Kort verhaal

De Bevalling

Door Sidney Vollmer | beeld: Jochem Harteveld
20 juli 2010

Ik sta in een grot. Meters boven me strekt een kraterachtig witroze rotsplafond zich uit. Het plafond reikt tot de horizon. Net als de grond. Misschien ben ik wel dood. Vlak bij me zie ik drie mensen. Een hurkende oude man, een jonge hurkende man met zijn rug naar me toe en een naar mij toegedraaide vrouw. Misschien zijn zij ook wel dood. Ze bevinden zich in de oranje gloeicirkel van een smeulend houtvuur. De mannen warmen hun handen aan het vuur. De vrouw staat met haar rug naar hen toegekeerd om zich heen te kijken, net zo verbaasd als ik. Ze draagt een groene baret die haar donkerbruine haar grotendeels afdekt en een kleddernat, militair uniform. Ze heeft de pijpen van haar broek tot boven haar knieën opgestroopt. Haar kuiten zitten onder de bruine sliertjes. De sliertjes glimmen in het licht van de grot. Ze ziet me staan, glimlacht. Ik loop op haar af, de grond veert mee, ik schud haar de hand. Terwijl ik haar hand vasthoud open ik mijn mond om me voor te stellen. Maar op de plek waar ik vroeger mijn naam bewaarde verschijnt een rode boom in mijn gedachten. De rode boom groeit ondersteboven uit een wolk, haar takken grijpen vrolijk naar beneden, haar wortels reiken enthousiast naar het haardvuur. Het is een mooie boom. Als ik de hand van de vrouw loslaat vervaagt de boom. ‘Het spijt me mevrouw,’ begin ik, ‘ik ben mijn naam vergeten.’ Ze glimlacht. ‘Ik ben die van mij ook vergeten. Het maakt niet uit, geloof ik. Heeft u al in uw zakken gekeken?’ Ik draag een rood windjack. Het komt mij bekend voor, als van een oude vriend of een zorgzame tante. In mijn jaszakken vind ik een plastic verpakking met tissues en een vulpen. Ik toon haar de spullen en stop ze weer terug in mijn zak. ‘Vreemd,’ zegt ze. ‘In mijn broekzak vond ik twee kiezels, een witte en een rode. Beide zijn gepolijst en voelen aan als sieraden. Wilt u ze misschien hebben?’ ‘Wat zijn dat voor sliertjes op uw benen?’ ‘Wilt u mijn kiezels of niet?’ Ik pak de tissues en de vulpen uit mijn jaszak en laat ze weer zien. ‘Straks geeft u mij iets heel nuttigs. Maar dan word ik verdrietig omdat ik u niets nuttigs heb teruggegeven. Wilt u niet met me ruilen? Laten we ruilen. Ik iets van u, u iets van mij.’ ‘Neem alstublieft mijn twee stenen,’ zegt ze en ze reikt me de kiezels toe. ‘Ik weet zeker dat het goede stenen zijn.’ Ik neem de stenen aan en krijg de vrouw zover om mijn spullen ook aan te nemen. Er is een band ontstaan tussen ons. Ik loop op de hurkende mannen bij het houtvuur af. De oude man staart naar het gloeiende vuur alsof hij wacht op een verandering. De jonge man – het blijkt een jongen te zijn van een jaar of twaalf – kijkt mij aan. Ik hurk neer vlak voor zijn gezicht en laat de kiezels van de vrouw zien. Hij pakt voorzichtig één van de touwtjes van mijn windjack en draait het tussen zijn duim en wijsvinger. Ik hoop dat hij wat gaat zeggen. Hij zwijgt. Ik trek het touwtje uit zijn vingers en sta op. ‘Drommels,’ mompelt de jongen dan, en kijkt naar het plafond. Ik volg zijn blik en bekijk de laaghangende rotsen boven ons. ‘Waar blijft die boom nou,’ vraagt hij aan de oude man. De oude man tuit zijn lippen alsof hij wil zeggen dat dit de manier is waarop de dingen altijd gaan en kijkt me aan. Iets in zijn ogen duwt me op reis, weg van hier.

De vrouw staat ondertussen op enkele meters afstand toe te kijken. Ze legt enkele bruine sliertjes in haar handpalm. Waterplanten. Ze maakt een balletje van de sliertjes en schiet het uit haar handpalm. Ook wrijft ze wat sliertjes uit haar nek. De oude man kijkt ons aan, ademt diep in en doet traag zijn mond open. ‘U heeft een rode boom gezien,’ zegt hij tegen mij, ‘een rode boom die uit een wolk naar beneden groeide.’ ‘U kent de boom?’ ‘Als u de boom nog eens in uw gedachten ziet dient u de boom vast te maken met enkele stevige touwen om wegdrijven te voorkomen. De boom zal u voeden.’ Met een zwartgeblakerde stok rakelt de jongen het vuur op en kijkt ons dan omstebeurt aan. ‘En u moet straks spreken met mensen die in de zon zitten op brede, marmeren treden. U hoeft niet bang te zijn. Zij zullen u inspireren, u zult dan mooie liedjes maken.’ Hij gooit de stok in het vuur. ‘Beloofd?’ De vrouw knikt glimlachend. Ze is meer op haar gemak dan ik. Ik draai me naar de vrouw. ‘Zullen we gaan lopen?’ Ze stemt in. De vrouw pakt mijn schouder beet. Er steekt een wind op, zacht als de laatste golf van een getijde. ‘Ik heb je vulpen, je tissues, jij hebt mijn twee kiezels. We kunnen gaan. We moeten gaan, ik heb het gevoel dat we moeten gaan, samen.’ ‘Volgens mij maakt het niet zoveel uit welke richting we oplopen,’ zeg ik en begin te lopen, de vrouw volgt me, weg van de hurkende man en de hurkende jongen. Plotseling verschijnt de rode boom weer in mijn hoofd. Ik knoop hem vast op de plek waar ik vroeger mijn naam bewaarde. De vrouw kijkt tevreden. Ik ben ook tevreden. Af en toe kijk ik om. De twee hurkende mensen worden steeds kleiner. De vrouw met de baret blijft me op enkele meters afstand volgen. Ze heeft haar broekspijpen naar beneden gerold. Lange tijd wandelen we terwijl we nauwelijks iets tegen elkaar zeggen. Soms stelt ze een vraag. Dan geef ik een antwoord. Soms is het andersom. Ergens zou de grot moeten eindigen. Maar voorlopig blijft de horizon op zijn plek. Dus blijven we lopen. De grond veert mee, als sluimerende gelatinepudding, altijd mee, nooit eens tegen. Iedere stap heet ze welkom. Het rozige licht van de grot is al even vriendelijk. Het is sterk genoeg om te voorkomen dat we struikelen maar te zwak om een duidelijke, bewegende schaduw op de grond te maken. De belofte van een schaduw. Meer geeft ze niet. De vrouw – ze loopt inmiddels vlak naast me – neemt net als ik bijna zwevende stappen. Haar stappen zijn synchroon met die van mij. Hoe verder we lopen, hoe meer stappen we kunnen nemen op één ademteug. Na verloop van tijd wordt ademen overbodig. Dan halen we adem door het licht om ons heen te drinken. We zwijgen nu in het geheel. Onze kleren zijn verdwenen. Mijn rimpels, haar rimpels, haar bruine haar: alles verdwijnt in het roze licht. Af en toe kriebelt er een vraag omhoog, maar de noodzaak om hem uit te spreken verdwijnt voordat de vraag uitgesproken kan worden. We worden kleiner. Regelmatig komt de arm van de vrouw tegen mijn arm. We ademen tegelijk in, tegelijk uit. Onze armen versmelten. Onze huid versmelt. Nu lijkt het of ik vroeger uit twee mensen bestond: een man in een rood windjack en een vrouw met een groene baret. Adem, stap, stap, stap. Adem, stap, stap. Stap. Stap, stapstap. stapstap. stapstap. Tijdens het wandelen vind ik een herinnering aan iets dat ik niet heb meegemaakt: op een broeierig hete dag, de rivier stonk naar dode vis, de oevers waren besmeurd met dode waterplanten, liep ik op wacht. Ik was een verdrietige, vrouwelijke korporaal. Ik gleed uit. Kleine sliertjes plakten in mijn neus, op mijn benen, ik kon niet zwemmen. Stapstap. Ik vind een andere herinnering, een die ik óók niet heb meegemaakt: ik reed vlak achter een vrachtwagen naar huis, hongerig, verkouden, ongeschoren. Rijpe tomaten regenden als bloedende hagelstenen op mijn voorruit. Ik trapte op de rem, ik trappelde water, ik probeerde de droom te ontsnappen, maar– Stapstap Gedurende mijn wandeltocht zonder einde, gedurende al mijn herinneringen in de grot, is daar voortdurend de rode boom, de boom die stevig vastzit en me geduldig voedt. De man, de vrouw, de boom: we zijn één geworden. Een kort moment denk ik dat ik wel zonder de boom kan. Ik heb de gedachte nog niet afgedacht of de boom glipt los en zweeft van me weg. Ik raak in paniek, graai naar de touwen. Iedere keer dat ik de touwen vastpak komen ze tot leven en glijden als dunne palingen door mijn vingers. De grond wordt glibberig. Ze golft me richting een uitgang die ik tot nu toe niet zag, een nauwe uitgang vol spierwit licht en kou, afgrijselijke kou. Dan begin ik te krijsen. En vergeet ik alles.

Lees meer van

Circusberen

Door Sidney Vollmer

Hun huis heeft geen voordeur. Ik klim via de lange, wiebelige wenteltrap omhoog en klop aan op het blauwgeverfde houten luik in hun verder glazen dak. Terwijl ik wacht kijk ik uit over de bossen, de zandwoestijn. In de verte glinstert rijdend blik op een grote zestienbaanssnelweg. Ik hoor geritsel en kijk door het matglazen […]

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

Op de vlucht

Door Jasper van Buren

Manises, het vliegveld van Valencia. Mijn landgenoten lezen De Telegraaf of kijken naar hun telefoon. De incheckbalie is nog dicht. Ik ga op de streep staan die je privacy waarborgt, wat direct tot gevolg heeft dat iedereen overeind komt en met zijn bagage begint te zeulen. Ik sta nu aan het hoofd van een file.  […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper