Kort verhaal

Achter het behang

Door Bart Wijsman
11 januari 2010

Meijer zat zwijgend op de houten stoel en kneep zijn ogen halfdicht. Het was stil in de leeggehaalde kamer, op het monotone getik van een grote wandklok na. Het protserige uurwerk was waarschijnlijk te zwaar gebleken om mee te nemen. Of te lelijk, al was dat een mogelijkheid die niet opkwam in de stroeve geest van Meijer. De klok was al vijf generaties in de familie en moest daarom wel enige schoonheid bezitten. Hardnekkigheid viel wat hem betreft ten alle tijden te verkiezen boven de waan van de dag. De mok in zijn handen was beschadigd. De koffie was al tijden koud. Voorzichtig plooide Meijer zijn lippen rond de scherpe rand en nam een zuinig slokje, slurpend alsof hij toch bang was zijn mond te branden. Zijn afstotelijkheid was nauwelijks aan te wijzen, maar onontkoombaar helder voor die paar mensen die hadden geprobeerd te wennen aan zijn aanblik. Op de mok stond een versleten plaatje van een grijze olifant. Hij had guitige blauwe ogen en klemde een rode ballon aan een touwtje tussen zijn slurf. De mok was van zijn vrouw geweest, een van de cadeautjes uit de tijd dat Meijer nog regelmatig cadeautjes voor haar kocht. Hij was het op een rommelmarkt tegengekomen en had het meteen aangeschaft. Echt wat voor haar, had hij gedacht. ’s Avonds, toen ze thuiskwam van haar werk, had Meijer al klaargestaan met het cadeau achter zijn rug. Nadat hij de spanning langzaam had opgevoerd tot een punt van zichtbare ergernis was de verassing eindelijk tevoorschijn gekomen. De echtgenote had de mok wat kinderachtig gevonden, maar wel lief. Veel later, toen ze hem naar Meijers hoofd smeet, had ze die nuance al lang laten varen. En nu was ze weg. Zoals ze al vaak had gewenst. Meijer zuchtte en ging verzitten. De oude stoel kraakte tegelijk met zijn versleten knieën, de wandklok tikte nog altijd. Even ontblootten zijn bruinige tanden zich in een glimlach, de gedachte aan zijn vrouw op een ver tropisch strand, omringd door hun voormalig gezamenlijke inboedel. Een ananas met een rietje op de bleke, uitgezakte buik, de bespataderde benen op het bijzettafeltje, en maar kankeren op de neger die zij betaalde om de televisie te bedienen. Meijer begreep zijn vrouw zelden, ondernam daar eerlijk gezegd ook weinig pogingen toe, maar op het punt van het reizen had zijn onbegrip een hoogtepunt bereikt. Hij zag er eenvoudigweg het nut niet van in. Veel geld betalen om ergens anders in een slecht bed te slapen, een dag te laat dezelfde krant te lezen, diarree op te lopen van een slokje water bij het tandenpoetsen: het kostte veel geld en je hield er niets aan over. Hooguit ongemak. Als herinneringen langzaam uitdijende rimpels op het wateroppervlak waren, weigerde Meijer nog langer stenen te gooien. Zijn meertje was al heel lang bevroren. De klok sloeg een keer. Het was half zeven. Meijers buik rommelde, hij merkte dat hij honger had. Sinds zijn thuiskomst, bijna een dag geleden, had hij niets meer gegeten. Nietsvermoedend had hij de voordeur geopend, verbijsterd had hij op de drempel gestaan. De naam van zijn echtgenote had nagegalmd in alle hoeken van het lege huis. Op de stoel had een briefje gelegen: ‘Eindelijk weg. Spullen worden verkocht. Eerlijk is eerlijk. Hoop dat je gelukkig bent.’ Dat laatste zag er vriendelijk uit, maar Meijer wist hoe het klinken kon. Even was hij draaierig geworden, toen was hij gaan zitten. En hij zat nog steeds. Dit had hij niet zien aankomen. Meijer staarde naar de muur tegenover hem. Ergens had hij gedacht zijn vrouw er een plezier mee te doen. Een beetje kinderachtig, maar wel lief, dat was waar hij op had gehoopt. Goed, het had wat gekost, maar Meijer zag het als een investering. Dit ging jaren mee. Dat ze dit jaar weer niet op vakantie konden, was een offer dat hij bereid was te maken. Iets was veranderd in de ademhaling van Meijer. Hij leek rustiger geworden, maar dat was schijn. Zijn luchtpijp verkrampte en een gloeiende angst joeg door zijn ledematen. Op zijn borst voelde hij een druk. Alsof iets zwaars hem probeerde te verpletteren. Alsof er een olifant op zijn borst zat. Een olifant met guitige blauwe ogen. Met een rode ballon. De vingers van Meijer knepen steeds harder in de versleten mok. In een plotselinge, ongecontroleerde opwelling van woede smeet Meijer de beker richting muur. De versleten olifant barstte open tegen zijn investering. Het pas aangeschafte fotobehang werd besmeurd met koffie. Koude koffie op een wit strand. De scherven gleden langs de muur naar beneden. Meijer staarde hijgend naar de vlek op zijn muur. Makkelijk zou de koffie er niet uitgaan, maar hij zou het proberen. Hardnekkiger dan de vlek moest hij worden. —-

Lees meer van

Vers in de etalage

Door Bart Wijsman

elke stap een vraagteken achter mijn rug ophopend onder het wolkendek tot ik alleen maar tijgeren kan en dan proberen rustig te blijven regen sijpelt door en verzwaart het zal vast overwaaien toch een doorbraak richting atmosfeer een naar buiten vallende vonkenregen als je me zoekt niet te lang en voorzichtig het raakt hier langzaam […]

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

Een sierlijk beest

Door Levi Jacobs

Hassan staat tegen het raam geplakt en kijkt naar de kont van een kameel. ‘Zie je die heupen op en neer gaan? Dat geile ritme? Zo gaan de billen van de danseressen ook.’ En hij doet het voor. Met zijn handen op de heupen beweegt hij op en neer en kijkt met getuite lippen de […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper