Kort verhaal

Coupe de Plumeau

Door Alexander Baneman | beeld: Jaron Beekes
21 juli 2009

De bankjes in de kleedkamer waren mij te smal. Of misschien lag het niet aan de vastgeschroefde houten planken, maar aan de afstand daarvan tot de muur. Als ik iets te veel wiebelde schoof mijn scharregat zo de opening in. Voor dikzakken die doorgaans gebruik maakten van dit witte hok om hun pondjes eraf te trainen, zou het precies goed zijn. Met hun dikke reten over de rand heen gelubberd. Rembrandt stond voor een gebarsten spiegel zijn halflange blonde haar in model te brengen met gel. Tegen beter weten in. Hoe vaak hadden wij hem al niet gewaarschuwd voor dat spul? Het paste niet bij onze ‘stiel’. Maar Rembrandt moest en zou zijn springerige haar ‘doen’. Grote klodders verdwenen in de baal stro. Het leek uiteindelijk op pasta in olie. Tranen van zweet rolden kriebelig langs mijn gezicht en vielen op mijn spijkerbroek. ‘Can I play with madness?!’ schreeuwde mijn T-shirt. De met paarse vilstift getekende droeve gezichten op de witte neuzen van mijn gympen leken de opdruk te kunnen lezen. Ik bekeek de motieven op mijn gemêleerde onderarmen. Nog een half uur… Het viel mij voor het eerst op toen ik een gitaar kocht. Een elektrische. Met een gifgroen plectrum in mijn dikke worstenvingertjes geklemd, gleed ik langs de snaren. Aderen waren nauwelijks te zien op de rug van mijn hand. Sommige handen hebben hele stelsels en netwerken, maar bij mij leek het oppervlak geheel glad, met hier en daar een minieme ophoging. Het waren precies dezelfde handen als die van mijn grootvader, God hebbe zijn ziel. Hij was toen drie maanden eerder gestorven aan een inwendige bloeding. Hij belde om elf uur ’s avonds een ambulance voor pijn in de borst. Ze vonden hem liggend in de hal met zijn handen over zijn buik gevouwen. Alsof een aanwezige geest met een boodschap aan zijn armen had staan sjorren om ze in de juiste positie te krijgen. Zijn vergulden ringen lagen op het ouderwets houten toilet, dat diende als telefoonkastje, ook in de hal. Hij werd afgevoerd en later gereanimeerd, maar het werkelijke knelpunt in zijn afgesleten lichaam ontging de geneesheren voorkomen. Na een paar uur was hij dood. De medici stonden voor een raadsel en waren door mij tot in de eeuwigheid verdoemd. Mijn moeder, haar broers en ik moesten nog drie kwartier in de rouwkamer met karakteristieke stoelen van zwart leder wachten voor de dienstdoende artsen de tijd hadden gevonden om tekst en uitleg te geven. Ik kan mij hun gezichten niet meer voor de geest halen. Ik rekende de gitaar (Een Bc Rich Platinum Ironbird) contant af bij het bebrilde walnootje achter de kassa en strompelde met de koffer de winkel uit. Ik liep meteen door naar huis waar ik in mijn kamer (ik woonde nog ‘thuis’) voor de spiegel ging staan en mijn gezicht eens goed opnam. Waren er nog meer gelijkenissen? Alleen dat oog, maar dat wist ik al. Mijn rechteroog is iets kleiner dan het linker, een eigenschap die bij zware vermoeidheid en dronken buien wordt versterkt. Ja, en dat haar. Stugge krullen, met een diameter van anderhalve centimeter per stuk. Ik probeerde mijn tranen weg te slikken, maar mijn spiegelbeeld gaf snel te kennen dat die missie niet zou slagen. Mijn grootvader leefde nog toen ik op het idee kwam een band op te richten. We zaten op de Dam in Amsterdam en tankten verdovende hoeveelheden bier weg. Zoals altijd als ik teveel gedronken heb, kwam er op een gegeven moment een soort roes van stille melancholie over mij. Het gebeurde meestal als de dronkemansgesprekken stokten en het drankgezelschap maar wat voor zich uit zat te staren.

Kijk ons eens zitten, mompelde ik in mezelf. Vier nietsnutten. Een verhuizer met meer dagen in de ziektewet dan in de kartonnen dozen; een uitkeringtrekker die zichzelf beschouwd als de nieuwe Van Rijn en twee studenten die heel misschien met een routeplanner de tentamenzalen kunnen vinden. Er moest iets veranderen en op dat moment schoot het getal vier door mijn hoofd. Het magische getal vier! ‘Weet je wat wij zouden moeten doen,’ sprak ik plechtig. ‘Een band oprichten.’ ‘Pffft, heb je hem weer,’ giechelde Rembrandt. Ook Peter glimlachte bij mijn woorden. Joost leunde naar voren op zijn knieën en keek mij tersluiks aan. ‘Een band?’ vroeg hij. ‘Ja, een band,’ zei ik. ‘We zijn met vier personen. Het perfecte aantal voor een band. Heeft iemand hier het verhaal ‘Wie ligt wakker van Radiohead?’ van Herman Brusselmans gelezen?’ ‘Radiohead is een band die bestaat uit vijf personen, meneer de wetenschapper,’ antwoordde Peter. Hij nam een grote slok en viel bijna om. ‘Weet ik, weet ik,’ zei ik vlug. ‘In dat verhaal geeft Brusselmans zijn visie op het aantal bandleden. Vier.’ Ik stak het aantal vingers in de lucht. ‘Kent niemand van jullie dat verhaal? Gepubliceerd in de bundel Bloemen op mijn graf.’ ‘We studeren niet allemaal letterkunde.’ Joost probeerde zijn twaalfde blikje op de andere elf te stapelen, wat door een lichte tremor in zijn handen jammerlijk mislukte. ‘Maar vier is inderdaad een perfect getal,’ zei hij pompeus, het blikje toch maar vasthoudend. ‘Als ik dat mag zeggen als mathematicus in wording.’ Tja, ze waren makkelijk over te halen. Peter helemaal; wat kon hem het schelen? Volgens de papieren zat hij aan huis gekluisterd met een slijmbeursontsteking. De opzet werd gemaakt op een los velletje lijntjespapier dat ik uit mijn collegeblok scheurde. De volgende dag kon uit mijn dokterbibberhandschrift het volgende opmaken: Peter op drums Joost met vocals; meer kan hij niet Rembrandt op de bas. ‘IK SPEEL DE BA(A)S’ Bruno: leadguitar en vocals Naam band: onbekend. Misschien Piles of cans????? Ik schudde mijn hoofd en zwiepte de zweetdruppels in een warme motregen uit mijn haar tegen de muur. Was het echt zo heet? Ik wist het niet. Een hete stroom lucht stoomde langs de ietwat verwijde hals van mijn T-shirt naar mijn gezicht. Ik was er zeker van dat mijn bleke wangen langzamerhand al geheel rood ingekleurd waren. De overige bandleden stonden nu relaxed tegen de glanzende tegels, die in samenwerking met de bruin geworden voegen de vier muren van de kleedkamer vormden. Hier en daar onderbroken door posters van de gouverneur van Californië in zijn glorietijd en Lou Ferrigno met groene schmink. Door een blauwige gloed aangetast. Alleen ik zat nog op het smalle bankje. ‘Peter,’ gromde ik. Hij wendde zijn blik niet af van zijn gevlamde broek, maar kreunde ter bevestiging. ‘Speel eens wat.’ Zonder weerwoord pakte hij de drumstokjes uit zijn achterzak, settelde zich in kleermakerszit op de grond en tikte met zijn vettige slierten voor zijn ogen een ritme uit één van de nummers die later een multifone invulling zouden gaan krijgen, op het zeil. Nog twintig minuten… Mijn grootvaders gezichtsuitdrukking hield het midden tussen kinderlijke onschuld en deerniswekkendheid. Maar als mijn moeder hem vertelde over mijn veroveringen van meisjes uit de kleuterklas, mijn knokpartijtjes of later over mijn vorderingen op school en mijn plannen om iets met letteren te doen, begonnen zijn ogen te glimmen. Dan kom ik hem bijna horen denken aan zijn eigen jeugd. Gespannen luisterde hij dan naar het verslag van mijn moeder en knikte af en toe zonder dat irritante  ‘Aha’,  ‘Uhuh’ of ‘Jaja’ uit te stoten, die verscheuringen in de communicatie die helaas maar als te vaak hoorbaar zijn. Als men zijn gezicht zou opnemen vanaf de hals, zou er eerst een vierkante kin zichtbaar worden, met daarboven een verbeten mond; een grote neus; zwarte ogen als diepe gaten in dik perkament; een hoog voorhoofd en als afsluiting kleine zilverwitte krulletjes. Ik had als jongetje ergens gelezen dat een hoog voorhoofd wijsheid impliceert. Nu heb ik dat altijd een typisch pseudo-wetenschappelijke bewering gevonden, maar voor hem ging het wel degelijk op. Of zijn voorhoofd er ook maar iets mee te maken had of niet, zijn verhalen getuigden veelal van een levenservaring om ‘u’ tegen te zeggen. Deze man kende het klappen van de zweep. Vaak vroeg ik mij in een grimmige bui af of er littekens te zien zouden zijn op zijn rug. Zoals bij Stallone als John Rambo in First Blood. De laatste paar jaren van zijn leven was hij meestal gekleed in een joggingpak of een pyjama (wat hij ook voor een sporttenue hield, maar niemand, en ik zeker niet, attendeerde hem op zijn vergissing). Hij sprak wel van tijd tot tijd over een spijkerpak dat ergens achter in de kast moest hangen, maar dat hij niet meer kon vinden. Wij verzwegen dan maar dat hij daarmee het auto-ongeluk had gekregen dat hem bijna zijn leven kostte. De ambulancebroeders hadden het pak stuk moeten knippen om hun werk te kunnen doen. Nu refereerde alleen nog zijn relatief bolle buik aan het duistere verleden waarin een alcoholische liefde zijn dagen en zijn hart vulde. Na zijn overlijden was ik twee weken in de lorum en elke avond als ik thuiskwam riep ik zijn naam, of nee zijn titel: ‘Opa!’, en vroeg daarna waarom hij was weggegaan. Ik zag hem nog zitten voor het raam met zijn koffiekopje voor hem op de door een bordeauxrood kleed gestoffeerde tafel; het boegbeeld van mijn bestaan in pyjama. ‘Zo Bruno, dat is een tijdje geleden. Een paar weken?’ Ik knikte. ‘Nou, gecondoleerd vriend.’ Joost zette een treurig gezicht op en stak zijn hand uit die ik schudde. Vervolgens krulden zijn lippen om en zei hij: ‘Heren, dit is Luigi.’ Hij wees naar een jongen met spits gierengezicht. Zijn ogen waren zwartomrand en lagen diep in hun kassen. ‘Hij is ook van Italiaanse komaf, net als jij Bruun.’ We zaten in café Koeienoog en het weer was ons niet gunstig gezind. Sneeuwvlokken dwarrelden tegen de ruiten en de samengepakte wolken zorgden voor een dusdanige duisternis, dat kroegbazin Pieternel zich genoodzaakt voelde de lichten te ontsteken. Het voorspelde allemaal niet veel goeds. ‘Ik heb dat verhaal van Brusselmans gelezen, Bruun,’ zei Joost glunderend terwijl hij naast mij neerplofte. ‘Je bent hier niet de enige academicus.’ ‘Daar gaan we weer.’ Peter rolde met zijn ogen, schoof het met spinnenwebben beklede glas Leffe naar zich toe en nam een grote slok. We bogen beiden van elkaar weg om Pieternel de ruimte te geven om de hangende kaars boven onze hoofden aan te steken. ‘En?’ vroeg ik gemelijk. ‘Nou, Radiohead is met vijf personen,’ begon hij. ‘En dat klonk goed volgens jouw idool. Dus heb ik Luigi gevraagd om met ons mee te doen.’ Dacht hij nu werkelijk dat ik vier personen wilde omdat dat in een verhaal staat en dus vijf personen ook geen probleem vind omdat dat in datzelfde verhaal staat? Toegegeven: ik kwam op het idee om een band op te richten dankzij dat verhaal en het ‘magische’ getal vier dat daaraan vast hing. Maar komaan, we waren bezopen. ‘Wat speel je?’ vroeg Rembrandt. Hij blies zachtjes naar de kaars. Het kleinzielige spelletje om zo lang mogelijk tegen een vlakkerend vlammetje te blazen zonder dat hij opging in een smeulend pitje had hij kennelijk nog niet af kunnen leren. Nog voor Luigi antwoord kon geven, brabbelde Joost: ‘Hij speelt gitaar, net als Bruun.’ Een tik tegen mijn schouder. ‘Ik dacht als hij nu eens leadguitar gaat doen, dan kan Bruun zich meer richten op de zang, samen met mij. Dan voegt Bruun alleen iets toe met zijn gitaar, zonder direct ook daarvoor zorg te hoeven dragen. Laten we wel wezen, die krijsende, snerpende akkoorden kunnen wel eens meer moeite kosten dan hij voor ogen heeft.’ Hij keek mij aan. ‘Alleen als jullie het goed vinden, natuurlijk,’ voegde hij daar snel aan toe. Het was op zich geen slecht idee. Het zou mij veel last ontnemen, zeker. Maar wilde ik mijn positie als belangrijkste figuur van de band zomaar opgeven? Had ik die positie wel? Jazeker, ik; de bedenker van de band, leadguitar en vocals. En nu zou ik dat opgeven. Het was iets om langer over na te denken, dat wel. Maar acht rondjes verder zag ik in dat het mij allemaal niet zo heel veel kon schelen. Welkom Luigi. Zo’n bandnaam, dat is niet niks. Pile of Cans bleek uiteindelijk niet te werken. Toen ik op een dag mijn haar, dat bestond uit een bosje schaafrullen, had geföhnd zei Luigi: ‘Coupe de Plumeau.’ Hij zei niet zo veel, maar als hij wat zei dan sloeg het ergens op. De band was gedoopt. Nog tien minuten. Ik wilde nog even gaan pissen, maar toen ik opstond van het bankje brulde ik een sloot kots met brokken over de kleedkamervloer. Ik kon dit niet. Niet zonder de man die mij overal in gesteund. Die ook nu in de zaal had moeten staan, joelend met zijn witte krullen die dansten om zijn hoofd. In de spiegel zag ik mijn stijlgeföhnde haar. Dit was ik niet. Dit was een man die probeerde te ontsnappen aan een oblomovistisch lot. Ik kon niet meer. Zonder acht te slaan op de uitsmijter op de vloer nam ik mijn jasje van het haakje en wandelde snel naar buiten. De verontwaardigde kreten van mijn bandleden loochende ik.

Over de auteur

Alexander Baneman publiceerde eerder proza en poëzie in onder andere Lava en Met andere zinnen. Voor het Vlaamse blad Weirdo's werkte hij aan een serie essays over het werk van Charles Dickens.

Over de illustrator

Jaron Beekes (1982) is al sinds de oprichting in 2008 als illustrator aan De Optimist verbonden. Naast artikelen, cartoons en opiniestrips in onder andere NIW, Folia, Het Parool en nrc.next publiceerde hij de graphic novels De Lens van Spinoza (De Bezige Bij, 2011) en Epstein, het brein achter The Beatles (De Bezige Bij, 2013). Hij woont en werkt in Amsterdam. jaronbeekes.nl

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

De tragiek van een afwezige dood

Door Luckie S. Delacroix

Augustijn van Dinteren miste zijn ochtenderectie. Hij probeerde zich te herinneren wanneer hij voor het laatst wakker was geworden met een stijve, en hoewel hij dacht dat hij zich veel, zo niet alles, nog helder voor de geest kon halen, lukte het hem niet. Eigenlijk was dit helemaal geen gedachte die paste bij zijn respectabele, […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper