Kort verhaal

Het kortstondige en niet geheel onaangename tijdsvacuüm van Boud Bakker

Door Henk van Straten | beeld: Gijs Kast
5 oktober 2010

Door zijn rechterarm op de juiste manier in een hoek van negentig graden te houden, kon Boud Bakker zijn bicep als een ongeduldig molletje kopjes laten geven tegen de binnenzijde van zijn met Clinique anti-blemish solutions clearing moisturizer ingesmeerde huid. Gedurende de eerste twintig minuten nadat de intercity station Utrecht had verlaten en richting Assen was vertrokken, wist hij zichzelf zonder al te veel afleidende gedachten of storende omgevingsfactoren met dit stevige, bonkige molletje bezig te houden. Uiteraard keek hij ook af en toe naar zijn reflectie in het raam, om te kunnen zien hoe de tatoeage op zijn bovenarm – een van Robbie Williams afgekeken, maar de facto Polynesisch ontwerp – zwoel meegolfde en betoverend van vorm veranderde. Ja, uiteráárd deed hij dat. Zijn armen waren te mooi, te krachtig en te smetteloos, om de mogelijkheid van meerdere camerapunten niet ten volste te benutten. Dat had ook iets spiritueels, het donker van de avondhemel buiten het raam overspannen met het canvas van zijn fysieke rijkdom. Alsof het universum goedkeurend met hem meekeek. (Een notie die Boud überhaupt niet vreemd was.) Ze woonde in Assen, het meisje dat hij vorige maand op de laatste avond van zijn vakantie in Salou had versierd, maar waar hij door het drinken van twee of tien tequila slammers te veel niet mee naar bed had kunnen gaan, een raam van potentie waar zijn tweelingbroer Patrick vervolgens handig op had ingespeeld door zich voor te doen als Boud en wijd grijnzend bij haar onder het laken te kruipen. Terwijl haar beste en minst aantrekkelijke vriendin in het bed ernaast met oordopen in haar oren en een slaapmasker voor haar ogen verontwaardigd had liggen zuchten, had Patrick voornamelijk genoten van de amoureuze en atletische behendigheid van zijn eigen lichaam. Boud was nu onderweg naar Assen, naar het meisje in kwestie, om alsnog op te eisen wat hem zo ongelofelijk rechtmatig toekwam. [ Bro, ben je er al? Is ze lekker geil? ] Een sms van zijn broer. Patrick was erg begaan met Boud. En Boud ook met Patrick. Je hebt van die tweelingbroers die lekker hun eigen ding doen en zich gedurende hun leven als twee compleet verschillende individuen ontwikkelen. Zo niet Boud en Patrick. Ze fitnessten bij dezelfde sportschool, volgden dezelfde bedrijfseconomische HBO opleiding, en dronken ’s weekends in dezelfde kroeg, De Repelsteel, waarvan zij beiden een exclusief T-shirt bezaten met daarop de tekst: Repelsteel Bavaria Bierathlon Finalisten 2009, die zij minimaal één dag in de week droegen, en vaak tegelijkertijd. Ook hadden ze exact dezelfde coupe haar, halflang en naar achteren gekamd met dat type Murray’s Hair Glo dat naar kokosnoot en babyolie ruikt, en had geen van hen last van de plagende en verwoestende onzekerheid die zoveel andere adolescenten treft. Het leven was een bench press: je hoefde eigenlijk alleen maar flink en veel te pompen om vanzelf sterker én knapper te worden. Het moge voor zich spreken dat de broers elkaar van harte elkaars scharrels gunde. Neukte de één, dan neukte de ander ook een beetje. Zo voelde dat. En als ze allebei hetzelfde meisje hadden gehad dan voelde dat als een samenkomst van twee kosmische helften. Terwijl Boud een antwoord naar zijn broer typte, vulde het vooruitzicht dat holistische gevoel ook vanavond weer te ervaren zijn hart met vrolijke bubbeltjes. [Nog niet, bro. Ben nog onderweg. Peace, bro ] Tot zover geen vuiltje aan de lucht. Maar toen opende de trein haar deuren te Amersfoort en onderging de demografie van de desbetreffende coupé een transformatie die je met de beste wil van de wereld niet als voordelig voor Boud Bakker kon noemen. Tegenover Boud nam Hester ten Ooi plaats. Hester, vijfenveertig jaar oud en maagd, had een blindengeleidehond bij zich, genaamd Benji, die nooit zijn blindengeleidehondendiploma had weten te halen maar daardoor wel voor een prikkie in het bezit had kunnen komen van Hester. Hester was pas net blind was geworden, geheel door eigen schuld (ze had zelf een ultiem schoonmaakmiddel willen maken en had de verkeerde ingrediënten gemengd), en kon dus nog geen aanspraak maken op een verzekering of subsidie. Benji de hond kon géén van de volgende dingen: waarschuwen bij afstapje of laaghangende tak, tegenliggende voetgangers ontwijken, stoppen bij een drukke wegovergang of het negeren van etens- en ontlastingsluchtjes. Wel kon hij de krant halen en Hester de warmte geven die zij anderzijds – ook in het geval zij nog ziend ware geweest – waarschijnlijk nooit zou hebben gekend. ‘Benji, niet likken,’ zei Hester, en gaf een rukje aan de riem terwijl ze een verontschuldigende maar rechtvaardigende glimlach richtte naar de mensen om haar heen. Benji – geheel in de stijl van zijn persoonlijkheid en intelligentie – gaf geen gehoor aan zijn bazin en bleef zijn uiterste best doen te likken aan de Nudie jeans van Boud, die nu geïrriteerd zijn benen tegen het ranzige prullenbakje had gedrukt om zo de natte slobbertong van deze met het syndroom van Down gezegende labrador te kunnen ontwijken. Aan de andere kant van het gangpad, schuin tegenover Boud, namen de achtjarige Jimmy Vastwater en zijn moeder Jasmijn plaats. Jasmijn en haar man hadden liever niet dat Jimmy vloekte. Jimmy vond dat wel best, zolang hij dagelijks maar zijn acht uur met de Nintendo DSi XL kon doorbrengen. Zodra hij op de oranje treinstoel had plaatsgenomen, klapte hij het apparaatje open en trok er over zijn ogen een koortsige waas. ‘Chips!’ riep hij na een paar seconden. En een paar seconden later weer: ‘Chips!’ Jasmijn keek om zich heen met een mengeling van schaamte en trots en keek daardoor ook recht in de grote bruine Etos zonnebril van Hester ten Ooi. Ze lachte naar Hester en dacht die glimlach beantwoord te krijgen maar wist uiteraard niet dat Hester sinds kort blind was en eigenlijk – ook al voor het ongeluk – altijd zo om zich heen zat te glimlachen. ‘Verdokke!’ riep Jimmy, diep ontevreden met de gang van zaken op het scherm van zijn Nintendo DSi XL.

Ook aan de andere kant van het gangpad, tegenover Jimmy en Jasmijn Vastwater, vouwde Lars Vrooms zijn rechterbeen over zijn linkerbeen, zette dat been weer op de vloer en vouwde zijn linkerbeen over zijn rechterbeen, en zette toen ook dat been weer op de vloer. Lars, vierendertig jaar oud en twee meter tien lang, moest dit dwangmatige ritueel iedere keer dat hij ergens plaatsnam weer doorlopen. Lars had de neiging mensen langer aan te staren dan voor hen comfortabel was, en om ze vragen te stellen die volgens zo’n beetje iedere moraal ongepast waren. In zijn vrije tijd, en die had Lars veel, nam hij zijn metaaldetector mee naar het bos om daar te speuren naar allerhande ijzer. Thuis rangschikte hij zijn vondsten onder andere als  ‘Afval’, ‘Wel geinig’ en ‘Kostbaar’. In de bak met ‘Kostbaar’ lagen een zilveren ring waar het edelsteentje uit was gevallen en een imitatie-Rolex GMT Master II. In de bak met ‘Wel geinig’ bevonden zich, amongst other things, een Italia ’94 Heineken bierflesdopje en een sleutelhanger van Manneken Pis.Lars’ ouders – tandarts en tandartsassistente – haastten zich bij iedere mogelijke gelegenheid hem een autist te noemen, ook al was dat nooit bewezen of überhaupt onderzocht. Op het moment, nu dus, leek Lars uitermate geïntrigeerd te zijn door de jongen aan de andere kant van het gangpad, en dan in het bijzonder door diens tatoeage, die hij maar met moeite, heel ver voorovergebogen, kon zien.

[ Bro, ] sms’te Bouds tweelingbroer Patrick. [ ik lig me nu af te trekken op die magere spriet van BNN. Bij jou alles flex? ]

[I’m dying over here, bro.] sms’te Boud terug. [ Nog steeds onderweg. Duurt nog wel even. Maar dat BNN wijf is lekker. Ik ken iemand die haar kent. Ze zou ons zeker allebei doen. ] Boud glimlachte tevreden om zijn eigen sms en negeerde Lars Vroom, die hem nog steeds manisch zat aan te staren, zijn mond pertinent half open alsof hij immer op het punt stond iets te gaan zeggen. Mensen als Lars irriteerde mensen als Boud. Sterker nog: mensen als Hester ten Ooi, en Jasmijn en Jimmy Vastwater, irriteerden hem evengoed. Mensen die hun aanstootgevende defecten zo nodig uitgesproken en schaamteloos willen uitdragen. De brutaliteit van de imperfectie van dit stelletje nitwits maakten Boud vijandig, ongeduldig en opgeschoten. Hij verdiende het niet om zo lang tussen hen in te moeten zitten. Er zat klaarblijkelijk in het universum iets scheef. Het universum: als kind las Boud er tientallen boekjes over. Iedere keer voelde het als een belofte. Boud dacht aan het meisje in Assen. Hij wist welke standjes zij en Patrick hadden beoefend, want dat had Patrick hem in geuren en kleuren verteld, en nu wilde Boud precies diezelfde standjes, plus nog een paar meer, ook met haar doen. Hij plantte de dopjes van zijn iPod Touch 32G in zijn oorschelpen en probeerde zich te concentreren op zijn seksuele plan de campagne. Het laatste wat hij zag voordat hij mijmerend zijn ogen sloot, was de panisch hijgende en intens kwijlende labrador Benji. ‘Chips!’ Het gekuiste vloeken van Jimmy Vastwater drong als een valse blaf door het nummer Bonkers van Dizzee Rascal heen. En ook: ‘Verdokke! Verdokke nog aan toe!’ Boud keek door de spleetjes tussen zijn oogleden. Hij keek van de hijgende Benji – die hem nog steeds leek te willen likken en hem met dolle ogen aanstaarde – naar zijn reflectie in het raam. Heel even was hij bang geweest dat de tragiek van de mensen om hem heen op hem had afgegeven. Maar de bevestigende schoonheid van zijn spiegelbeeld stelde hem gerust. Hij liet zijn ogen weer dichtvallen en dacht aan de puntige tietjes die in Assen op hem wachtten. Maar de schrille stem van Jimmy Vastwater bleef Boud uit zijn perfectionistisch-erotische dagdromen trekken, en daarnaast was de haast dierlijke drang van Lars Vroom om Boud aan te spreken en iets te zeggen of te vragen over zijn tatoeage nu zonder enig overdrijven een fysiek te registreren fenomeen te noemen. Het hing in de lucht als een amorf lichaamsdeel, iets waar je met je vinger in kon prikken. ‘Chips!’ Benji hijgde en rukte aan de riem. ‘Benji, niet likken!’ Benji hijgde en rukte aan de riem. Lars Vroom explodeerde bijna van de krankzinnig drang Boud aan te spreken en wreef obsessief over zijn bovenbenen in een futiele poging zijn dwangmatige gekte weg te poetsen. ‘Benji, niet likken!’ riep Hester. ‘Chips! Verdokke!’ riep Jimmy. Het daaropvolgende moment gebeurde er heel veel dingen op exact hetzelfde moment. Lars Vroom vroeg: ‘Is dat een Maorisch ontwerp op je arm?’ en boog zover voorover dat hij van zijn stoel schoof en met zijn billen op de vloer kwam te zitten. Jimmy Vastwater riep: ‘Chips!’, liet zijn Nintendo DS op de vloer vallen en dook er tegelijkertijd met zijn moeder naartoe, waardoor hun beider hoofden oerend hard tegen elkaar stootten. Hester ten Ooi riep: ‘Benji! Verdomme, Benji!’, waarop Benji de riem uit haar handen wist los te trekken en bij Boud Bakker op schoot sprong terwijl die net bezig was te roepen: ‘Jezus! Kan dat kind alsjeblieft gewoon shit en verdomme zeggen? Shit! Shit! Verdomme! Verdomme!’ En ook nog, óók op exact datzelfde moment, alsof God er hetzelfde vloekbeleid als Hester ten Ooi op nahield, gingen alle lichten uit en zette de trein een vermindering van snelheid in die na een minuut resulteerde in volledige stilstand. ‘Ah, verdokke nog aan toe!’ riep Jimmy Vastwater. Verder was het – op het gehijg van Benji, die nu volledig bij Bout op schoot zat, na – volkomen stil. Het schermpje van Bouds HTC Desire lichtte op in zijn broekzak en wierp een flets blauw licht over zijn gezicht. [ Bro, wist je dat er een nieuwe proteïne-shake op de markt is? Schijnt nog beter te zijn dan Whey-proteïne, bro. ] [ Get this, ] sms’te Boud terug. [ er ligt een hond bij me op schoot. Ik maak geen grapje. ] Een seconde later weer een sms van Patrick. [ Whoa, bro! Heb je een stijve? ] De trein stond stil in het donker van de avond. Behalve Benji voelde Boud nog een ander levend wezen tegen zijn lichaam drukken. Op de plaats naast hem was Lars Vroom komen zitten. ‘Jeetje,’ zei die. ‘Hebben wij weer hè… Maar wat ik vragen wilde, die tatoeage…’ ‘Benji?’ riep Hester ten Ooi. ‘Is Benji daar?’ Boud hoorde haar hysterisch om haar hondje roepen en voelde haar hand op zijn been. ‘Benji? O god, zit Benji bij u op schoot? Vind u het heel erg? Ik ben blind, ziet u.’ Voor Boud haar goed en wel antwoord kon geven was ze geheel tussen zijn benen gekropen en aaide ze Benji met zulke grootse slagen dat ze in dezelfde beweging ook Bouds bovenbenen meenam. Boud voelde een erectie opkomen en was, ondanks de vreemde situatie, zoals bij iedere erectie trots op het ontzagwekkende formaat van zojuist genoemde erectie. ‘Is het een Maorisch ontwerp?’ vroeg Lars Vroom. ‘Ik dacht een Polynesisch ontwerp te herkennen. Ben je bekend met de Balinese stijl van tatoeëren? Ik heb zelf geen tatoeages, maar…’ ‘Ah, verdokke mam!’ riep Jimmy Vastwater. ‘Mijn hoofd doet nu dus pijn!…Mam?… Mam?’ Jasmijn Vastwater, echter, kon haar zoon geen antwoord geven omdat zij bewusteloos en languit op de vloer tussen de twee bankjes was komen te liggen. ‘Ah, Chips!’ riep Jimmy. ‘Ze is nu dus bewusteloos!’ ‘Je moet een blindengeleidehond eigenlijk niet aaien,’ zei Lars Vroom in het oor van Boud Bakker, zo dichtbij dat die zijn adem kon voelen. ‘Je mag ze niet afleiden.’ ‘Ah, verdokke! Hé, meneer! Meneer!’ Boud probeerde het te ontkennen, maar wist dat Jimmy het tegen hem had. ‘Kunt u mond op mond beademing geven?’ Lars Vroom zag zijn kans schoon en zei: ‘In maar één van de zestien gevallen redt mond op mond beademing een leven.’ ‘Benji!’ hijgde Hester ten Ooi, en streelde Boud over zijn lies en dij, schijnbaar niet langer alleen maar op zoek naar Benji de mongoloïde labrador. ‘O, Benji!’ Benji zelf – zo leek het – vond het overigens wel prima zo, in het donker, met al die mensen lekker dicht tegen elkaar aangenesteld. ‘Hondenspeeksel is antisceptisch,’ zei Lars Vroom. ‘Ah, chips! Volgens mij is m’n gameboy kapot!’ Een nieuwe sms van Patrick. [ Bro! En? Gaat-ie lekker? Heb je al een stinkvinger? ] Boud keek op van zijn verlichte schermpje en aanschouwde de donkere silhouetten om zich heen. Het hijgen van Benji werd als een mantra in zijn oren. Hij voelde de warmte van het beest zich mengen met de warmte van Hester ten Ooi, die inmiddels net als haar huisdier bijna helemaal bij hem op schoot was komen zitten en nu ook in het hetzelfde tempo begon te hijgen. Naast zich voelde hij de warmte van Lars Vroom, hoorde hij hem anticiperend over zijn lippen likken, klaar om met het volgende scherpe wetenswaardigheidje op de proppen te komen. Iets verderop zag hij het donkere lijf van Jasmijn Vastwater op de vloer liggen, met over haar heen gebogen haar zoontje Jimmy, driftig pseudovloekend en in de weer met zijn defecte Nintendo DSi XL. De avond, buiten, was bezaaid met sterren. Het zijn net spotjes, dacht Boud. Alsof iemand het licht voor ons heeft aangedaan. Hij herinnerde zich ineens weer de dagdromen die had, als kind, wanneer hij te lang in zijn boekjes over universum had zitten bladeren. Dat hij zich vrij tussen de sterren en planeten kon begeven, zonder het koud te hebben, te stikken of jaren nodig had om van de ene naar de andere plek te zwemmen. Want dat was het: zwemmen. Hij zwom door de het puin in de ringen van Jupiter. Hij zwom door de hitte en het licht van supernova’s. Lineaire fenomenen als tijd of windrichtingen bestonden niet. Er was alleen maar driedimensionaal zwemmen. En kijken. Overspoeld worden door een mengeling van eenzaamheid en troost. En altijd was er de warme behoefte om de planeet aarde een knipoog te geven, iedere keer dat hij er per toeval – of soms opzettelijk – voorbij kwam gezwommen. Een knipoog, een glimlach, en dan een paar slagen van zijn armen en benen, en weg was Boud. Hij herinnerde zich die dagdromen en vroeg zich nu af of Patrick ze ook ooit had gehad. Zijn HTC Desire kwam opnieuw tot leven. In het elektrische licht zag hij ook nu weer heel even zijn spiegelbeeld. Hij zag zijn ogen, de ogen van zijn broer, bezaaid met sterren. Hij wilde het Patrick nu het liefst meteen vragen: ‘Bro, had jij als kind ook wel eens dat je… en heb je nu ook nog wel eens dat het lijkt alsof je… dat je even niet meer…’ En terwijl de mensen om hem heen nog iets dichter tegen hem aanschoven, en hij dat vreemd genoeg even niet meer zo erg vond, las Boud een nieuwe sms van zijn tweelingbroer. [ Bro, super weird, maar ik sta hier voor de spiegel en volgens mij hebben we serieus dus gewoon echt niet dezelfde tepels! ]

Lees meer van

En Garde!

Door Henk van Straten

Beeld: Willem Jansen Janneke van der Horst (1981) weet hoe jongens huilen. Op weg van Eindhoven naar Amsterdam om haar te ontmoeten, baart me dat ineens grote zorgen. Ik ben een jongen, en ik heb liever niet dat mensen weten hoe ik huil. Zeker meisjes niet. En daarbij, als Van der Horst weet hoe jongens […]

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

De klep van de UFO

Door Hanneke Hendrix

In films zijn momenten van vertrek en afscheid altijd gevat in van die dagen dat het regent, droeve dagen, maar de dag dat ik in het dorp met mijn moeder stond te wachten op de bus, was precies zoals elke andere dag aan het einde van een zomer. Ik had verwacht dat er trompetgeschal zou […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper