Proza

DE NIEUWE LICHTING: Lore Mutsaers

Door Lore Mutsaers | beeld: Milou Trouwborst
30 oktober 2016

De Optimist vroeg de nieuwe lichting afgestudeerden van schrijfopleidingen in Nederland en Vlaanderen om hun eindwerk in te sturen. In DE NIEUWE LICHTING presenteren wij fragmenten uit dat werk en stellen wij de schrijvers van de toekomst voor. Lore Mutsaers startte twee jaar geleden aan de SchrijversAcademie en werkt aan een romanproject dat zich afspeelt tegen de achtergrond van de Spaanse Burgeroorlog. Bij ons op De Optimist een heuse sneak preview!

Wat zijn de thema’s in je werk, waar schrijf je het liefst over?
Relaties waren thema’s die in mijn eerste teksten centraal stonden. Ongeveer drie jaar geleden stortte ik me in een geheel nieuw schrijfproject. Ik ontmoette een tachtigjarige vrouw, Rosita, die als kind de Spaanse burgeroorlog ontvluchte per schip en in Antwerpen opgevangen werd in een pleeggezin. Ze vertelde me haar verhaal en haar woorden zetten iets in gang. Ik wou meer weten over de Spaanse kinderen die hier in 1937 aankwamen. Op een middag spraken we af. Rosita’s woorden kletterden als regen na een lange droge zomer. Ze was nog niet vergeten wat ze dacht dat ze al die tijd vergeten was. Rosita bracht mij op het idee om een roman te schrijven over dit onderwerp. Mijn verhaal zoals ik het nu geschreven heb, lijkt amper nog op Rosita’s verhaal. Het manuscript ontstond uit verschillende fictieve en non-fictieve stemmen. Hoewel dit schrijfproject me uitdaagde omwille van de tijd en ruimte waarin het verhaal zich afspeelt, voel ik me niet sterk aangetrokken tot het historische genre. Ik schrijf niet graag ‘in hokjes’. ‘Het bloed van onze grond’ is in de eerste plaats geen historisch verhaal, daarvoor zitten er te veel andere verhaallijnen en psychologische elementen in. In een volgend project zal de focus zowel op het ‘nu’ als ‘het verleden’ liggen en wil ik die twee laten samenkomen.

Wie of wat inspireert jou?
Het dagelijkse leven. Tramgesprekken verwerk ik in dialogen, uitspraken en dromen van vrienden zorgen voor de thema’s of de ideeën. Als ik andere landen en steden bezoek merk ik dat er een creatieve ruimte vrijkomt in mijn hoofd, die anders minder aanwezig is. Vooral als ik alleen op reis ben vind ik de tijd om na te denken over de structuur, de plot, de personages in mijn verhaal. Ik vind het moeilijk om een vorm te vinden die past, maar als ik alleen in een hotelkamer zit ben ik meer geneigd om over die aspecten na te denken en ermee te spelen. Dan durf ik te wachten met schrijven en meer na te denken.

Wat zijn tijdens je studie je meest leerzame valkuilen/uitdagingen/fuck-ups geweest? 
Tijdens mijn tweejarige opleiding aan de SchrijversAcademie heb ik geleerd dat je erg gedisciplineerd moet zijn om een manuscript af te werken. Niet te vaak met vrienden op café hangen, genoeg boeken lezen en je verdiepen in zo veel mogelijk genres… Dat vind ik op zich al een uitdaging. Niet dat ik snel afgeleid ben, maar ik ben jong en ik wil ook nog wat anders. Daarnaast moet je een ritme vinden. In de periodes waarin ik besluit om te schrijven, bouw ik routine in. Anders kan ik het vergeten. De SchrijversAcademie leert je niet schrijven, maar begeleidt je persoonlijk in het schrijfproces van een langdurig project en stelt deadlines. Mijn grootste valkuil is het structurele aspect in een verhaal. Ik ben iemand die erg vaak ‘springt’ tijdens het schrijven: in tijd en ruimte, van personage naar een ander personage, enzovoort. De lezer moet maar volgen. En ik maar vloeken omdat ik wél begreep waar ik was in het verhaal, en maar uitleggen hoe de vork in de steel zit. Dan heb je gewoon mensen nodig die zeggen: ‘Het is chaotisch. Herschrijf het met de lezer in je achterhoofd.’

Waar hoop je over vijf jaar te staan?
Ik hoop over een paar jaar mijn debuut in handen te mogen houden. Hopelijk komt dat boek dan ook terecht in andere handen, liefst nog in jonge handen die in dit historische psychologische verhaal parallellen ontdekken met de actualiteit en daar iets mee willen doen. Ik vind het belangrijk dat jonge mensen kennismaken met de gebeurtenis van de burgeroorlog en de andere thema’s in dit verhaal. Wie weet kan ik er dan uit voorlezen, of verenig ik het in een ander project, of … dat zijn dromen. Momenteel heb ik al ideeën voor een volgend project, maar ik wacht er bewust nog mee om ze uit te werken. Over 5 jaar wil ik al wel midden in het schrijfproces zitten van het verhaal dat nu langzaam maar zeker vorm krijgt in mijn hoofd.

Optimismemeter. Hoe optimistisch ben jij over je schrijfcarrière op een schaal van 1-5? Eerlijk zeggen.
Mijn schrijfcarrière, dat klinkt heel serieus, schat ik optimistisch in omdat ik weinig verwachtingen heb. Ik zou zeggen 3/5, omdat elk succes telt. Van creatief schrijven zal ik mijn job niet maken, omdat mijn leven wonderen tekort komt en ik realistisch kijk naar het schrijversberoep. Ik droom binnen mijn mogelijkheden. Als ik iemand vind die mijn manuscript wil uitgeven en met de tijd een klein lezerspubliek kan opbouwen, ben ik heel tevreden. Ik ben niet gelukkig als ik geen tijd of energie heb om te schrijven. Ik mis het schrijverschap enorm in periodes waarin ik met te veel andere dingen bezig ben. Maar ik ben ook niet gelukkig als ik elke dag schrijf. Schrijven is heel erg hard werken en brengt periodes van eenzaamheid met zich mee. Wel hoop ik en plan ik voorzichtig om elke 5 jaar een boek te schrijven, een verhaal te vertellen waarin ik op dat moment en in die fase van mijn leven erg geloof. Dat ‘plan’ houdt in dat ik mijn leven toch zodanig zal inrichten dat het schrijverschap er een belangrijke plaats in krijgt. In die 5 magere jaren zullen mijn dagen meer in teken staan van het schrijven, maar daarna wil ik waarschijnlijk weer even wat anders doen.

 

Uit: ‘Het bloed van onze grond’

De nieuwe logica

Ik dacht dat mijn moeder een papier zou ophalen waarop stond dat de wijngaard van ons was. Maar de wijngaard was niet meer van ons, wist Ernesto me te vertellen. Wij waren rood en wij waren gevlucht. Dat betekende dat de wijngaard van burgemeester Gutxi was en hij die mocht verkopen. Hij was rechts en hij had gewonnen.

‘Met die logica moet je leren leven, anders kan je beter teruggaan naar België,’ voegde Ernesto eraan toe.

De secretaresse van burgemeester Gutxi had mijn moeder in het gezicht uitgelachen toen ze de wijngaard was komen opeisen. Ze had gevraagd of ze haar smerige schoenen misschien eerst kon uittrekken. Vervolgens had mijn moeder zich op haar knieën geworpen en Gutxi had zich op haar gestort. Zijn adem moet toen al verschrikkelijk naar alcohol gestonken hebben, want het was al twaalf uur. Rosa, zijn dienstmeid, had Ernesto verteld dat hij al om tien uur ’s ochtends begon te drinken. Gutxi gleed met zijn handen onder mijn moeders jurk en liet haar onder zijn gewicht voelen wie de baas was van Haro, wie de koning was van alle wijngaarden, ‘vuile hoer’. Mijn moeders haren, die woelig alle kanten hadden uitgestoken, waren het enige bewijs van het onrecht dat haar die middag werd aangedaan. In plaats van te gaan roepen, fatsoeneerde ze haar haren, trok haar jurk in de plooi en vroeg: ‘Dus dat is dan geregeld?’

‘Maar je moet weten,’ fluisterde Ernesto. ‘Gutxi heeft van je moeder gehouden. Toen hij je moeder terugzag, na al die jaren, verloor hij de controle over zichzelf.’ Ernesto keek naar de lucht, alsof iemand hem iets influisterde om de luisteraar op het puntje van zijn stoel te krijgen, vervolgde hij: ‘Gutxi werd een beest.’

Ik wou jammeren, dat een man nooit de controle mocht verliezen tegenover een vrouw, dat wat Gutxi ook voor mijn moeder voelde, veranderd was in haat. En dat ik geen verdediging duldde. Zij was mijn moeder en zij had een jurk aan die ze zelf had gemaakt. Maar ik gaf geen kik. Ernesto had in mijn moeders blik gelezen dat ze Gutxi nooit zou vergeven wat hij die middag met haar had gedaan, maar ze zou het voorval proberen te vergeten. Ze zou denken aan al die keren dat Gutxi haar had meegenomen naar de exclusiefste feestjes, aan de zwarte zijden jurk met open rug, die nog steeds in één van de kasten van zijn huis hing te wachten op haar. Aan de tinteling in haar hals als hij het slotje van de paarlemoeren ketting voor haar dichtdraaide. Ze zou denken aan de tijd voor de oorlog, toen zij nog de vrouw was van een zwaarmoedige man en op zoek ging naar avontuur.

‘Het is niet zo dat je moeder niet meer van je vader hield,’ zei Ernesto. ‘Cristina beweerde dat je moeder enkel hield van wie je vader was toen hij jonger was.’ Toen hij nog elke ochtend verrast wakker werd, een banaan plette op zijn boterham, er bruine suiker over strooide en mijn moeder vriendelijk dwong, door de boterham plagend tegen haar lippen te laten botsen, het eens te proberen. Toen hij de deur niet uitging zonder een hoed en een impulsief idee. Ernesto was er zeker van dat mijn moeder die dingen miste, maar dat ze nooit was gestopt met van mijn vader te houden. ‘Je moet Cristina nooit geloven als het over dat onderwerp gaat. Zo zit je moeder niet in elkaar,’ vervolgde Ernesto. ‘Je moeder hoopte enkel. Ze deed alsof je vader in een fase zat en zocht naar afleiding om zelf niet weg te zakken in het drijfzand. Dat doen mensen nu eenmaal. Als dat je kwaad zou maken, Javi, dan moet je ook kwaad op mij zijn. Je vader was nog alles behalve aangenaam en er zijn weken geweest dat ik hem heb laten vallen, dat ik geen greintje begrip kon opbrengen voor zijn toestand.’

Ernesto miste de cafégrappen en mijn moeder had niet willen luisteren naar mijn vaders betogen over opstanden en politiek. Zij wou zich de koningin van de wijngaarden voelen. Het was daarom, enkel daarom, dat ze had toegestemd toen Gutxi haar al die jaren geleden voor de eerste keer vroeg of ze zin had om hem te vergezellen. Het was een feest in Logroño, ver genoeg om niemand tegen te komen die ze kende en dicht genoeg om op tijd terug thuis te zijn. Het eten deed haar denken aan haar kindertijd, aan de gerechten die haar moeder voor haar had bereid. En dan overviel het gemis haar. Een gemis dat altijd in de lucht had gehangen en haar net had doen ademen, want zij had gekozen om beter te leven, om te leven zonder al te veel rijkdom. Zij had gekozen om te trouwen met de man van wie ze hield en de politiek kon haar niets schelen. Die avond verstikte het haar. Ze ademde de geur van luxe diep in en rolde een paar hapjes in een servet dat ze in haar tas stak.

Vanille-ijs

Er had iets nerveus in de lucht gehangen. Mijn moeder tikte zenuwachtig met de top van haar schoen op de stoep terwijl we aanschoven. Ik was aangekleed als een kleine heer en Anna had Adolfo’s slurf tegen het etalageraam gedrukt, zodat ook hij de kleurige ijsbakjes kon bewonderen. Diego Fernández Delgado had zichzelf omgedoopt tot Diego Rossi Donati. Hij was voor drie jaren verhuisd om bij zijn aangetrouwde familie in Sicilië ijs te leren maken. Diego had lang nagedacht over welke Italiaanse achternamen hij zou kiezen, maar besloot uiteindelijk om die van de vrouw van zijn neef over te nemen. Die keuze maakte hij niet alleen omdat hij de manier waarop zij van een bol ijs likte maar niet uit zijn hoofd kon zetten, had Ernesto gezegd. Het was ook de beste keuze omdat beide namen eindigden op ‘i’. Daardoor zouden ze makkelijker blijven hangen in de hoofden van klanten. De afwisseling van de hoofdletters D R D waren daarnaast ook mooi als initialen, die Diego op alle servetten liet drukken. Op het uithangbord werd een deeghoorntje getekend voor de eerste D, waardoor het logo meteen duidelijk maakte waarvoor de initialen stonden: de beste Italiaanse bol ijs in extra grote hoorntjes. De mensen hadden in de rij gestaan. De fatsoenlijke vrouwen, die het vertikten om hun ijs op straat op te eten, namen plaats in het salon. Mijn moeders haren zagen er belangrijk uit. Haar stem schoot los toen ‘meneer de burgemeester’ naast haar kwam staan. Gutxi Txurruka. Ik besefte dat ik alles altijd al had geweten.

Ik had mijn kleine hand uitgestoken en de zijne geschud. Anna werd erbij geroepen en mijn moeder zwierde haar op haar heup. Anna was, volgens Gutxi, gegroeid. Hij kneep zachtjes in haar wang en Adolfo vleide zich meteen tegen zijn borst aan. Daarna hadden we op de meest achterste rode leren zetels in het salon gezeten en een gekoeld glas gekregen met twee bollen vanille-ijs. Ik zat me net af te vragen waarom de burgemeester maar één bol aardbeien had genomen, omdat ik wist dat burgemeesters genoeg pesetas hadden, toen Gutxi zachtjes tegen mijn moeders schouder leunde en haar hand aanraakte.

‘Niet hier,’ had ze net luid genoeg gefluisterd. Ze trok haar hand weg.

‘Ik mis je.’

‘Hij is het fundament van mijn gezin, ik kan niet zomaar…’

‘Jij bent de spil van alles, Maria, maak jezelf niets anders wijs.’

‘Ze zijn te jong.’

‘Maar wat ben ik dan? Een leuk kleurtje verf op de muren?’

‘Ik heb het gevoel dat ik gevolgd word.’

‘Carlos?’

Mijn moeder keek snel naar mij. Waarschijnlijk vermoedde ze dat mijn vaders naam ervoor kon zorgen dat ik mijn oren spitste. Ik deed alsof ik niets gezien of gehoord had. Ik wees naar de bol aardbeienijs en vroeg of ik eens mocht proeven.

‘Javi!’ Mijn moeders hoofd maakte een beschaamd knikje vooraleer ze zich tot Gutxi richtte. ‘Neem me niet kwalijk.” Ze keek me bedreigend aan. ‘Javi weet goed genoeg hoe aardbeien proeven.’

‘Gewone, sí, maar niet in ijs,’ zei ik.

‘Natuurlijk mag je eens proeven,’ zei Gutxi. ‘No no, echt Maria, laat hem toch proeven. Dit is het beste aardbeienijs dat ik ooit gegeten heb.’

Ik boog me over de tafel heen en stak mijn lepel in burgemeester Gutxi’s glas. Ze keken mij allebei verbaasd aan toen ik de lepel omdraaide in mijn mond en op de punt van mijn tong liet balanceren, de steel verticaal naar beneden.

‘En heb je het al eens met je neus geprobeerd?’ vroeg Gutxi. Hij hing de lepel aan het puntje van zijn neus. Mijn moeder lachte.

milou-trouwborst

Het noodplan van mijn vader

Mijn vader had Ernesto alles verteld. Hij had iemand gevraagd om mijn moeder te volgen.

‘Het is omdat ik drink,’ had hij gezegd. ‘Ze is me beu.’

Ernesto stelde hem voor om te stoppen met drinken en opnieuw op de wijngaard te werken, maar mijn vader zakte dieper weg in zijn stoel.

‘Ik kan het niet meer, Ernesto.’ Zijn ogen stonden vol tranen die daarna weer verdampten alsof ze er nooit geweest waren. ‘Ik vind er niets aan. Ik vind er al mijn hele leven niets aan. Mijn benen beginnen te trillen als ik de flanken nog maar zie. De verdad, Ernesto, ik weet dat ik ondankbaar ben. Ik heb die wijngaard geërfd, en het is waar dat het goede wijn is en dat we ervan kunnen leven, maar ik…’ Zijn stem haperde. ‘Ik ben er niet voor gemaakt.’

‘Wat wil je dan doen, Carlos?’ had Ernesto gelachen. ‘De porder worden van Haro?’

‘Ik weet het niet.’

‘Soms hebben we geen keuze. Doe het voor Maria, voor Anna en Javier. Nog even doorbijten en Javier kan je helpen.’

‘Ik wil niet dat hij ooit op die wijngaard werkt.’

‘Maar…’

‘No, Ernesto. Javier is slim. Hij kan gaan studeren, voor dokter of ingenieur of zoiets. Het maakt me niet uit.’ Er viel een stilte. ‘We verkopen de wijngaard.’

‘Dat meen je niet.’

‘Het gaat van kwaad naar erger.’

‘Sí…’ Ernesto had niet meteen geweten of mijn vader het over zijn gemoed had of over de ontwikkelingen en conflicten tussen de politieke partijen.

‘Jij sluit je ogen voor die opstanden, maar ik zweer het je, ze steken de kerken al in brand. En, sí, ik begrijp hun punt wel. Het is waar dat de kerk ons beliegt en bedriegt, maar ze lijken wel gek! Ze smijten met woorden die ze beter veel stiller zouden fluisteren alvorens het te laat is, begrijp je?’ Mijn vader had zijn sigaret uitgeduwd in de asbak. ‘Als er hier een oorlog uitbreekt, zijn wij al lang vertrokken.’

‘Je kan de wijngaard toch niet verkopen. Het is alles wat jullie hebben.’

‘No no, ik verkoop de wijngaard nog niet. Gewoon een groot deel van de stokken. Er is weer zo’n verdomde schimmel uitgebroken aan de kanten van Toulouse. De helft van de wijngaarden is erdoor vernield. Ze zoeken wijnstokken om te enten. De gemeente heeft een initiatief opgezet. Ze regelen het met de Fransen.’

‘Hoeveel?’

‘Ik dacht aan een duizendtal.’

‘No, hoeveel krijg je ervoor?’

‘Genoeg, Ernesto, 3000 pesetas. 20 procent gaat naar de gemeente. We zouden er een appartement van kunnen huren in de stad. Bilbao en dan de grens over.’

‘Je meent het echt.’

‘Ik heb het gevoel dat ik beter kan worden, Ernesto. Maar niet hier, niet in dit kloteland op deze klotewijngaard.’

‘En Maria zal terug van je houden…’

‘Als het zo doorgaat verlies ik haar.’

‘Wat als ze niet mee wil?’

‘Ze is bang geworden voor de opstanden, Ernesto. Ze controleert de sloten van de deuren voor ze gaat slapen.’

‘Haar hele familie woont in Spanje.’

‘We kunnen toch tijdelijk weggaan? Daarna terugkomen en in de stad gaan wonen, in Bilbao of in Zaragoza. Ik zou ander werk kunnen zoeken. We zouden opnieuw kunnen beginnen.’

‘Ver genoeg van Gutxi,’ knikte Ernesto. ‘Eres loco, Carlos.’

‘No, ik word gek als ik hier blijf.’ Mijn vader had zijn borrel in één teug leeggedronken en stond op. ‘Oh ja, nog iets.’ Hij had gedaan alsof het hem te binnen schoot, maar Ernesto wist dat mijn vader in de eerste plaats was langsgekomen om die vraag te stellen. ‘Zou jij op de wijngaard willen passen als we vertrekken?’

Ernesto had zijn ogen tot spleetjes geknepen en gezegd: ‘Jullie wijngaard zal er zelfs tien keer beter uitzien als jullie daarna terugkomen.’

Mijn vader en Ernesto hadden elkaar omhelsd en zo bleven ze staan. Even leken ze weer op de twee jongetjes, die midden op het plein door hun moeders naar elkaar toe geduwd werden en elkaar de hand moesten schudden om de ruzie bij te leggen. Ze beloofden elkaar dat ze de ander nooit nog zouden laten struikelen. Terwijl hun moeders tevreden naar elkaar knikten, stak Ernesto zijn tong uit naar mijn vader en maakte mijn vader van zijn hand een pistool, waarmee hij drie keer naar Ernesto schoot. Het duurde niet lang of ze verdeelden de taken in het spel. Ernesto sneed de houten takken tot een speer en mijn vader nam ze in de hand. Hij dreef de andere kinderen in een hoekje. En toen mijn vader verliefd werd op mijn moeder en zei dat ze als een rivier bewoog, er misschien wel één was, had Ernesto voor hem geapplaudisseerd.

‘Hij was gek op je moeder,’ had Ernesto gezegd. ‘Nog nooit, in al die jaren van onze vriendschap, had ik hem zo gezien, Javi. Hij praatte over niets anders meer: Hoe je moeder altijd met twee woorden sprak. Hoe grappig ze was, maar dat hij helaas net op dat moment geen voorbeeld kon geven. Hij stelde zelfs voor dat we allemaal samen, hij en je moeder, Cirstina en ik, eens uit moesten gaan. Soms, wanneer hij al een hele weg had afgelegd op zijn hobbelpaard, zag hij niet eens dat ik geeuwde.’

Op het trouwfeest dansten ze hun benen moe. Later die avond omhelsden ze elkaar, net zoals na het gesprek over de verkoop van de wijnstokken, en bleven ze in het midden van de dansvloer staan. Hoewel mijn vader geen besef had van wat er elf jaar later zou gebeuren, moest hij geweten hebben dat Ernesto er altijd zou zijn. Dat had Ernesto immers gevoeld aan de manier waarop mijn vader zich had vastgeklemd aan zijn lichaam, zei hij, en in zijn kraag huilde en snotterde dat de emoties hem te veel werden.

‘Een jongen, Ernesto, kan je het geloven?’ De wijn maakte hem zo loslippig dat hij Ernesto de naam verklapte die ik zou krijgen.

‘Een jongen! Een jongen! Javier!’ hadden ze gezongen. Zo ontkurkten ze de laatste fles. Ernesto nam het rode hoofd van mijn vader tussen zijn handen en kuste hem bruusk op de lippen. Het scheelde niet veel of mijn vader had een losse tand gehad nog voor ik geboren werd.

Een tijd voor en na de l’esca

Elke plaag, schimmel, oorlog en vrouw hoorde vergeleken te worden met een vorige. Daarom begon Ernesto zijn verhaal waar het volgens hem moest beginnen. Ik moest alles weten over de schimmel die op een aantal wijngaarden in de buurt van Toulouse was uitgebroken. De l’esca was geen plaag, volgens Ernesto, of toch geen plaag zoals de filoxera dat eind negentiende eeuw was geweest.

‘Niet te vergelijken met wat de filoxera aangericht heeft, Javi. Ik en uw vader zaten nog veilig in de baarmoeder, maar onze vaders, die hebben verdomd veel geld moeten investeren.’

Het insect nestelde zich in de plooien van de kledingstukken van Amerikanen, overleefde de overtocht en zette Frankrijk op zijn kop. Ernesto herinnerde zich dat zijn vader hem later trots verteld had dat hij, zoals een echte ondernemer, meteen geanticipeerd had op de gestegen vraag naar wijn vanuit Frankrijk. Hij had de wijnproductie verdubbeld om zo veel mogelijk geld te kunnen slaan uit alle exportmogelijkheden.

‘Want daar zaten ze, crisis, de Fransen zonder wijn.’

Maar telkens wanneer Ernesto’s vader vertelde over de dag dat de filoxera protagonist werd in de Spaanse krantenartikelen, trok hij bleek weg.

‘Wij, de Spanjaarden, hebben meteen maatregelen genomen, en snel waren we. Op een bepaald moment werd het transport van hout en andere natuurlijke materialen tussen Frankrijk en Spanje verboden. Maar zoals altijd, expansie. Het uitbreken van de hel kan niemand tegenhouden.’

Als Ernesto’s vader God zou zijn tegenkomen, zou hij eens goed tegen zijn schenen gepist hebben. ‘Dat zei hij, en dan moet je weten, Javi, mijn vader was een gelovig man.’ Hectaren wijn moesten opnieuw geplant worden in Haro. ‘Het was een ramp. De rollen keerden om. Ook jullie wijngaard, die van jouw grootvader, werd besmet.’

Ik probeerde me mijn vloekende grootvader voor te stellen, in het haar krabbend, op de knieën priemend naar de bladeren en stammen van zijn wijnstokken. De diagnose, de onstabiele hartslag van een rotte grond, moet door merg en been gegaan zijn. Ernesto beweerde dat er een tijd was voor de filoxera en één daarna. Hij en mijn vader behoorden tot de wijnboeren van daarna. Zij plukten de vruchten van de nieuwe methoden, de technieken die de wijnbouw moderniseerden, de machines waarin hun vaders hun laatste pesetas hadden geïnvesteerd.

‘Wist je dat de regering toen nog geld vrijmaakte om Amerikaanse stammen te laten overkomen? Want, sí, die stokken waarmee alle miserie in de eerste plaats begonnen was, waren er blijkbaar wel tegen bestand. Wat een grap, zeg dat wel. Dus de oplossing was de volgende: de Amerikaanse stam in de grond, een paar andere Europese stokken halen en dan gewoon even enten. Die mannen van de regering. Tegen lage interest, zeiden ze. Ik vraag me af of ze met hun eigen miserie ook zo zouden lachen. Maar goed, de gemeente maakte een eigen kas en toen…’

‘Goed, ik begrijp het, miserie die filoxera. Maar hoe zat het dan met de l’esca?’

‘Dat was gewoon een schimmeltje. Een paar gele melkachtige vlekken op de bladeren.’

‘Maar toch een schimmeltje dat ervoor zorgde dat die Fransen hier in Haro stonden.’

‘Ze hadden hier nooit moeten komen, dan was het allemaal niet…’ Ernesto maakte zijn zin niet meteen af. ‘Er is een tijd voor en na de l’esca, wat ik daarnet ook mocht beweren.’

Over de auteur

Lore Mutsaers (24) studeerde Sociaal-economische Wetenschappen en Meertalige Professionele Communicatie. Twee jaar geleden startte ze aan de SchrijversAcademie en sindsdien prutst ze aan een roman. De hartslag van Antwerpen zorgt voor een optimale circulatie van de uiteenlopende ideeën in haar hoofd. Tramgesprekken zetten haar aan tot allerlei verslavingen, van schrijfprojecten tot het organiseren van culturele evenementen voor studenten.

Over de illustrator

Milou Trouwborst (25) studeerde afgelopen zomer af aan de richting Illustratie op de HKU. Inmiddels werkt ze als freelance illustrator in opdracht en maakt ze autonoom werk in haar atelier in Utrecht. Kleine, fijne, potloot lijnen worden in haar werk gecombineerd met kleurvlakken, texturen en patronen. In haar beelden zoekt ze met kleine details en emoties, naar grote verhalen. Voor meer van haar werk, zie: www.miloutrouwborst.nl

Lees meer uit de categorie Proza

De omgekeerde wereld: VERVAL

Door Joke Van Caesbroeck

In de omgekeerde wereld draaien we de zaken voor de verandering eens om. Nu eens niet eerst een tekst waar een illustrator een beeld bij maakt. In de omgekeerde wereld is er eerst de illustratie, daarna gaat de schrijver aan de slag om er een kort verhaal of gedicht bij te maken. In deze eerste […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper