Beeld Essay

Meer dan duizend woorden

Door Shinta Lempers
26 januari 2011


Beeld: © Amy Stein

Ik krab nooit meer aan mijn waterpokken

Het vergde veel inspanning van Raf om de aluminium harmonicatrap naar de zolder te beklimmen. Hij zette zijn linkervoet op de trede en tilde met zijn arm het rechterbeen ernaast. Zo herhaalde hij die stap veertien maal. Als hij eenmaal bovenaan de trap stond moest hij zich nog over de rand van het zoldergat tillen, de opening als een gapend gat achter zich latend. Daarna moest hij de houten paal links van hem vastgrijpen en tegelijkertijd met zijn rechterhand de lichtschakelaar in drukken. Raf kwam hier niet graag. De uitgelezen boeken en het triplexhout van de stellingkasten wasemden een rottige geur uit, de reuk van vocht dat erin getrokken was. Het was dezelfde penetrante geur die in kelders en schuren hing, plekken die hij eveneens zoveel mogelijk meed. Ietwat bevreesd keek hij om zich heen. Dozen vol afgedankte kleding, ringbanden met oud schoolmateriaal van zijn kinderen, een stofzuiger zonder slang, tentenstokken en een stapel vergeelde matrassen; banale voorwerpen die hier ineens lading kregen. Hij objectiveerde zijn angst er in, maar tegelijkertijd verschaften ze hem ook realiteitszin omdat het stukjes uit zijn echte leven waren en hij ze daarom ook niet hoefde te vrezen. Raf was eigenlijk bang voor de donkere ruimtes achter en tussen de spullen, voor wat hij zou aantreffen als hij een matras zou optillen of een doos zou verschuiven.

Hij liep naar een stellingkast en concentreerde zich op het vinden van een album met het etiket ‘Mara’. Zijn vinger gleed over de albums en stopte bij een dik bruinleren exemplaar met een witte sticker op de rug waar in sierlijk handschrift de naam van zijn vrouw op geschreven was. Schielijk pakte hij het uit de rij en schoof het onder zijn arm. Raf zette een stap naar achter en voelde dat zijn been doorschoof. Hij had niet gezien dat er een paar afgedankte rolschaatsen lag op de plek waar hij zijn voet neerzette. Raf gleed soepel over de zoldervloer, als een slee van een besneeuwde bergtop, maar viel met een harde plof neer. Opeens zag hij de donkere ruimtes tussen de spullen, als een veld dat opdoemde uit de mist. Tussen de wasmand met babykleding en de kartonnen doos gevuld met kledinghangers zag Raf het liggen. Het priemde in zijn ogen, alsof iemand met een zaklamp in zijn ogen scheen. Een golf van hitte stroomde door zijn lichaam, het begon in zijn nek en zijn schouders en bleef nagloeien in zijn hoofd, als een elektrische kookplaat. De heupsteun die hij als kind zo lang gedragen had. Hoe kon hij ernaar kijken zonder dat zijn gedachten zich meteen vulden met herinneringen aan die vreselijke dag? Hij voelde zich te week om zich op te hijsen en zonder dat hij er iets over te zeggen had, voerden zijn gedachten hem mee, drieënveertig jaar terug.

“Je gaat naar je oma”, had Rafs vader streng gezegd. “Ik wil niet dat je je broertjes en zusjes ook nog waterpokken bezorgt.”
De moeder van Raf had zoals altijd niets gezegd en uitdrukkingsloos Rafs weekendtas ingepakt. In de auto legde zijn vader uit dat Raf net zolang bij zijn oma moest logeren tot hij weer beter was. En hij moest maar teveel niet zeuren over de veertien katten die door het huis joegen. Raf keek zijn vader niet aan. Hij had jeuk en wilde aan zijn armen krabben maar in plaats daarvan omklemde hij de hengsels van zijn weekendtas zo stevig dat hij er rode afdrukken in zijn handpalm van kreeg.

Zijn oma had macaroni met gesmolten kaas gemaakt. “Speciaal voor jou. Eet maar lekker op”, zei ze overdreven. Raf wist niet waar hij moest kijken. Hij probeerde zijn blik zoveel mogelijk van zijn eten af te wenden. De emaille kom met de donkerblauwe rand was onmiskenbaar dezelfde als die waarin zijn oma het voer voor de katten deed. Raf richtte zijn blik op de ingekaderde foto’s op de vitrinekast aan de andere kant van de kamer. Hij had moeiteloos zeven happen doorgeslikt toen hij opeens iets langs zijn been voelde strijken wat voelde als een plumeau. De staart van een van die rotkatten. In zijn maag draaide alle zeven happen zich om, alsof ze hadden besloten rechtsomkeer te maken. Raf keek naar het plastic tafelkleed. Het braaksel kroop naar beneden, over de fruitgewichtjes die aan de rand hingen op de tegelvloer.

“Sheeba, Sheeba, niet aan die viezigheid likken!” Rafs oma was toegesneld en had haar Perzische kat opgetild en neuskusjes gegeven. Toen had ze ijskoud gezegd: “geen eten meer voor jou vanavond”, en Raf had voor straf een uur in de hoek moeten staan.

Toen Raf de ochtend erna wakker was geworden had zijn oma op een ironische toon gezegd: “Bob de Braker, kom eens hier, laat oma eens naar je gezichtje kijken.”
Raf veerde op van zijn luchtbed en liep weifelend naar de luxe perzikleren slaapbank. Om zijn oma heen lagen een opengesperde krant, een leeg koffiekopje en drie katten. Raf ontweek hun kralenogen en omhoogstaande staarten.
“Kom eens wat dichterbij”, gebood zijn oma.
“Wat zie ik daar, op je wang? Heb jij een waterpok opengekrabd, is het heus? Jawel hoor, wacht maar. Jouw handjes kunnen dadelijk nergens meer aan zitten! Ze keek streng, als een schooljuffrouw die straf uitdeelde.

Na het ontbijt had zijn oma een verkleedpak uit de kelder gehaald. Het was een groene kikker met twee grote kikkerogen. Raf moest het constant dragen om te voorkomen dat hij aan zijn waterpokken krabte. Zijn oma vond dat reuzegeestig. Ze had hem zelfs gefotografeerd toen ze naar de bakker gingen en Raf ervan verzekerd dat hij er later ook om zou moeten lachen.

De kelder was eng. Het was er donker, koud en er leek geen einde te komen aan de ruimtes. Er was één ruimte waar Raf niet durfde te komen, zijn oma had hem verteld dat daar geesten huisden. Ze had ze zelf gezien, en om te voorkomen dat ze in de hele kelder rondspookten, had ze de ingang van die ruimte versperd met een aanzwellende stapel dozen vol keukengerei en kleding uit de tijd dat ze nog slank was. Maar hoe angstig Raf het hier ook vond, zij was hier niet en de katten mochten hier ook niet komen. Raf dacht dat zijn oma bang was dat de katten door de geesten zouden worden ontvoerd zodra ze hier kwamen. Hij ging zitten aan een soort schooltafeltje en sloeg zijn boek open. Het was een sprookjesboek, zijn oma had de hele serie ervan in de kelder staan. Er hoorden bandjes bij die hij afspeelde op een cassetterecorder. Zijn lievelingsprookje was Repelsteeltje. Steeds als hij het las en de cassette afspeelde zag hij het kleine mannetje smalend dansen rondom een wakkerend vuur. Raf had moeite met de bladzijdes omslaan. Zijn handen zaten verpakt in groene kikkerwanten.
“Raf, kom even een lekkere tompouce halen”, riep zijn oma.
Raf pauzeerde het bandje en rende verheugd de trap op, hij kon het roze glazuur al op zijn lippen proeven. Toen hoorde hij een klik, het licht om hem heen doofde als een vuurwerkknal en de deur van de kelder naar de gang werd dichtgesmeten. Paniekerig sloeg Raf met zijn wanten op de klink, schopte tegen de deur, riep zijn oma en voelde zijn lichaam gloeiend heet worden. De geesten werden nu wakker, ze kwamen hem halen en dan..

Aan de andere kant van de deur hoorde hij zijn oma luidkeels lachen. Het was een doordringend en schel geluid en het sneed door zijn hoofd als geslepen messen. Raf schreeuwde ‘doe open!’ en hij voelde dat hij daarbij moest spugen. Toen schopte hij met volle kracht tegen de deur en op dat moment zwiepte hij open. Rafs kikkerwanten grepen tevergeefs naar de reling. Hij verloor zijn evenwicht en viel achterover als een koorddanser van zijn touw. Het laatste wat hij dacht was ‘ik krab nooit meer aan mijn waterpokken, ik krab nooit meer aan mijn waterpokken’.

Fotocredit: Halloween 7 © Amy Stein. Uit de serie: Halloween in Harlem.

Amysteinphoto.com

Lees meer van

Lumineus – Isabella Rozendaal

Door Shinta Lempers

Isabella Rozendaals jachtervaringen wekken in eerste instantie een tweeslachtige indruk. Ze beschrijft op haar blog uitbundig hoe ze opgaat in het jagen, hoe ze een zelf neergeschoten fazant de nek omdraait en het later, met het schort voor en de geslepen messen in haar handen, doodgemoedereerd ontdoet van zijn ingewanden. Haar blog toont foto’s van […]

Lees meer uit de categorie Beeld Essay

Vrijheid boven markt

Door Joost Heijthuijsen

Dit essay is geschreven in opdracht van Literair Productiehuis Wintertuin, voor de filosofische theatervoorstelling De Concurrent. Begrippen als ‘kapitalisme’ en ‘economie’ hebben door de tijd heen een andere betekenis gekregen. Zo zijn we van een markteconomie naar een marktsamenleving gegaan waarin alles te koop is. Joost Heijthuijsen wil deze alomvattende economie niet langer enkel aan […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper