Kort verhaal

Smet

Door Henk van Straten
2 november 2009

Wellicht moet ik, alvorens een kijkje te gunnen in mijn aanstaande roman, de lezer eerst nog van wat achtergrondinformatie voorzien. Smet wordt verteld vanuit vier verschillende perspectieven: Tonny, Betsie, Darryl en Boonchan. Zij ontmoeten elkaar dankzij een praatgroepje voor fobische mensen, Het Genootschap der Levenden. Als de zoon van een hen zich bij de groep voegt, een blinde en schuchtere jongeman die zich al snel ontpopt tot profeet en religieus leider, slaan ze samen een weg in die moet leiden tot de overwinning van hun angsten, en naar de reünie met hun verloren liefde en levenslust. Smet gaat over angst op macroniveau. Over leven in een tijd waarin je niet weet van welke kant het gevaar zal komen, omdat het overal op de loer lijkt te liggen, en de media niet zullen aarzelen om er uitgebreid en aangedikt verslag van te doen. Klimaatverandering, leeggeviste zeeën, een Jihad tegen het Westen… Waar we eerst nog bang moesten zijn voor oprukkende killer bees, horen we nu dat de bij in rap tempo aan het uitsterven is. Wanneer waren bijen gewoon bijen? Waar is die tijd? We hebben er nooit kunnen van genieten, want niemand vertelde het ons. We gingen van angst naar angst, zonder tussenstops. Maar Smet gaat ook over angst op microniveau. Over de deur niet uit durven, bang voor wat je buiten wacht; bang zijn om je hart open te stellen na het verliezen van je vrouw en kind; bang een slechte vader te zijn; bang om zonder God door het leven te moeten; bang om je cynisme op te geven en iets aan je situatie te doen. Bang, dus, om te leven. Ik vond het erg lastig een representatief stuk uit te kiezen voor deze voorpublicatie. De verschillende protagonisten zitten zo dicht op elkaars huid dat ze los van elkaar moeilijk te begrijpen zijn. Ik heb vier passages uitgekozen die niet op zichzelf staan, maar de lezer desalniettemin toch een beeld geven van hoe het boek aanvoelt, wat de stijl ervan is, wat ik ermee heb willen bereiken. Zie het dus maar als samples. ——- Tonny Ickenroth Wat zo gek is, is dat ik er al die tijd van uit ben gegaan dat de wereld zal eindigen, maar dat dit, nu, hier, dan toch nog zo ontzettend pijn doet. Ik zie hem hangen, ik zie het touw om zijn nek, zijn witte vingers, en probeer mezelf wijs te maken dat het niet uitmaakt omdat we er straks toch allemaal aan gaan. Dat we met z’n allen niets meer zijn dan een momentopname van een minuscuul puntje in een oneindig en immens universum. Een spikkeltje ruis op een televisiescherm. Maar het helpt niet. Het is alsof iemand mijn maag op een waterkraan heeft aangesloten en het koude water maar blijft komen. ‘Lijk! Was dit nou echt nodig, Timo?’ Hij zegt niets terug. Dood en koud. Er zijn geen woorden meer. Nooit meer. Maar rekende ik daar dan nog op? Had ik stiekem nog hoop? Dacht ik dat er een kans bestond dat er tijdens mijn leven geen collectief einde zou komen? Dat we nog iets in het vooruitzicht hadden, mijn zoon en ik? ‘O, Timo…’ Ik stap naar hem toe, houd hem vast. Mijn jongen. Ik probeer de strop los te krijgen, maar het lukt niet. Godverdomme. Ik probeer hem los te trekken maar het helpt niets. Hij voelt zo slap. Zo dood. Soms hoor je dat mensen niet kunnen geloven dat iemand echt dood is, maar ik heb geen enkele twijfel. Eigenlijk heeft hij nooit echt geleefd. Verlamd door mijn narcisme en angst.  Opgezadeld met mijn dwingende aarzeling. Zijn dood is gewoon het zoveelste symptoom van slecht vaderschap. Er kruipt een bij over de muur. Het beestje is versufd, stuurloos. Hoe het zich tussen de planken en platen heeft weten te wurmen, is me een raadsel. Kwam het hier om me te vermoorden? Is het een verkenner van de dood? Is die zwerm killer bees dan eindelijk hier om de Apocalyps met hun doornige angels diep bij ons in te brengen, zodat hij ons van binnenuit zal opvreten? Of is het de laatste honingbij? De laatste der Apis mellifera, op zoek naar een laatste rustplaats, naar een koel onderkomen om te fossiliseren, vernederd, ondergewaardeerd, vernietigd. Het diertje loopt naar boven, raakt het plafond, valt naar beneden. Ik plaats de zool van mijn schoen op het wollige lijfje en voel het broze chitinepantser onder mijn voet verbrijzelen. Op Marks bureau zie ik een fotoalbum liggen. Een fotoalbum van ons, van vroeger. Foto’s om naar te kijken, leuk voor een blinde! Ik weet ook niet wat het hier doet. Waarschijnlijk heb ik het hem ooit gegeven, zonder erbij na te denken dat hij er niets mee kan. Verzwolgen door mijn eigen obsessies. En dat hij er dan niets over durfde zeggen. Dat zou me niets verbazen. Nee, zo zal het wel gegaan zijn. Misschien is dat album het laatste waar hij zijn snuffelende vingers over heeft laten glijden. Misschien… Hij is zo koud. Ik laat hem los, blader door het album. Tranen vallen op een foto van ons tweeën, samen voor de houtkachel, spelend met de lego. Dat kon hij heel goed. Al die puntjes en vormen maakten het makkelijker voor hem. De mooiste dingen maakte hij. Nooit iets van het plaatje, natuurlijk. Altijd abstracte vormen. Abstract maar logisch, en prachtig. En kijk deze foto dan, aan de eettafel op de kinderstoel, mijn hand onder zijn kin om hem naar de lepel te sturen, zijn ogen glazig en dood. Maar een glimlach, een glimlach die alles zei wat zijn ogen niet konden. Dat kleine mannetje. Zo moedig. Het verdriet in zijn gezicht als iets niet lukte, als hij zich realiseerde wie hij was, wat hij allemaal niet kon. Of besefte dat zijn moeder er niet was. Maar dan meteen daarna weer die sterke grijns, alsof hij alles van zich had afgeschud. En ik? Ik plakte het er allemaal weer bij hem op. Alle zware, existentiële bagage en giftige twijfel. Iedere keer opnieuw. Totdat hij het niet meer van zich af kón schudden. En nu hangt hij hier. En nu is het einde van de wereld het laatste wat ertoe doet. Boonchan Khieothong Juist als ik naar binnen wil gaan, komt iedereen de kerk uit gerend. Vrouwen schreeuwen naar hun kinderen, hun mannen. Sommigen krassen hun eigen gezichten open met lange, bebloede nagels. Een man grijpt de arm van zijn zoontje vast en roept: ‘De kelder! De kelder!’ terwijl zijn vrouw naar hem schreeuwt dat hij meer flessen water had moeten kopen. ‘Godverdomme, Wim! Meer water! We hebben niet genoeg water!’ Iedereen vraagt elkaar wat er aan de hand is. Ik ook, maar we krijgen geen van allen antwoord. Er komt iets aan, dat is wat er geroepen en geschreeuwd wordt, maar niemand weet wat of hoe of wanneer. Er is iets onderweg, dat is alles dat we weten. Natuurlijk is er iets onderweg. Er is altíjd iets onderweg. Dan kijk ik naar de lucht. Die heeft een andere kleur gekregen. Goud, bijna. Oké, ik geef toe, dat is niet helemaal koosjer. Hij lijkt wel vloeibaar. Ze rennen langs me heen. Huilend. Jammerend. Sommigen lachen hysterisch als kinderen die niet naar bed willen en tot vervelens toe rondjes blijven rennen. Ze botsen tegen elkaar, tegen mij. Maar ik blijf bewegingloos staan. Ik sluit mijn ogen en luister. Luister naar het doelloze geschreeuw. De angst. Ik voel de hitte. Voel het hete licht op mijn huid branden. Hoe het bloed en de tranen drogen nog voordat ze hebben kunnen schitteren. En ik adem in. Diep, diep, diep in… en uit. Als we gaan, laten we dan gaan. Laten we dan nu gaan. Allemaal, samen. Ik vind het niet erg. Ik ben er klaar voor. Ik ben er al tijden klaar voor. Want als we gaan, dan is het naar een plek ver van hier. Ja, echt, ik ben volkomen rustig. Het is oké. Sterker nog, hun geschreeuw is als muziek in mijn oren. Het is misschien niet erg nobel, zeker niet op een moment als dit, maar elke vezel in mijn lijf geniet van hun dierlijke angst. Van het feit dat ze de controle niet meer hebben. Dat hun dromen en garanties als kwik zijn verdampt en nu giftig en dodelijk hun eigen luchtwegen worden ingezogen. Deze perfecte mensen die het nooit hebben willen zien aankomen. Deze gladgepolijste prinsjes en prinsesjes die hun eigen vette stront nooit hebben willen opruimen en nu niet kunnen geloven dat het tot aan hun nek is komen te staan. Want dat is wat dat is. Deze gele, warme zee van licht. Het is de gloed van brandende stront, rondgesproeid met de collectieve anus van homo veelvraatus, met zijn mooie huisjes en dikke auto’s. Zijn fitnesscentra, yoga en health food. Met zijn duivelse reclames over antirimpelcrème en shampoo met parelextracten, rejuvination-complexen en de duurbetaalde leugen van het eeuwige, rijke leven. Met zijn groteske, bladgouden zelfpreservatie. Maar het bladgoud bladdert, jazeker, en eronder toont zich de eerste stinkende kring van de hel. Het moest zo zijn. Want wees nu eerlijk, een maatschappij waarin werkelijk iedereen een glossy magazine naar zich krijgt vernoemd vraagt er ook toch om te bezwijken aan haar eigen arrogantie? Een land vol met middelmatige mensen die op tv het liefst naar middelmatige mensen willen kijken die door middelmatige mensen worden geregisseerd om te doen zoals middelmatige mensen denken dat middelmatige mensen zouden doen als ze niet werden geregisseerd… Het Droste-effect, maar dan op een lege verpakking. Welnu, klootzakken, hier hebben jullie dan eindelijk de ultieme reality show. Nog steeds leuk? Komt lekker dichtbij, hè? Voel je de hitte? Lijkt haast wel alsof je erbij bent, niet? That’s right. Burn, fuckers, burn. Ik zeg: laat het maar komen. Laat het allemaal vergaan. Want daarna zal het anders zijn. Dan wordt de balans opnieuw opgemaakt. Dan wordt er opnieuw gedobbeld. En je bent nog dommer dan ik al dacht als je denkt dat ik dan weer als laatste eindig. Betsie Dekkers En dan ligt hij daar, in dat gat, in de aarde. Ik kan er maar niet over uit hoe rustig hij uit zijn ogen kijkt. Een beetje spottend, ook. Ik heb de hele tijd de neiging om hem iets te vragen, maar ik weet niet wat. En een antwoord zit er natuurlijk ook niet in. Maar niet omdat hij dood is. Nee, omdat we het niet mogen weten. Gek, hè? Darryl knielt neer naast zijn dochter. Hij begint te kokhalzen. Oog in oog met zijn zoon, zijn handen in de aarde. En dan braakt hij, doet geen enkele poging het tegen te houden of op te vangen. Hij braakt en hij braakt opnieuw. Eerst zijn het nog etensresten, maar al snel druipt er niet meer dan slijmerig gal uit zijn mond het graf in. De etensresten kletteren op de kist. Het gal druipt op het pak van Joseph, op zijn huid en haar. Darryl haalt adem. Hij is klaar. Er komt niets meer. Angel wrijft hem over zijn rug, haar ogen nog steeds op haar broer gericht. Haar vader veegt zijn mond af. Met de slijmerige hand grijpt hij naar de zwarte aarde en gooit hem over de kist, over zijn zoon. Opnieuw en opnieuw. Nu met twee handen. Meer en meer. ‘Mi yiu homber, mi mucha homber,’ jammert hij, terwijl de vloeibare zon zich langzaam maar zeker om ons heen sluit. Ik kijk naar Boonchan, zittend aan het graf met haar benen bungelend over de rand, en ze is van goud. Angel, op de grond naast haar vader, is van goud. Darryl, woest en gebroken, is van goud. De jongen in de grond, levenloos en koud, is van goud. Ik houd mijn handen voor mijn gezicht. Ik ben van goud. ‘Por fabor,’ kreunt Darryl, en hij wrijft de zwarte, vochtige aarde over zijn gezicht, in zijn baard, over zijn lijf, over zijn kale hoofd. Hij stopt het in zijn mond. ‘Por fabor, mi corazón. Zorg goed voor onze jongen.’ En ik? Ik kijk eens goed om me heen en sluit dan mijn ogen, vouw mijn handen in mijn schoot, adem eens diep in. En ik luister. Ik luister heel goed. Naar alles wat er te horen is. En dat is meer dan je denkt, dat kan ik je verzekeren. Darryl Flesje Het duurt even voor ik me schaam. Pas na het uitspugen van de laatste kluit aarde realiseer ik me dat de anderen er ook nog zijn. Boonchan, aan de andere kant van het graf, loert naar me en glimlacht. ‘Smile,’ zegt ze. ‘You’re on candid camera.’ Angel, naast me, staart naar haar broer, nu helemaal bedekt met aarde. ‘Te oro, ruman hòmber,’ zegt ze. Het is de eerste keer dat ik haar Papiaments hoor praten. Betsie, vlak achter me, wacht af. Ik voel haar wachten. Voel haar bescheidenheid en fatsoen. Ik draai me om en kijk haar aan. ‘Ik ben vies, hè?’ ‘Als een varken,’ zegt ze. Ze neemt mijn gezicht tussen haar handen en zoent me op mijn mond, op de aarde en het gal. ‘Maar dat varkentje kan ik wel wassen.’ ‘Ik…’ Maar dan zijn we omringd, omsloten, en drijven we in het gesmolten licht. Steeds hoger. Steeds verder weg. Ik ben dankbaar. Zo dankbaar. —– Smet van Henk van Straten verscheen eind oktober bij Lebowski Publishers.

Lees meer van

Het kortstondige en niet geheel onaangename tijdsvacuüm van Boud Bakker

Door Henk van Straten

Door zijn rechterarm op de juiste manier in een hoek van negentig graden te houden, kon Boud Bakker zijn bicep als een ongeduldig molletje kopjes laten geven tegen de binnenzijde van zijn met Clinique anti-blemish solutions clearing moisturizer ingesmeerde huid. Gedurende de eerste twintig minuten nadat de intercity station Utrecht had verlaten en richting Assen […]

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

Loodjeslijst

Door Miranda de Haan

De sigarettenautomaat staat half achter een doorgezakte bank. Er hangt een briefje op de automaat: ‘defecto’. Ik zucht. Op de bank slaapt een meisje. Ze ligt op haar zij en haar jurkje is tot over haar heupen opgekropen. Haar arm ligt over haar gezicht. Er hangt een spiegel boven de bank en naast mijn eigen […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper