Kort verhaal

Naoko zingt Norwegian Wood

Door Marco Bijl
3 december 2009

Zoals anderen squashen, of wekelijks golfen op zondagmorgen, zo heeft Naoko Nakamura op donderdag haar vaste karaokeavond, met haar baas, al zes jaar. “Nakamura-san, de taxi staat klaar!” Het bericht verschijnt via het bedrijfsnetwerk op haar scherm. Naoko sluit de computer af. De laatste uren van de donderdagse werkdag vult ze gewoonlijk met surfen en chatten. Ze is dan als laatste aanwezig op de afdeling. Haar collega’s hebben haar een gezellige avond gewenst. Het werk is klaar om zes uur, maar zij moet wachten op haar baas, die pas rond halftien uit vergadering komt. Buiten toetert de taxi. Ze zet het beeldscherm uit, trekt haar jas aan en neemt de lift naar beneden. Meneer Shinohara zit al voorin. Ze stapt in en groet zachtjes. Altijd rijdt de taxi naar dezelfde karaoke-bar in Shinjuku. Een luxe ruimte, verdeeld in studio’s met ouderwetse tv-schermen, op de achtste verdieping van het Dainippongebouw, boven het restaurant. Naoko en meneer Shinohara nemen studio 17 en het eerste nummer is: ‘Norwegian Wood’ van de Beatles. Daarna zingen ze Japanse klassiekers. Naoko Nakamura heeft geen mooie stem en geen passie voor zingen. Met haar negenentwintig jaar is ze de oudste op de afdeling. Er werken alleen vrouwen. De meeste van haar collega’s zullen net als hun voorgangers binnen een aantal jaar trouwen, moeder worden en dan stoppen met werken. Shinohara laat een fles whisky brengen. Naoko zingspreekt de regels op het scherm. De meeste nummers kent ze uit haar hoofd, wat aan het eind van de avond -als haar blik wat waziger begint te worden- wel gemakkelijk is. Vandaag drinkt ze thee. Door het bericht van de dokter vanmorgen weet ze dat ze de komende tijd geen alcohol moet drinken. Shinohara gebaart om zijn glas nog eens bij te schenken en zoekt met de afstandbediening op het scherm het volgende nummer. Naoko telt de liedjes. Ze weet dat bij dit nummer, over een trein die geliefden bij elkaar brengt, maar ook weer kan scheiden, Shinohara haar hand zal pakken en die de laatste nummers niet meer los zal laten. Hij belt de bediening voor nog een fles whisky. “Nakamura-san, hoe laat is het?’’ Het is halfeen. Nog vijf liedjes. Om één uur gaat de bar dicht. Vlak daarvoor zullen ze vertrekken. Dan staat de taxi weer voor het gebouw. Die brengt eerst Naoko naar huis en dan Shinohara. Bij Naoko thuis zal Shinohara mee gaan om de avond af te ronden. Het tweekamerappartement van Naoko is sober ingericht. Op de grond liggen traditionele matten met kussens en een futonbed. Ze heeft geen stoelen. De taxi hoeft nooit langer dan vijftien minuten te wachten. Daarna zal ook Shinohara naar huis gaan, naar zijn vrouw en twee kinderen. Naoko schenkt het restant van de fles whisky in en excuseert zich om naar het toilet te gaan. Het eerste jaar was Naoko vereerd dat zij werd uitgekozen, daarna realiseerde ze zich dat Shinohara een man is van rituelen. Ze is niet uitverkoren maar onderdeel van een gewoonte. Op de wc neuriet Naoko het nummer dat gaat komen. “Train, train…” Ze wast haar handen en loopt terug door de lange gang met aan beide kanten de karaoke-studio’s. In de meeste studio’s zitten stelletjes, vaak een oudere man met een jongere vrouw, soms een groepje van drie vriendinnen. In de studio naast hen zit een jong stel dat inmiddels niet meer aan het zingen is, maar voor het flikkerende beeldscherm hartstochtelijk zit te zoenen. Naoko bedenkt dat ze alleen de lift naar beneden hoeft te nemen en daarna een taxi om te ontsnappen aan de trein die liefheeft. Toch stapt ze de studio binnen. Over drie maanden zal haar groeiende buik duidelijk te zien zijn. De bar sluit. Ze vertrekken samen. Shinohara is ook deze keer niet langer dan een kwartier in haar huis. Als de taxi weg is loopt Naoko naar de zijkamer van haar appartement en schuift het kamerscherm opzij, dat voor een wiegje en een commode staat. Ze knipt het licht aan en pakt een teddybeer uit de wieg. En alsof de beer haar kan verstaan, fluistert ze: “Eindelijk lieve beer, eindelijk. Nu zijn we niet meer alleen.” Donderdag, drie maanden later. Anderhalf uur eerder dan normaal verschijnt het bericht op haar beeldscherm: “Nakamura-san, de taxi staat klaar.” Afgelopen maandag had ze opeens de behoefte gevoeld om in plaats van een ruimvallende trui en een wijde broek, het net gekochte jurkje -strak en met haar buik duidelijk zichtbaar- aan te trekken. De blikken van de collega’s waren veelbetekenend geweest, maar niemand had iets gezegd. Snel ruimt ze haar spullen op een neemt de lift naar beneden. Meneer Shinohara zit voor in de taxi. Ze stapt in en zegt goedenavond. De taxi vertrekt, maar rijdt niet richting Shinjuku. In de buurt van het bedrijf staat een kleine privé-kliniek. Daar stoppen ze. De arts is een oude studievriend van Shinohara. Zijn handen zijn koud als hij haar arm vastpakt. Naoko ligt in de steunen op de behandeltafel, waarbij haar benen een rechte hoek maken met haar rug. Ze kan zich nauwelijks bewegen. Achter haar hoofd staat Shinohara nerveus te neuriën. De arts trekt een steriele handschoen aan en brengt het speculum in. Dan onderzoekt hij de vrucht. “Twintig weken, dat zal geen probleem zijn.” De arts kijkt naar Shinohara. Die knikt en zucht. Hij pakt zijn creditcard uit zijn portemonnee. Hij volgt de arts naar het kantoortje naast de behandelkamer. Naoko staat op en trekt haar jurk recht. “Sorry, ik ga even mijn handen wassen,” zegt ze, maar de mannen zijn druk bezig met de betaling. Ze loopt naar het toilet. Naast de wastafel geeft ze over. Zonder iets schoon te maken, loopt ze terug naar de behandelkamer. De ingreep wordt nog dezelfde avond uitgevoerd en duurt nog geen half uur. Toch mag Naoko pas rond halftwaalf, na een laatste controle, de kliniek verlaten. De procedure heeft geen pijn gedaan. Ze is suf en duizelig van de verdoving. Shinohara gaat met de taxi mee naar haar huis. In een plastic tasje draagt hij de pijnstillers en antibiotica die zijn voorgeschreven. Hij gaat niet mee naar binnen. Na de ingreep is ze de volgende maandag al gaan werken. En vandaag, donderdag, gaat ze ook weer gewoon zingen. Op haar bureau stond deze week iedere ochtend een nieuw aardewerk poppetje, een blijk van medeleven van haar collega’s. Het zijn beeldjes van de god Jizo, een klein kaal monnikje met een rood mutsje op. ’s Avonds nam Naoko ze mee naar huis. Het is gebruikelijk om ze bij te zetten in een tempel, tussen de honderden andere verloren en ongeboren kinderen, maar bij Naoko liggen ze in scherven op de commode. Het wiegje staat ernaast. Netjes opgemaakt en klaar voor gebruik. Vanochtend heeft Naoko haar nieuwe witte jurk aangedaan. Hij staat prachtig, ze heeft bijna haar oude figuur terug. Gisteren is ze in Ginza naar de kapper geweest en heeft ze haar nagels laten lakken. Daarna heeft ze nog tot sluitingstijd rondgelopen in het winkelcentrum. Bij een speciaalzaak heeft ze een set met acht keukenmessen gekocht. Noorse Øyo-messen, gesmeed uit één stuk staal met een kersenhouten heft. De verkoper gaf hoog op van de Scandinavische kwaliteit. Het blok kreeg ze erbij cadeau. De donderdag verloopt zonder dat Naoko één toets van haar computer aanraakt. Als om half tien ‘s avonds het bericht verschijnt op haar beeldscherm, blijft Naoko rustig zitten. De lampen op de afdeling zijn uit en alleen het scherm verlicht haar gezicht. Pas als Shinohara na vijf mailberichten opbelt; “Nakamura-san, de taxi staat klaar,” loopt ze langzaam via de trap naar beneden. De computer laat ze aanstaan. Als ze achter in de auto stapt zegt ze niets. Het is niet hun eigen taxichauffeur en Shinohara moet drie keer uitleggen waar ze naartoe willen. Vijftig minuten later dan gebruikelijk komen ze aan bij de karaokebar. De fles whisky staat al klaar, met twee glazen. Terwijl Shinohara inschenkt, zoekt Naoko het eerste nummer op. Het intro van de Beatles klinkt. Shinohara heeft het liedje al meer dan honderd keer gezongen, maar valt nog steeds te laat in: “I once had a girl, or should I say, she once had me…” Voordat de laatste tonen van het nummer klinken –“Isn’t it good, Norwegian Wood”- steekt Naoko met één van haar nieuwe messen twintig keer in de buik van haar baas. Het mes glijdt soepel door het zijden pak van Shinohara en snijdt diep in zijn vlees. Als de muziek stopt, hoort ze hem reutelen. Op de karaoke-machine zoekt ze song nummer negenenveertig. Met het mes nog in haar hand zingt ze het lied van de trein die geliefden bij elkaar brengt, maar ook weer kan scheiden. “Train, train….” Daarna loopt ze naar het toilet, wast haar handen en loopt terug naar de studio. Door het raampje ziet ze Shinohara liggen in een plas bloed. Het scherm sneeuwt, de muziek is afgelopen. Ze gaat niet naar binnen, maar neemt de trap naar beneden, acht verdiepingen. Buiten ziet ze geen taxi klaarstaan. Ze neemt de metro naar huis. Het is druk, niemand let op de bloedspatten op haar witte jurk. Vanaf de metro moet ze nog een halfuur lopen naar haar appartement. Als ze thuis komt, trekt ze haar schoenen uit en daarna haar kleren. Haar jurk legt ze over de wieg. Ze wast zich en laat water in het bad lopen. Als het bad vol genoeg is, stapt ze erin en gaat liggen. Op de rand van het bad ligt de teddybeer. Loom pakt ze hem op en met haar ogen al gesloten zegt ze: “Deze vogel is gevlogen, beer, deze vogel is gevlogen.” —- Marco Bijl (1970) schrijft korte verhalen, toneelstukken en scenario’s. Zijn verhaal ‘Naoko zingt Norwegian Wood’ won de Optimist/Crossing Border verhalenwedstrijd. In het dagelijks leven is hij docent cultureel en maatschappelijk ondernemen. Afgelopen september is hij vader geworden van een dochter, Noortje.

IMG_0847-klein

Marco leest zijn verhaal voor in de Optimist wonderkamer, tijdens Crossing Border 2009 (foto: Basje Boer)

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

BV REPARATIES WERELDVLOEREN

Door Megan van Kessel

Wat een eikel is het toch. Mijn tante (die met de tatoeage van een nijlpaard op haar bil) zit naast me in de tuin. Hij wil niet eens meebetalen aan de begrafenis van zijn eigen zoon. Onze zoon. Nu weet ik weer waarom ik bij hem weg ben gegaan. Ze trekt haar kin naar achteren […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper