Buitenlandse Zaken

Door
17 februari 2015

Ik ben hier vaker geweest. Nadia heeft het gezegd en ik geloof haar. Er zijn tegels zoals in het zwembad. En een hek. IJzeren wagentjes waar de spullen in moeten. Daarnaast zit een witte waakhond. Ik pak mijn schrift. ‘Koop appels en melk’, staat er. Het hek duwt in mijn buik als ik er doorheen loop en de hond gromt, maar ik ben niet bang vandaag. Het is wel koud hier. En druk. Tussen alle mensen met wagentjes lopen dokters. Ze hebben blauwe jasjes aan en naambordjes. Ze zijn bezig met hoge stapels dozen. ‘Je weet toch!’, zegt een dokter met een blauwe hoofddoek. Ze heeft een map met papieren in haar hand en een vreemde tang. De andere dokter lacht. Ze zijn nog jong. Waar ik was, waren de dokters ouder.
‘Keukenpapier, vochtvangers 2 + 1, tweevakmaaltijden’. Toen we oefenden, waren al die woorden er niet. En er was geen muziek. Maar ik zie al waar de appels zijn. Ik pak er een. Hij ruikt zoet, proeft fris en een beetje stroef.
‘Hee!’
Een jongetje met zwarte krullen kijkt me aan.
‘Dat mag niet!’
Snel leg ik de appel terug. Het jongetje wijst naar een grijze buis en loopt weg. Het zijn opgerolde plastic zakjes. Ik probeer er eentje af te halen, maar het lukt niet. Ik ben vergeten een wagentje mee te nemen. Ik pak mijn appel weer en stop hem in mijn zak. Ik loop verder langs rechte wegen met spullen die bij elkaar horen. Theezakjes bij koffie. Cola bij chips. Melk hoort bij karnemelk en yoghurt.

Hij heeft me nog vast terwijl we lopen. Naast hem loopt een andere man in zwarte kleren met een gouden V er op. Hij houdt een deur open. Een klapdeur, zoals bij ons bij de keuken. Achter de klapdeur is een kamer met tegels aan de muur en een groene tafel.

‘Half volle melk, ander half liter.’ Het klinkt raar. Ik stop het pak in mijn tas en ga naar de lopende band. Daar moet je de spullen opleggen en dan betalen en dan worden ze van jou. ‘Sometimes sometimes everything is wrong’, zingt een man. Heb ik deze muziek eerder gehoord? ‘And the day is long.’ Ik weet wat het betekent. Ik kijk naar de rijen met mensen. De hond zit nog op dezelfde plek, aan de andere kant van het hek. Hij kijkt naar me.

Illustratie: Romy Claessen

Illustratie Romy Claessen

Er tikt iemand op mijn rug. Ik maak een vreemd geluid van schrik.
‘Meneer? Komt u even mee?’
Een dokter komt naast me staan. Op zijn naambordje staat ‘Jeroen Beek’.
Bij een vraag mag je ook nee zeggen. Het is niet makkelijk, maar ik probeer rustig te ademen en zeg: ‘Nee, bedankt, Jeroen Beek.’
‘Komt u toch maar even mee, meneer.’
Jeroen Beek duwt tegen mijn rug en pakt mijn elleboog vast.
Hij heeft me nog vast terwijl we lopen. Naast hem loopt een andere man in zwarte kleren met een gouden V er op. Hij houdt een deur open. Een klapdeur, zoals bij ons bij de keuken. Achter de klapdeur is een kamer met tegels aan de muur en een groene tafel.
‘Gaat u zitten’, zegt Jeroen.
‘Wij willen graag even in uw tas kijken. En als u uw zakken ook even wil leegmaken?’
Ik zet mijn tas op tafel en haal de appel uit mijn zak. Hij is bruin op de plek van mijn hap en er zit zand aan. Uit mijn andere zak haal ik mijn potlood en mijn kauwgom. De man met de V haalt alles uit mijn tas. De melk, het schrift en de portemonnee. De melk zet hij voor me op tafel. Jeroen Beek kijkt streng.
‘Een pak melk’, zegt de V-man.
‘Daar begint het mee’, zegt Jeroen.
‘Is hij wel.. eh…’, de V-man wijst met zijn hoofd naar mij.
Ik wil zeggen dat ik hier vaker ben geweest. Iets met vroeger, wil ik zeggen, maar de woorden komen niet. Jeroen Beek kijkt me aan.
‘U begrijpt dat we dit wel moeten melden.’
Melden. Ik heb het vaker gehoord, maar wat het betekent, weet ik niet.
‘Nee, ik begrijp het niet’, zeg ik.
‘Meneer!’ Jeroen kijkt nu boos. Ik wil naar huis.
‘Vroeger…’, mijn stem klinkt een beetje schor, ‘Vroeger was ik minister.’ Ik sta op en pak mijn schrift en mijn appel. ‘Van Buitenlandse Zaken.’ Er komen allerlei woorden bij me naar boven. Jeroen Beek en de V-man blijven verbaasd zitten. Ik loop door de klapdeur terug naar de lopende band. De mensen in de rij gaan zonder dat ik het vraag aan de kant en ik loop langs de hond de winkel uit. Buiten is het warm.
‘Meneer!’
Iemand roept nog iets naar me, maar ik kijk niet meer om. Minister van Buitenlandse Zaken. Ik weet niet of het waar is. En wat buitenlandse zaken zijn. Maar de woorden komen me bekend voor.

 

Lees meer van

Beer

Door

Beer kende ik van haven tot god. Had Beer deze zin gelezen dan had hij me verbeterd, maar we leerden elkaar kennen in Antwerpen en ik verloor hem aan de kerk, dus het klopt wel. Tussendoor raakte hij verslaafd. Elk detail van zijn lichaam heb ik in mijn kop opgeslagen. Op zijn arm had hij […]

Lees meer uit de categorie

Natte grond

Door

De ruitenwissers schuiven over de voorruit. Als ik de weg die we rijden niet had gekend, had ik de auto aan de kant gezet en gewacht tot het opklaarde. Nu rijd ik door. Over een half uur heeft mijn vader een afspraak in het UMC. De arts en mijn zus rekenen erop dat ik hem […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper