * er zijn dagen dat de hond zijn naam vergeetroerloos op de rand van het erf zit de nestbouwers in de gaten houdtde sluiprouteracers bespiedtde weilandwandelaars volgt dagen dat de hond Het Geluid ontleedtonderliggende betekenissen in kaart brengt hij ruikt al dat de lucht over uren donker kleurthoort de toerist zijn […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper