Poëzie

Vers in de Etalage

Door Thomas van Huut
6 juli 2012


IJsland

Zelf een eiland scheppen,
dan schatgraven.

Kies een vergeten taal,
verwacht geen antwoord
maar stel een vraag.

‘Wat doen wij hier?’
vraagt iemand waarvan
ik dacht dat juist hij
wist wat wij hier deden.

We schuiven alle stoelen aan de kant
maar er is geen ruimte voor iets nieuws.

 

 

In een mensenleven

Iedere generatie zijn eigen gedonder
maar tegen prinsessen zeg je u.

De verhalen van vroeger stralen hun patroon af
op de gezichten van aanzien.

In een betonnen stad wonen
waar ’s nachts de vogels
de stille straten overstemmen.

In een mensenleven heersen
over aarde waaronder gesteenten
van miljoenen jaren oud
nog steeds de dienst uit maken.

 

 

Verschoten Kruid

Wij zijn nu ergens anders.
Ver van de stad.
Het is nog net vandaag,
maar al bijna morgen.

Lange gele grassprieten steken uit het landschap omhoog,
paarse geurige heideplanten kleuren de vlakte.
Dit is het landschap waar we afscheid nemen.

We lopen er samen doorheen
met de ruggen naar elkaar toe
van elkaar af.

Kruitlucht vult mijn neus.
Terwijl ik wacht
op de volgende tik van mijn horloge.

 

 

De controleur

Wij zijn
middelpunt-
vliedend.

‘Ik ben geen nihilist’, zegt ze. ‘Ik ben gewoon.’
steekt een sigaret op
en blaast de rook uit in mijn gezicht.

Geef haar een uniform.

Zijn is niet de vraag, niet zijn is.
Niet de vraag zijn, is zijn.

Niets was de eerste schepping.
Trek haar een uniform aan.

Theorie van het jurkje:

Draag een wit jurkje, een zwart jurkje
voor de camera hetzelfde.
Draag geen jurkje,
voor de camera hetzelfde.
Ik wil graag dat je je uitkleedt.

De kunstenaars hebben zich verzameld
en spreken tot elkaar
over cognac.
Voor de camera hetzelfde.

Ik droomde van het paradijs.
Er lag groen plasticspul op de grond.

Een goede vriend van mij droeg een rozenkransje.
Eerst om zijn nek, later in zijn hand.
Hij laat het kransje in een diepe put vallen.

Een gitarist is in een houten toren geklommen en zingt een zelfgeschreven lied

 

 

Nerf

Wij groeien langzaam,
als een boom.

Zo langzaam dat we de jaarringen niet zien verschijnen,
en we pas achteraf kunnen zien hoe lang we al samen zijn.

Pas als we met veel kabaal en
kettingzaaggeweld onszelf proberen los te krijgen
van de aarde
merken we hoe kolossaal we in al die tijd gegroeid zijn.
De metalen tandjes van de zaag breken
al af op de schors.

Wij groeien langzaam, en ik ken nog lang niet iedere nerf
maar ik voel me zo sterk.

Lees meer uit de categorie Poëzie

Cel

Door Martien Bos

Als je eens een tekening van Bobbi Oskam gezien hebt, dan herken je voor de rest van je leven zijn werk in een oogopslag. De afbeelding hierboven kan van niemand anders zijn. De anarchistische compositie, de dreiging van geweld, opeenstapeling van onderdelen die lijken te bewegen, de harde contrasten, de veelvuldige losse friemeltjes: alles is […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper