Kort verhaal

Roes

Door David Jacobowicz | beeld: RAWBRT.com
24 mei 2009

We mogen geen vreemden voor elkaar blijven. Ik weet niet waar dat gevoel vandaan komt, maar ik herken deze momenten inmiddels en het is volkomen vergeefse moeite me er tegen te verzetten. Door mijn natte, hangende haren heen is ze opeens in mijn gezichtsveld verschenen. Mooi is ze zeker niet, maar ik minder onmiddellijk mijn snelheid. Het is allerminst gebruikelijk dat ik mijn snelheid minder. Hardlopen is mijn meditatie. Het ritme verdwijnt geleidelijk. Nu mijn voeten tot stilstand zijn gekomen, word ik me ervan bewust dat het meisje dat mij wist te vertragen, met grote ogen mijn kant op kijkt. Ik kijk naar mijn shirt en vraag me af hoe erg ik nu zou zweten, indien ik niet gelopen had. Ik probeer mezelf tot rust te manen, maar mijn hartslag is in het hele park te horen. “Escusa me,” zegt ze als ze voor me staat. Ze heeft een bloem in haar haar. Ik houd van meisjes met een bloem in het haar. Ze stellen me gerust. “Yes,” zeg ik en ik kan me wel voor mijn kop slaan om mijn compacte woordkeus. “Do you live here?” De woorden komen vreemd uit haar mond. Ze lispelt een beetje, maar dat is het niet. Het lijkt wel of de beweging van haar paarsrode lippen en haar stemgeluid niet helemaal overeenkomen, als in een nagesynchroniseerde serie op de Duitse televisie. “Central Station?” vervolgt ze en ik denk nu een Italiaans accent te kunnen bespeuren. Ik doe een vergeefse poging om haar de weg naar het station te wijzen. Haar bruine gevoelige ogen volgen mijn handen. Ik praat nogal veel met mijn handen. Ik stel voor om haar in ieder geval het park uit te leiden, zodat ze op het Leidseplein de tram naar Centraal kan nemen. We lopen langs ‘t Blauwe Theehuis en ze begint druk te wijzen en hard te lachen. “You live here?” vraagt ze weer, deze keer bijna euforisch. Ik lach maar een beetje met haar mee, dat lijkt me het beste, er is iets merkwaardigs met haar aan de hand. Ik kijk haar diep in de ogen. “Occhi sensibili,” zeg ik dan maar. Dat is Italiaans voor gevoelige ogen. Ik spreek geen Italiaans, maar deze woorden had ik ooit gelezen op het etiket van mijn fles lenzenvloeistof. Even maakt haar glimlach plaats voor een paranoïde blik. Ze kijkt me strak aan. Dan ontdooit ze en ze gebaart me dichter bij te komen. “I ate too much vegetables,” fluistert ze in mijn oor. Ze kijkt me ondeugend aan. “Vegetables?” “You know, your local speciality.” Ze geeft me een knipoog. Tijdens het vervolg van onze wandeling worden de contouren van haar dag me langzaam duidelijk: ze heeft sinds vanochtend haar vriendinnen niet meer gezien en vanavond vertrekt hun trein naar Bologna. We lopen het park uit en ze schrikt op van een fiets, waardoor ze bijna onder een tram komt. Ik sta aan de grond genageld. Zij kan er gelukkig om lachen. Ik leg haar wat gehaast uit dat ik haar op de tram ga zetten naar het Centraal Station, dat ik het helaas niet haal om mee te gaan, omdat ik zelf ook een trein moet halen en ik eerst nog wil douchen. Ze zegt dat dit geen probleem is, dat haar vriendinnen haar vast staan op te wachten op het station. “For you,” zeg ik nog snel, terwijl de tram al in zicht is. Op de verfrommelde achterkant van een pakje kauwgom heb ik ‘SOS’ en mijn mobiele nummer gekrast. “In case of emergency,” zeg ik, maar ik hoop natuurlijk dat ze nog eens terug naar Amsterdam komt. “Thank you, little wise man.” Ze aait me over mijn rode pet en kijkt me aan vol verwondering. Ze stopt de verfrommelde achterkant met mijn nummer in haar zak en stapt in de tram. Terwijl ik haar nakijk, realiseer ik me dat ik figureer in haar roes. Ik ben onderdeel van haar hallucinatie. Voor haar ben ik de reddende kabouter met de rode puntmuts die in een blauw theehuisje in het bos woont. Zeventig minuten later zit ik in de trein, op weg naar mijn ouders in Haarlem. Ik hoop dat ze ooit eens belt. Ik weet niet waarom, maar ze heeft me een goed gevoel gegeven. Dat komt mooi uit, want mijn ouders houden er niet van als ik in een existentiële fase verkeer. Zo nu en dan verlies ik me in mentale zelfkastijding. Na al die jaren kan ik vrij nauwkeurig inschatten welke remedies me dan bij mijn ouders te wachten staan. Een afwezige blik: 350 calorieën. Twijfel: 500 calorieën. Een lastige vraag: 1000 calorieën plus een ongepast luchtig antwoord. Problemen worden niet opgelost, maar opgegeten. Ik denk dat het chocoladetaart was geworden. Zou zij van chocoladetaart houden? Zou zij al in de trein naar Bologna zitten? Had ik haar niet toch even naar het station moeten brengen? Ik kijk naar een nietszeggende jongen tegenover me in de trein in de hoop een gesprek over koetjes en kalfjes te kunnen beginnen. Hij kijkt een kort ogenblik op van zijn boek, maar wendt zijn blik dan weer vlug af. Ik doe mijn ogen dicht. Ik voel hoe mijn lichaam langs het landschap wordt geduwd. Ik zucht van voldoening. “In beweging presteer ik beter,” zeg ik tegen de nietszeggende jongen tegenover me. “Lezen, schrijven, eten, slapen: ik kan het allemaal beter in de trein.” De nietszeggende jongen blijft strak naar zijn boek kijken, zijn tanden gespannen op elkaar. “Als ik niet wilde slapen toen ik klein was, legden mijn ouders me op de achterbank van de auto en dan reden ze net zoveel rondjes tot ik weer rustig was”, vervolg ik. De nietszeggende jongen tegenover me lijkt zijn boek nog steviger vast te nemen en hij brengt het omhoog richting zijn kin, als het ware een schild. “En weet je wat ik zo fascinerend vind..” ga ik onverstoorbaar door: “..dat we wel in een trein stappen zonder erbij na te denken, terwijl we buiten de trein zo huiverig zijn om de controle uit handen ..” In een abrupte beweging komt alles en iedereen tot stilstand. Stilte. Geruis. Stilte. En na een tijd weer het geruis van de omroepinstallatie. “Dames en heren reizigers, wegens een aanrijding met een persoon zijn we zojuist tot stilstand gekomen, dat zult u wellicht gemerkt hebben. Houdt u alstublieft rekening met minimaal drie kwartier vertraging.”

Ik weet niet wat er gebeurd is, maar ik voel me ongemakkelijk. Een aanrijding met een persoon? Wat betekent dit? Is het de gedachte aan 45 minuten vertraging als de waarde van een mensenleven die me misselijk maakt? Ik kijk naar de nietszeggende jongen. Ik had verwacht dat hij inmiddels met het boek op zijn neus zou zitten. Maar hij heeft het boek weggelegd en kijkt naar mij. Zijn tanden lijken nu zelfs van elkaar te komen. “Het is ook altijd wat hè, met die NS,” zegt de nietszeggende jongen. Ik wil iets terug zeggen, maar ik weet waarschijnlijk niet wat. Ik sta op. Ik kijk uit het raam, maar er is niets te zien. Het is al donker. Ik ga weer zitten. De trein staat stil. Ik ben duizelig. Ik sta weer op om te kijken of er een deur open kan. De deur is vergrendeld. Ik loop door naar de volgende wagon, maar ook hier is de deur vergrendeld. Alle deuren zijn vergrendeld. Mijn telefoon gaat. Ik besluit niet te kijken wie het is. Ik besluit toch te kijken wie het is. Het is een onbekend nummer. Mijn hart gaat tekeer. Ik heb het benauwd. Een vreemde neemt me bij de arm en zet me op een stoel. Zij is het. Zij moet het zijn. Zij is onder de trein gekomen. Ik denk weer aan het papiertje waar ik mijn nummer op heb geschreven. Ze wilde niet springen, het was haar roes, dan is een spoor geen spoor. Maar zij is het. En nu is ze gevonden door het ambulancepersoneel. Net als het verfrommelde papiertje. En daarom bellen ze mij nu. Dat voel ik. — David Jacobowicz woont en werkt in Amsterdam, dit is zijn debuut. David ontvangt graag reacties op jacobowiczdavid@gmail.com

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

Doodgewoon

Door Selma Oueddan

Op 18 juni vond de finale van Kunstbende 2016 plaats in TivoliVredenburg. Een van de prijzen voor de winnaars in de categorie Taal: publicatie op De Optimist. Selma Oueddan (14 jaar) won de derde prijs met dit gedicht. Hier zie je hoe ze het voordroeg tijdens de finale. Samen met de redactie van De Optimist […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper