Kort verhaal

Terugkeer

Door Philipe te Bar | beeld: Sophia Twigt
13 december 2012

De hop (Upapa epops) is gemakkelijk te herkennen aan zijn roodbruine verenpak met een lange zwart gepunte opzetbare kuif. Een opvallende eigenschap is de uitgesproken stank die het dier verspreidt omdat enerzijds het nest nooit wordt schoongemaakt (voedselafval en mest blijven achter) en omdat anderzijds het vrouwtje een klier heeft aan de basis van haar staart, die tijdens de broedtijd een zware stank verspreidt. Een bijnaam voor de hop is dan ook drekhaan. De hop is een insectenetende weidevogel.

Op 17 oktober 2011 had Carlo van de Zande weinig zin om naar zijn stervende grootmoeder te gaan. Maar het zou onbeschoft zijn dat niet te doen. Daarom ging hij nu met de trein naar de provinciestad waar hij opgroeide. In zijn hand droeg hij een zilverkleurig rolkoffertje waarop gele sterren waren geplakt. De  goochelaar Carlo van de Zande vertrok voor de laatste keer naar zijn familie om daarna voor altijd voor hen te verdwijnen. Verder was het de tijd van het jaar dat de hop regelmatig verscheen in het natuurgebied van heggen en weiden dat het stadje liefdevol met groen omhulde. De hop in werkelijkheid zien, de gedachte wond Carlo op. Hij was een groot vogelliefhebber.

Toen hij aankwam op het stationnetje cirkelde ver weg boven de weilanden een buizerd. Hij zag de vogel meteen. Even staarde hij naar de lucht, volgde de vlucht van het dier precies, waarbij zijn vermoeide hoofd een beetje wiebelde. Het scheelde niet veel of hij viel in slaap. Daarna wandelde hij op zijn gemak de landweg in die begon aan de zijkant van het perron en die doorliep tot vlak bij de herenboerderij met rieten kap, zijn ouderlijk huis. Daar stierf zijn grootmoeder.

De wandeling op zich beviel hem. In de verte kwam een meisje aangelopen. Met een schaapje. Een aanblik die hem eveneens plezierde. Langzaam kwam het meisje dat het schaapje leidde dichterbij, het deed hem het grommende suizen van de wieltjes van de rolkoffer die hobbelden over de bonkige weg vergeten. Het tastte de scherpte van zijn gehoor vervelend aan en hij gleed ook nog uit. Hard schuurde het ruw oppervlak van de landweg zijn rechterknie open. Zand en fijne steentjes mengden zich met bloed in de ontstane schaafwond tot een soort modder. Het deed Carlo weinig. Hij keek vooral naar het meisje op wie het zonlicht fel scheen. Hij, een romantische ziel, herkende in het bijkans zwevend naderbij komen van het meisje en het schaapje een teken. Van wat wist hij niet.
Het is niet te zeggen wanneer iemand een vreemde op een landweg aanspreekt. Voor Carlo en het meisje met het schaapje was het volkomen normaal geweest met elkaar te spreken. Carlo begon:
‘Hoort u die vogelzang?’
‘Nou nee,’ zei het meisje, ‘maar ik let daar ook nooit zo op.’
Dit is nu een meisje dat altijd precies het juiste zegt, dacht Carlo, waarna hij zei: ‘zullen we even op die stronk gaan zitten.’ En ze gingen zitten op die stronk naast hen met het schaapje dat hij even aaide. Hij hoorde de hop. Dat wist hij zeker. Niets liever wilde hij dan dat beestje zien. Het zou de dag waar hij verder weinig van verwachtte goed maken.

Uit het niets nam hij achter het rechteroor van het meisje een rijstpapieren vogeltje, dat hij in een vloeiende beweging wegwierp waardoor het werkelijk leek te fladderen. Het meisje keek er met  verwondering naar. Het schaapje (dat best wel eens geschoren mocht worden; het had teveel wol) sprong op, mekkerde en probeerde het papiertje dat  weggleed door de lucht te vangen. Niets leek in deze landelijke omgeving gegoochel uit te lokken, maar het was niet raar geweest. Carlo van de Zande had de gave dat wat onnatuurlijk was natuurlijk te doen lijken. Een groot goed voor een goochelaar. Voor iedereen eigenlijk.
‘Zo, zo,’  zei het meisje, ‘u kunt er wat van…’
‘Mijn excuses,’ zei hij, ‘het is beroepsdeformatie. Soms gebeurt het, uit het niets, een beetje automatisch. Het is eigenlijk onbehoorlijk.’
Het meisje aaide haar schaapje, knikte welwillend en zei: ‘Ik vond het wel mooi… Hoe is het met uw knie?’ Ze had Carlo zien vallen.
Hij zweeg, liet zijn hand glijden over haar gezicht. Toen kon het meisje niet meer spreken; haar lippen waren strak gevouwen in een geel opzetsnaveltje. Dit was pas onbehoorlijk. Gelukkig werd de sfeer van hun samenzijn nog bepaald door zijn verontschuldiging van zo juist. Het meisje liet het snaveltje daarom even op en besteedde er verder weinig aandacht aan.
‘Ach, het zit me ook niet lekker,’ zei Carlo, ‘dat ik naar mijn stervende grootmoeder ga…’
Het meisje met snaveltje en schaapje keek hem vragend aan. Het moedigde Carlo aan verder te spreken.
‘Een vreselijk mens, dat niets anders kon dan treiteren. Vooral mij treiteren. Ze kneep en draaide me de zachte huid aan de binnenkant van mijn bovenarm fijn als ik onverwacht een geluid maakte…’
Het meisje onderbrak hem, daarbij viel uiteraard het snaveltje op de grond, waar het nog net een rode mier plette. ‘Ga nu,’  sprak ze zacht maar dwingend, ‘Ga nu… en ik zal met je meegaan.’ Hij keek verward, maar begreep de noodzaak. Hij zat, maar eigenlijk liep hij al in de richting van het oude huis waar de grootmoeder stierf.
Hij nam zijn koffer en zij haar schaapje. Gestaag gingen zij door de laan tot aan het sterfhuis, zijn ouderlijk huis. Af en toe meende hij een hop te zien. Maar hij zweeg erover.
Daar was de deur en  het meisje keerde om. Ze hield haar woord. Dat ook nog,  al was het te verwachten. De deur stond open. Carlo hoefde zijn komst niet aan te kondigen en hij liep de boerderij in.
Een zure, vochtige lucht met een zweem van  azijn en fecaliën benam hem inmiddels de adem. Nee, de Van Zandes behoorden niet tot de fijn geurende families. Daar was hij al lang achter. Dat kwam omdat ze met zovelen waren en dat  die velen het met de hygiëne niet zo nauw namen. En dat elke nakomeling en enigszins verwante bleef, wanneer hij hier gekomen was. Dat maakte hun reukvlag niet beter. Iedere kind, ieder kleinkind, alle neefjes en nichtjes, al het grut en kroost bleven hangen in die boerderij met het half vergane rieten dak dat blauw glom  vanwege de schimmel die erop groeide. Nooit was er iemand vertrokken, hoe onwelriekend het ook was. Behalve Carlo, al was die ook niet per se gegaan vanwege de stank .

‘Je grootmoeder ruikt de laatste tijd wel een beetje,’ riep een familielid dat Carlo niet herkende, hij struikelde toen bijna over een van de talloze peutertjes, het waren voor hem onbekende neefjes en nichtjes, die met bruin besmeurde monden overal  kropen en klauterden door de smalle gang. Het familielid: ‘Niet de hele tijd, maar soms scheidt ze een scherpe tamelijk zure geur af. Het is niet anders. Het kondigt haar dood aan, zullen we maar zeggen.’
Het schimmige familielid met de vale maar onsympathieke gloed van bekendheid – wellicht veroorzaakt door diens meegedragen ambiance van puisten en teveel zwart ijzerachtig haar op weinig voor de hand liggende plekken – leidde hem snel naar de kamer waar grootmoeder lag te sterven. Grootmoeder sliep daar met rondom haar een kring van tientallen familieleden die klikten en sisten alsof ze allen een droge mond hadden. Meteen voelde Carlo hoe deze geluiden van afkeuring volmaakt samengingen met de veroordelende maar vooral ook veelal schele blikken van zijn familie. Het trok al zijn levenslust  uit hem. Oh, wat was zijn familie scheel. Door overerving, inteelt, dacht hij. De onzuivere blik hoorde bij hen, als het fluiten bij een vogelsoort. En hoewel toch minder dood dan zijn grootmoeder voelde hij zijn ziel lam en half uit het lijf hangen. Een mechanisch vogeltje dat een van de kleinkinderen mee had genomen voor grootmoeder floot een triest wijsje uit een oud kinderlied. Daarop streek hij zijn grootmoeder bij wijze van zwijgende begroeting door haar krulletjes. Even bleef een van zijn vingers in één ervan haken.  Met een voor het nare besje pijnlijk rukje trok hij de vinger los. Grootmoeder ontwaakte. ‘Au,’ riep ze, ‘Waarom doe je dat?’ Ze sprak als altijd, als vroeger, hard snerpend en onverschillig zoals het schrapen  van een kaasboer wanneer hij met een rasp een stuk belachelijk oude kaas uiteen rijt.
De grootmoeder steunde even toen haar kleinzoon zich naar haar toe boog en veinsde haar te kussen. Want het was geen kussen wat hij deed. Het was kussen als kussen: ongemeend, gortdroog. Een dorre vorm van de kus. Kussen omdat het moet.  Wat daarna kwam, ontstond uit het niets en voelde natuurlijk, een beroepsdeformatie.  Toen hij de rug weer rechtte en naar de deur naar buiten liep, lag grootmoeder met een  stevig, rood plastic  opzetsnaveltje om haar lippen lichtjes te rochelen en ze stootte onmiddellijk weer een geur af die de familieleden adem benam. Zij zagen het dan ook niet onmiddellijk: die rode snavel. Maar de paniek en verontwaardiging was er daarna niet minder om. Een oom brak zijn koffiekopje in de hand, een tante verslikte zich in een mokkataartje.  ‘Het is een schande’,  sisten twee van zijn talloze stinkende neven.

Carlo van de Zande was op dat moment al bijna buiten en toen zijn rolkoffertje even bleef hangen achter de drempel van de voordeur wist hij dat dit de laatste keer was dat hij hinder bij zijn familie zou ondervinden. Het zou sowieso de laatste keer zijn dat hij hun nabijheid zou ervaren. Hij zou ze nooit meer zien. Een hop zag hij nog wel. Even later,  hij was halverwege het laantje, vloog er eentje langs. Eindelijk. Hij kreunde en ook de hop liet zich horen. Een hol, zacht en laag ’poe-poe-poe’. En even later hoorde hij zelfs het door de vogel minder gebruikte  klokkende en miauwende geluid. In zijn verdere leven zou Carlo van de Zande overigens nooit meer een hop zien of horen. Ook zag hij nooit meer het meisje en haar schaapje. Hij zou ook nooit meer iemand vinden die altijd zo het juiste zei. Wel bleef hij zijn hele leven een behoorlijke goochelaar. Iets wat hij niet met tegenzin deed.

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

ZKV-zondag: Boomhut

Door Felix Sandon

Een nieuwe, tijdelijke rubriek bij De Optimist: ZKV-zondag. Een reeks Zeer Korte Verhalen van Felix Sandon op zondag. De Japanse schrijvers Yasunari Kawabata noemde ze ook wel handpalmverhalen: verhalen zo klein en zo kostbaar dat ze in de palm van een hand passen. Leestijd: minder dan 30 seconden. Impact: onmeetbaar. Dit is de tweede: Boomhut. […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper