Hond

Door
28 november 2012

Mijn vader lag midden op de dag op bed. Hij lag op zijn zij, diagonaal over het tweepersoonsmatras, de deken half over zich heen. De gordijnen hingen open. Het rook er muf.
‘Verdomme,’ bromde hij. ‘Ik hoorde je wel.’
Ik had twee keer aangebeld en toen zelf de deur maar geopend. Ik had een sleutel.
Met mijn jas aan stond ik bij het voeteneind. Mijn vader draaide zich op zijn rug, zodat hij me aan kon kijken.
‘Je ziet er beroerd uit’, zei hij.
‘Vind je?’
‘Ja, je hebt er weleens beter uit gezien.’
Hij zuchtte en kwam langzaam uit bed. Ik verwachtte dat hij zich zou omkleden, maar dat deed hij niet. In zijn pyjama ging hij me voor de trap af. Hij zette koffie en plofte neer op de bank. Ik pakte een stoel, legde mijn jas over de leuning.
‘Heb je lang niet gezien,’ zei hij.
‘Ik was hier een maand geleden nog.’
Mijn vader hoestte. Ik keek rond.
‘Ga je nu zeggen dat ik die troep op moet ruimen?’
‘Nee.’ Ik keek naar zijn neusharen.
‘Was je vanmorgen al op?’ vroeg ik.
Hij wreef over zijn gezicht. ‘Ja. Even.’
Ik vroeg me af wie er buiten mij nog aan mijn vader dacht. Dat konden er niet veel zijn. Er lag een schaar uitgeklapt voor mijn voeten. Ik pakte hem op, klapte hem dicht en legde hem op het salontafeltje. Hij keek naar buiten en toen weer naar mij.
‘Je ziet er echt beroerd uit,’ zei hij. Ik knikte.
Hij stond op en liep naar de keuken. Onder het tafeltje lag ik een krant. Ik schoof hem naar me toe. Hij was een week oud. Er was op gekrast met een blauwe pen. Mijn vader kwam terug met de koffie. Ik vroeg niet naar melk en suiker, want ik wist dat dat geen zin had. Hij dronk hem zwart en verwachtte dat ook van zijn gasten. Hij ging weer op de bank zitten, nam een slok van de koffie.

Het was een tijdje stil. Ik wist niet waarover ik moest beginnen.
‘Ik zou een hond moeten hebben,’ zei hij ineens.
Ik knikte. ‘Dat lijkt me geen slecht idee. Aan wat voor een denk je?’
‘Geen idee.’
‘Een labrador?’
‘Ja, misschien. Hoe zien die er ook alweer uit?’
Ik dacht aan een labrador en hoe ik die het beste kon omschrijven. Mijn vader had zijn ogen gesloten. Hij zuchtte.
‘Jezus, wat ben ik moe.’
Ik nam een flinke slok van mijn koffie. Hij opende zijn ogen weer.
‘Jij gaat zeker weer.’
Ik reageerde niet meteen. Met mijn vinger ging ik over de rand van de koffiemok. Op twee plekken was er een stukje uit. Mijn vader bleef me aankijken.
‘Ja, ik denk het wel,’ zei ik.
‘Heb je een vriendin?’ vroeg hij.
‘Nee.’
‘Dat wordt weleens tijd. Je moet daar achteraan.’ Hij gaapte. Ik zette de mok op tafel en trok mijn jas aan.
‘Je gaat weer naar bed?’ vroeg ik.
‘Ja.’
‘Nou, tot de volgende keer dan maar.’
Hij knikte, nam een slok van zijn koffie. Ik opende de voordeur en bleef nog heel even staan. Mijn vader keek naar buiten.

Lees meer van

Aangespoelde Lijken

Door

Ze zijn aan de stoep bezig, net iets voorbij Ledig Erf en de spoorbrug. Ik houd van het knarsende geluid van het zand en de steentjes onder mijn schoenen. De ouders van mijn eerste vriendinnetje hadden een oprijlaan met grind. Stiekem ben ik nog steeds verliefd. Bijna thuis. Ik kijk naar binnen, maar er is […]

Lees meer uit de categorie

De Duellist: poëzie van Steff Geelen

Door

Ik houd van u, OK boomer Ik vraag al mijn vriendenhun taal voor mij te ontmaskerenmaar niet aan uu bespaar ik de kolossaleondergang van het ongemak. Non-binair zijnis leuk voor in mijn vrije tijd. Ik leg mijn handenals kommetjes om mijn borstenen zeg toe maar, huil maarze zeggen me niets. In het mannentoilet kijken mannendie […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper