Interview

Glenn Markesteijn over zijn liefde voor Ted van Lieshout en de slamtekst als halfproduct

Door Sophie Kok | beeld: Martien Bos
18 januari 2019

Op zaterdag 2 februari vindt in de Pandora van TivoliVredenburg de finale van het Nederlands Kampioenschap Poetry Slam plaats. De acht beste (performance)dichters uit het hele land gaan deze avond de poëtische strijd met elkaar aan om de titel NK Slampion 2019, de naar Simon Vinkenoog vernoemde Gouden Vink-wisseltroffee en een geldprijs van 1000 euro. Zowel de dichterlijke kwaliteiten van de kandidaten als hun capaciteiten als performer worden beoordeeld door het publiek en een vakjury.
De vakjury bestaat dit jaar uit dichters Tom Lanoye en Maud Vanhauwaert en Willie Wartaal, bekend van de Jeugd van Tegenwoordig. In de aanloop naar de finale stellen we hier de 8 finalisten aan jullie voor door hen het digitale vuur aan de schenen te leggen. De eerste finalist die we aan jullie voorstellen is schrijver, theatermaker en muzikant Glenn Markesteijn


Hoe/ waar ben je in aanraking gekomen met poetry slam en hoe kwam je erbij hier zelf aan mee te gaan doen?

Ik studeerde op de HKU aan de opleiding Writing for performance en regelmatig deden er klasgenoten mee aan poetry slams. Ik merkte dat ik naast het schrijven van theaterteksten, behoefte had om ook weer eens zelf op een podium te staan. In mijn tweede jaar koos ik daarom voor het keuzevak poetry slam, gegeven door Ingmar Heytze. Tijdens dit vak schreef ik het gedicht ‘Papa’s pak’ en mocht ik het in de les voor het eerst voordragen. De reacties waren erg positief en het klopte gewoon. En dus besloot ik mij na die les direct in te schrijven voor mijn eerste slam! Volgens mij was dat Podiumvlees te Tilburg.

Hoe zou je je werk/stijl typeren? Wat zijn terugkerende thema’s bijvoorbeeld?
Mijn werk bestaat voornamelijk uit poëtische verhalen waarin ik mij zo min mogelijk aantrek van regels. Ik vind het heerlijk om vijftien keer in een zin de letter A te gebruiken en plots ergens een U tussen te plaatsen zodat die er dan lekker uitspringt. Eigenlijk schrijf ik een soort theatermonologen die heel graag gedichten willen zijn, maar dat lukt dan niet en dus belanden ze in een identiteitscrisis. Daarbij komt dan ook nog eens dat ik stiekem liever heel graag een rapper wil zijn en voila: een soort van stijl. Ik haat het overigens echt als mensen met een afkeurend toontje zeggen: ‘Dat is geen poëzie’. Alsof poëzie alleen poëzie mag zijn als je je netjes aan de regels houdt. Fuck de regels! En dat is dan gelijk ook een terugkerend thema binnen mijn repertoire.

Schrijf je je teksten met het podium in gedachten? (Schrijf je aparte teksten voor op papier en voor op het podium? En zo ja, wat is het verschil?)
Ik schrijf de gedichten die ik voor een slam ga gebruiken echt voor het podium. Soms herschrijf ik ze zelfs voor een specifieke plek. Door mijn theaterachtergrond heb ik geleerd hoe belangrijk vorm versus inhoud is. Hoe deze twee elkaar kunnen versterken en zodra ze in balans zijn, je slams op een hoger niveau komen. Ik repeteer mijn gedichten en zoek naar bewegingen en beelden om woorden kracht bij te zetten. De slamtekst zie ik, net als een theatertekst, als een halfproduct. Er moet nog een sausje overheen komen. Het afgelopen jaar heb ik echter wel geleerd dat ik soms te ver ga in mijn vormen. In de gedichten die ik al vaak heb gedaan zitten te veel maniertjes, waardoor de oprechtheid soms een beetje zoek is. Vandaar dat ik weleens te horen krijg dat de mensen iets meer mij willen zien en iets minder performance. Misschien is het ook helemaal niet slim om dit te zeggen. Nu gaan mensen hier misschien extra op letten. Maar het is aan mij om de juiste balans te vinden.

Waar haal je inspiratie vandaan?
Mijn behoorlijk gestoorde, maar hele leuke familie. Op verjaardagen is er een mix van net-niet-rocksterren, voetbalhooligans, basisschooldocenten en professoren aanwezig. Dit leidt tot gesprekken waarin gediscussieerd wordt over wie nou de betere zanger is; Django Wagner of Eddie Vedder of toch Pavarotti. Iedereen praat ook altijd overdreven hard, om boven het geluid van twintig kinderen uit te komen. Ik ben na zo’n dag altijd erg moe, maar ook voldaan.
Daarnaast maak ik eens in de zoveel tijd een lange treinrit en laat me verbazen door mijn medereizigers. Het lijkt wel alsof mensen in de trein soms vergeten dat de hele coupé vol zit. Ze bespreken zonder enige schaamte hoeveel pillen ze gisteren hebben gepakt of dat ze vreemd zijn gegaan. De trein zit vol verhalen! Vooral als het vol zit met huisvrouwen vanwege de huishoudbeurs.

Hoe ga je om met plankenkoorts? Of ben je een podiumbeest in hart en nieren?
Ik ben een podiumbeest in hart en nieren, maar vrees dat ik nooit zal wennen aan de zenuwen. Voor een optreden ga ik zo’n zevenenveertig keer naar het toilet en blijven mijn handen trillen tot ik op het podium mijn eerste zin heb gezegd. Maar na die eerste zin is alles oké.

Wanneer noem je je eigen optreden geslaagd?
Als ik het gevoel heb dat ik mijn publiek voor even uit het dagelijkse leven kan trekken en hen mee neem naar een nieuwe wereld. Het liefst wil ik dat iedereen weer even kind is en onbegrensd mee kan fantaseren. Het is echter nog belangrijker dat ikzelf mee kan gaan in die fantasie. Als ik op het podium sta en ik merk dat ik eigenlijk niet in mijn eigen woorden geloof, weet ik dat het publiek dat ook niet gaat doen. Daarnaast vind ik het ook erg belangrijk dat mensen even lekker kunnen lachen!

Hoe ga je je voorbereiden op de finale van 2 februari? (Zit er een bepaalde opbouw in je set? En hoe bereid je een finalebattle voor?)
Ik ben bezig met een nieuw gedicht. En misschien is het riskant om een nieuw gedicht te doen, maar voor de finale geldt voor mij go big or go home. Wat dat dan precies inhoudt, ga ik nu nog niet verklappen. Daarnaast zal ik minder uiteenlopende stijlen hanteren en er meer een geheel van maken. Ik hoop hierdoor dat mijn gedichten elkaar zullen versterken.

Tegen/ met wie zou je het liefst in de finalebattle van het NK Poetry Slam terechtkomen?
Richard Nobbe!!! Ik kende hem nog niet voor de halve finale, maar wat heb ik genoten van zijn optreden. Hij is slim, grappig, gevat en heeft hele toffe insteken. Zijn gedicht over de Rijdende Rechter bijvoorbeeld! Ik denk dat als wij samen in de battle staan, er een zeer interessant gevecht zal ontstaan met heel veel humor.

Wat zijn je ambities op schrijf- en optreedgebied?
Buiten het schrijven van gedichten, werk ik voornamelijk als schrijver voor jeugdtheater. In samenwerking met regisseuse Anne van der Steen en Wildpark schrijf ik dit jaar ‘Harten, tien hoog’ over een meisje dat verliefd wordt op de liefde in een wereld waar zelfs Cupido de liefde zat is. Het fijne aan het schrijven voor kinderen/jeugd is dat zij nog veel meer op kunnen gaan in hun fantasie. Poëzie is hier een zeer goed middel voor, je geeft hen slechts flarden van situaties en beelden en ze maken er zelf fantastische chocola van. Ik schrijf minimaal twee jeugdtheaterteksten per jaar en wil poëzie nog meer gaan integreren in deze stukken.
Daarnaast heb ik in samenwerking met Makershuis Tilburg dit jaar mijn eerste solovoorstelling, genaamd ‘Als ik nog eens wijs word’, mogen maken. Deze voorstelling is een mix van spoken word, persoonlijke verhalen en liedjes omtrent het thema verwachtingspatronen. Een doel is om de voorstelling door te ontwikkelen en hem in 2019 zo vaak mogelijk te spelen.
Ook organiseer ik o.a. samen met Leon Caarls het Café Theater Festival Tilburg. Hier bieden we tien talentvolle makers de kans om voorstellingen te maken voor tien verschillende café’s in Tilburg.

Als je een (literair) voorbeeld zou mogen uitkiezen dat jou een jaar zou coachen, wie zou je dan kiezen?
Ted van Lieshout! Driedelig paard is fantastisch en dan vooral het verhaal over het moederdagcadeau. Ted van Lieshout weet als geen ander hoe je moet schrijven voor kinderen/jeugd. Niet door alles makkelijker te maken, maar door ze vooral niet te onderschatten. Stel dat hij mij zou willen begeleiden, dan zou ik heel erg graag een poëtisch kinderboek/prentenboek willen maken over het hypergondier. Een wezen dat de vorm aan neemt van al je angsten. Dus meneer van Lieshout als u dit leest: hoi!

Mocht er nog eens een Nobelprijs voor de literatuur uitgereikt worden, wie zou hem dan moeten winnen?
Ja dat moet dan wel Johnnie van Veen uit Appingedam zijn, met het boek Vlinders zijn geen paracetamolletjes. Nee grapje, ik zou het echt niet weten. Ik weet dat ik een enorme fan ben van Niccolo Ammaniti en dan vooral het boek Het laatste oudejaar van de mensheid, maar een Nobelprijs gaat hij hier niet mee winnen vrees ik. Ik hou juist van schrijvers die niet te veel hun idealen en visies zichtbaar maken. Echt een moeilijke vraag dit.

Hoe ziet je dagelijkse leven eruit, waar hou je je (naast schrijven en optreden) zoal mee bezig?
Schrijven, schrijven, schrijven, schrijven! Daarnaast woon ik samen met mijn hele lieve vriendin die me ontzettend gelukkig maakt. Hebben we een konijn genaamd Flamoeg en een kat genaamd Buuf. Mijn grootste passie naast schrijven is Ajax. Ik kijk alle wedstrijden en als ik er eentje mis voelt het niet oké. Ook ben ik sinds Heel Holland Bakt aan het bakken geslagen, maar hier heb ik echt nul talent voor.

Wat is de leukste reactie die je naar aanleiding van een optreden hebt gekregen van een jurylid of iemand uit het publiek?
Dat was na mijn solovoorstelling, er kwam een man naar mij toe en die zei: ‘Ik heb echt helemaal niets met poëzie, maar dit vond ik echt geweldig!’ Ik hou ervan mensen te bereiken die van te voren sceptisch zijn, of zeggen niet van poëzie te houden. Ik zie het als persoonlijk doel om hen te overtuigen. Veel van mijn gedichten zijn dan ook toegankelijk voor een brede doelgroep.

Als je jezelf als slammer in één van je eigen dichtregels zou moeten samenvatten, welke zou dat dan zijn?
‘Ik werd wakker en zag dat mijn haargrens in één nacht minstens acht centimeter meer naar achter lag.’

Wil je Glenn live bewonderen en ben je benieuwd of hij naar huis zal gaan met de Gouden Vink, koop dan hier een kaartje voor de finale van het NK Poetry Slam. 

Over de auteur

Sophie Kok is redacteur bij De Optimist.

Over de illustrator

Martien Bos is naast freelance tekstschrijver ook illustrator voor diverse tijdschriften, kranten en uitgeverijen in binnen- en buitenland. Hij tekende onder andere voor De Optimist, NRC Handelsblad, VPRO, De Standaard, uitgeverij Boom en Athenaeum–Polak & Van Gennep. Zie martienbos.com.

Lees meer van

Abdul Broekema over apocalyptische battles, ruimtekolonisatie en de oppergod van de poëzie

Door Sophie Kok

Abdul Broekema leest alles wat los en vast zit, van Griekse tragedies tot Van Dale-woordenboeken en van boeken over ruimtevaart tot de gedichten van zijn grote voorbeeld Tracy K. Smith. Hij studeert literatuurwetenschappen, doet sinds 2015 mee aan poetry slams en hoopt ooit een bundel te publiceren (en op een andere planeet te gaan wonen). Ook […]

Lees meer uit de categorie Interview

Interview: redacteur Marijn Hogenkamp

Door Nienke van Leverink

In het kader van 10 jaar De Optimist interviewden wij enkele van onze (oud-)redacteuren over wat De Optimist voor hen heeft betekend. Vandaag: hoofdredacteur Marijn Hogenkamp. In het dagelijks leven is zij redacteur bij Atlas Contact en heeft zij de roman ‘Probeer om te keren’ uitgegeven bij Cossee. Ben je een optimist? Ik zeg altijd wel […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper