Kort verhaal

Uitwedstrijden

Door Marc Lochs | beeld: Romy Claessen
9 april 2014

De voordeur van de kamer zwaait open. Lei steekt zijn dikkige lijf naar binnen en wandelt zwijgend naar de stoel naast de koelkast. Hij gaat zitten en zakt dan onderuit, benen gestrekt met de voeten over elkaar. Zijn doorgewinterde Superconfex-jas laat hij aan, het Colnago-wielrenwinterpetje met regenboogrekbandje blijft op zijn hoofd.
Lei is mijn oom. Van de koude kant.
We zitten aan het gammele verzorgingstehuistafeltje in mijn oma’s kamer. Mijn vader zit aan de andere kant van de tafel, zijn armen streng over elkaar. We zijn zwijgzame mannen, het type dat alleen praat als daar een reden toe is. Of over wielrennen en het weer. Mijn oma praat het liefst altijd, mits ze zich ertoe kan zetten. Ze is 96 jaar oud, hoewel ze zelf net met de vuist op tafel heeft beweerd dat ze pas 95 is.
Daar zitten we dan.
Ik kuch ‘n keer en wil de weersomstandigheden teleurstellend noemen, doch voor de tijd van het jaar niet eens zo verkeerd. Zij is me voor en mompelt iets over de naam van mijn vriendin.
“Machteld”, antwoord ik en laat haar wat foto’s zien op mijn iPhone.
“Ach kijk toch daar”, zegt ze. “Nu weet ik het weer.”
Wat ik ten stelligste betwijfel. Haar geheugen is onbetrouwbaar geworden de laatste paar jaren, al zal ze dat niet toegeven.
Ik vraag haar of de koffie smaakt. Ze maakt een wegwerpgebaar en het geluid van een schrapende keel.
“Niks smaakt me, dan is het niet goed hè? Als niks me meer smaakt”, zegt ze.
Ze staart langs me.
Ik wil vragen waarom ze dan toch verder drinkt, maar wil het haar niet te moeilijk maken. Zo vaak ben ik niet bij haar.

"...als mussen uit de lucht..."

Lei heeft zijn petje op de koffietafel gegooid. Nog steeds heeft hij geen oogcontact met ons gemaakt. De man is spaarzaam met al zijn zintuigen. We hebben elkaar wel gezien maar niet op hetzelfde moment en dan komt het er niet meer van. Dat hij überhaupt is gebleven is voor Lei genoeg. Elke andere keer zou hij zijn omgedraaid bij de deur of hij zou, als hij al aanwezig was, zijn opgestaan en subiet zonder een woord van afscheid vertrokken. Mij is nooit duidelijk geweest of dat komt omdat hij dan plotseling andere plannen heeft of omdat hij geen zin heeft in andermans aanwezigheid. Hij heeft het er nooit over, spaarzaam als hij is.
“Raad eens”, zegt mijn vader. “Wat denk je, hoeveel begrafenissen heeft Lei in 2012 bezocht?”
“Is dat inclusief crematies?” vraag ik.
“Ja”, antwoord mijn vader. “Dat is ook een soort van begrafenis.”
Ik zie Lei gniffelen, ingeklemd tussen de koelkast en het bijzettafeltje. Hij is er trots op. Ik zet hoog in.
“300”, antwoord ik.
Er verschijnen glimlachen.
“Nou”, zegt mijn vader. “Dan zit je er niet zo heel ver naast.”
“Hoeveel dan?” zeg ik.
“243!”
Lei glimlacht maar kijkt me niet aan. Met gesloten ogen lacht hij naar zijn eigen wereld.
“Als je daar de zondagen en de feestdagen van aftrekt zit je bijna op elke dag van de week”, vult hij aan. Ik vraag hem niet waarom. Niemand weet waarom. Ik vermoed dat die vraag alleen maar zal leiden tot opgetrokken schouders. Daarom is de waarom. Misschien houdt Lei van kerken. Een hobby is persoonlijke vrijheid, dat laat je met rust. Dat Lei thuis een verzameling van tienduizenden bidprentjes heeft, daar vraagt ook niemand naar.
“Hij is aan het minderen”, zegt mijn vader.
“Oh?”, zeg ik.
“Geen uitwedstrijden meer, alleen nog maar binnen de eigen parochie”, vervolgt mijn vader. Ik glimlach. Uitwedstrijden, dat is bidprentjesverzamelhumor van de bovenste plank.
“Wist je ook al dat Lei vorig jaar nog een TomTom heeft aangeschaft voor zijn uitwedstrijden?”
“Nee”, zeg ik. “Zonde, nu je alleen nog maar thuiswedstrijden speelt. Het crematorium is inderdaad vaak lastig te vinden. Kerken steken overal bovenuit maar het crematorium, dat ligt altijd zo verborgen tussen bosjes en hoge struiken.”
“En hagen”, zegt mijn vader. “Vergeet de hagen niet.”
Lei knikt alsof hij alleen mijn lippen ziet bewegen maar de woorden niet hoort.
“Hij is aan het afbouwen”, lacht mijn vader om de vaart in het gesprek te houden.
Aan Lei zal het niet liggen, die vaart wel bij doodse stilte.
Lei knikt.
“Deze week staat er maar één op de planning”, fluistert hij. “Henk van bij Willie bij de Donkere tegenover. Die wordt donderdag begraven. Maar dat kunnen er zo twee zijn of drie. Ik heb het meegemaakt hoor.”
Zijn stem is enthousiast.
“Eigen parochie zeker?” zeg ik.
Hij knikt opnieuw.
“Afbouwen hè” zegt hij.
Buiten steekt de bestelwagen van het verzorgingstehuis achteruit. De brommende koelkast krijgt van Lei een klap. “Rotding”, mompelt hij.
“Misschien moet je de stekker er gewoon uit trekken”, zeg ik. “Staat alleen koffiemelk in. Steek je hem er van de zomer weer in.”

Oma frommelt een tientje uit haar portemonnee. Ze heeft nauwelijks iets van ons gesprek gehoord, al lijkt het woord ‘dood’ meestal wel een weg naar binnen te vinden.
“Hier, voor de kinderen”, fluistert ze en kijkt of niemand het heeft gezien. Ze propt een geldbiljet in mijn hand.
“Ik heb geen kinderen”, zeg ik.
Verder zwijgen we.
“Wie is dood?” zegt ze plots.
“Henk van bij Willem bij de Donkere tegenover”, zegt mijn vader.
“Was die niet al dood dan?” vraagt oma.
“Nee”, zegt Lei. “Dat is Henk van bij de Bocht. Die hebben we in mei al begraven. Fieke was er ook bij. Hier, ik heb toevallig z’n prentje nog in mijn binnenzak zitten. Die moet ik nog archiveren.”
“Ze vallen als mussen uit de lucht”, zegt ze en neemt een sip van haar koude koffie. Ze staart langs me.
“Niks smaakt me nog,” zegt ze wanneer Lei de stekker uit het stopcontact rukt.

 

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

Naoko zingt Norwegian Wood

Door Marco Bijl

Zoals anderen squashen, of wekelijks golfen op zondagmorgen, zo heeft Naoko Nakamura op donderdag haar vaste karaokeavond, met haar baas, al zes jaar. “Nakamura-san, de taxi staat klaar!” Het bericht verschijnt via het bedrijfsnetwerk op haar scherm. Naoko sluit de computer af. De laatste uren van de donderdagse werkdag vult ze gewoonlijk met surfen en […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper