Poëzieweek 2016

Door
29 januari 2016

Asielkatten

Laat me vertellen over mijn vader en de kat en zeg me dat ik nooit iets anders ben geweest dan dat: een meisje dat in mandjes past. Er waren dagen dat ik op handen en voeten rond de benen van mijn vader cirkelde en hem zei dat ik een asielkat was. Dan adopteerde hij mij op de keukenvloer, wreef tussen mijn schouderbladen over de stof van mijn pyjama als over een vacht en goot de melk uit mijn mok over in een plastic bakje. Nu weet ik dat een staart nooit genoeg was om mij in evenwicht te houden, dat ik voorbestemd was van dakgoten te donderen en botten te breken waarvan ik niet wist dat ik ze had. Als ik nog eens denk te vallen, houd me dan bij mijn enkels vast.

*

Hoe ik het voor elkaar krijg in een groep altijd de meest beschadigde mensen aan te trekken, vraagt mijn moeder mij. Waarom ik in groep vijf de jongetjes met borderline en obsessies voor opgezette dieren mee naar huis nam, op de middelbare school de meisjes die hun broodtrommels met lachgaspatronen vulden en hun puberjaren met winkeldiefstal. Ik wil haar vertellen hoe soort soort zoekt, dat het werkt als een rokershok waarin een slechte gewoonte een stel onbekenden verenigt, maar ik doe het niet. Ik vertel haar over jou, hoe de moedervlekken in de vorm van Afrika op je rug het enige vreemde aan je is.

*

Urenlang zaten we op mijn kamer, jij en ik, in kleermakerszit naast een Ouijabord dat we hadden gejat op de dorpsmarkt. Bij elk geluid fluisterden we in koor ‘het is vast de wind,’ omdat onze ouders ons hadden verteld dat naïviteit erbij hoorde maar we niet precies wisten waarbij. Af en toe kwam je moeder binnen en bood ons iets aan: karamelthee of de pannenkoeken die we die avond hadden laten staan. ‘Het is vast de wind,’ zeiden we tegen elkaar, waarna ze weer verdween. De winter ging voorbij, en de kou werd een slap excuus in plaats van een feit. Jij was de eerste die niet meer kwam opdagen. We hielden ons van de domme, maar wisten dondersgoed waarom: wij riepen niets dan vragen op en de dingen waar we bang voor waren, waren allesbehalve dood.

*

Het is laat als je het uitspreekt: ‘Ik wil het liever geen naam geven.’
Ik herinner me de meester van groep vier, die de klas vroeg of iemand iets kon bedenken dat geen naam had. Ik keek het lokaal rond, naar de logeerbeer waarvan in een kringgesprek was besloten dat iedereen een eigen naam mocht verzinnen. In het bijbehorende dagboek schreven we dingen als ‘in bad geweest met Lola,’ ‘appelcruesli gegeten met Joost’ en ‘over boten gedroomd met Bernhard.’ Daarna dacht ik aan de vissen in onze vijver, die zich voortplantten tot het water oranje zag. Alleen de vader was bij aankoop Sjaak gedoopt. Ik vertel je niets over de vissen en de beer. Ik zeg enkel dat ik niet weet wat me banger maakt: dat de dingen zonder naam gemaakt zijn om te worden vergeten of dat ik ze stuk voor stuk onthouden heb.

 

Hannah Vischer_ElseKemps_Poezieweek

Lees meer van

Poëzie: Willemijn Kranendonk

Door

In bed wachten op verandering Ik ken de plantsoenen niet vervreemd van het onderdeel zijnvan een pulserend adem in groenleven dat ver boven ons uitstijgt adem uit De relatie met Moeder Aarde is extractivistisch:een man die alweer vraagt of je hem wiltpijpen en jou nooit beftpolitiek is ondefinieerbaarals de sigarettenrook van een onbekendeonder je raam […]

Lees meer uit de categorie

Vers in de Etalage

Door

Lieke Romeijn schonk ons twee mooie foto’s van haar hand; Vicky Franken schreef er gedichten bij     zwarte honden   het is de kachel waarin ze onrust stoken de manier waarop een schouder in of uit de kom kan staan hoe ze vingerkootjes breken, harten koken, kokkels rapen een lijf verbrijzelen er een feit […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper