Kort verhaal

Het suizen

Door Annelies Leysen | beeld: Rowan David
4 januari 2019

Het Zwin, nog vier uur en tweeënveertig minuten
Hoe dichter ze bij het meer komen, hoe luider de wind brult. Muis springt uitgelaten op en neer en spurt richting het meer, waardoor Marcel bijna zijn evenwicht verliest en met zijn rechtervoet in een plas stapt in een poging zichzelf staande te houden. Het afgesleten leer van zijn schoen kleurt meteen donker van het opgezogen vocht. Als reactie trekt hij uit alle macht aan de leiband, veel harder dan nodig is.
   ‘Verdomme, rotbeest!’
De grote, grijze jachthond jammert piepend, knippert zenuwachtig met zijn helblauwe ogen en staakt zijn vluchtpogingen. Het meer lonkt. Terwijl hij nogmaals aan de leiband trekt, voelt hij het watje in zijn linkeroor loskomen. De witte prop valt langs zijn schouder naar beneden in het lange gras. Ogenblikkelijk nestelt de ijzige kou zich binnenin zijn oor. Het is alsof iemand hem een klap tegen zijn hoofd verkoopt. Een pijnscheut trekt van zijn oren recht naar zijn slaap, alsof zijn trommelvlies op scheuren staat. Er volgt een verblindende lichtflits, hij moet zijn kaken op elkaar drukken om niet te gaan schreeuwen. Het duurt even vooraleer hij zijn evenwicht terugvindt en weer bij positieven is. De hond trappelt ongeduldig ter plaatse.
   ‘Ja, Muis, we zijn er zo.’
Hij trekt de kap van zijn trui over zijn hoofd en knoopt het touwtje strak dicht. Net als elke dag zijn ze stipt om tien uur aan hun wandeling begonnen, maar vandaag blijft Muis maar ongeduldig trekken. De wandeling dreigt uit te lopen, wat een ramp zou zijn voor het verdere verloop van de dag. Weer blijft Muis plots staan om opgewonden in het gras te snuffelen. De stevige wind draagt de sporen van konijnen en muizen door de open lucht. Zijn hoge geblaf is oorverdovend en niet te harden pijnlijk. Marcels gezicht trekt een pijnlijke grimas. Ook al weet hij dat het beest hem niet met opzet pijn wil doen, hij blijft als een woesteling aan de leiband trekken tot het dier uitgeput en ademloos op de grond neerzijgt.
   Tijdens de zomer geniet hij ervan om de hond uit te laten aan het meer. Er is nooit een levende ziel te bekennen. Hij kijkt graag naar de woeste, weerbarstige natuur. Naar hoe dreigend en puur de wereld eruitziet zonder inmenging van de mens. Als het niet waait, is het er zo stil dat hij soms zelfs zijn gehoorbescherming even kan afzetten. Dan zit hij langs de rand van het meer in het gras en laat hij Muis vrij rondlopen terwijl hij naar de lucht kijkt. Of hij gooit keitjes in het meer en kijkt naar het rimpelende water. Hier is zijn echte leven altijd ver weg.


Pioenstraat 3, nog drie uur en negentien minuten
Terwijl hij naar binnengaat, bekijkt hij de twee enveloppes die hij net uit de brievenbus heeft gehaald. Het incassobureau. Allebei. Hij hangt de leiband aan de kapstok, gaat de woonkamer binnen en gooit de brieven in de bak met andere ongeopende rekeningen. Vroeger maakte hij de enveloppes nog open, ondertussen weet hij dat het geen zin heeft. Hij gaat zitten en schuift zijn stoel geruisloos wat dichter naar de tafel. Muis kruipt onder zijn stoel en legt zijn kop zuchtend neer. Marcel gaat met een hand door de weinige, lange haren op zijn kruin en drukt een dikke pil uit de strip medicijnen die op de tafel ligt. Het is niet de moeite ze op te bergen in het medicijnkastje. Het aluminium van de strip kraakt scherp en luid. Hij stopt de pil in zijn mond en slikt hem weg zonder drank. Het is een automatisme geworden. Hij weet dat het niet zal helpen, maar hij voelt weinig voor de ontwenningsverschijnselen die hij zal krijgen als hij met de pillen stopt.
   Hij doet zijn horloge af en legt het naast hem op het tafelkleed. Het geluid van de tikkende secondewijzer bonst in zijn hoofd, het vult de hele ruimte. De wijzerplaat glanst. Voor zijn veertigste verjaardag gekregen van Reinhilde, toen ze nog getrouwd waren. Een vierentwintig karaats gouden schakelband. Veel te opzichtig naar zijn smaak, maar dat heeft hij haar nooit durven zeggen. Nog geen jaar later waren ze uit elkaar.
   Hij neemt de koffiepot met de vilten huls van het aanrecht en vult zijn kopje bij. Het is heet, muf en donker in huis. Boven hem hangt een vergeelde poster met de zonnebloemen van Van Gogh. De kleurrijke poster ziet er lachwekkend uit in vergelijking met het donkere, stoffige interieur, maar na twintig jaar ontroert het beeld hem nog steeds. Volgens hem is Van Gogh de grootste kunstenaar die ooit op de aardkloot heeft rondgewandeld.
   Als hij terug aan de tafel gaat zitten, neemt hij het pak beduimelde speelkaarten in zijn rechterhand en schudt ze met de linker. In de loop van de jaren is hij een kei geworden in kaarten schudden met handschoenen aan. Hij schraapt zijn keel en schuift voorzichtig zijn stoel nog wat dichter naar de tafel. De katoenen polo plakt tegen zijn rug van de hitte. De zwarte trainingsbroek hangt net te laag, waardoor een witte strook buikvet onder de polo uitkomt. Hij heeft nog net genoeg tijd voor een rondje patience.


Centrum Brugge, nog twee uur en zevenendertig minuten
Om zich voor te bereiden, heeft hij zijn wangen vanmorgen gladgeschoren met het ouderwetse, vouwbare scheermes dat hij van zijn vader had gekregen voor zijn plechtige communie. Het was in die tijd een vreemd cadeau geweest, hij was nog maar een kind. Pas veel later, toen hij bijna tien jaar ouder was, had hij het mes leren zien als teken van mannelijkheid en trots.
   Het is meer dan tien jaar geleden dat hij in het centrum van de stad is geweest. Buiten zijn dagelijkse wandeling met Muis naar het meer komt hij maar eens per week buiten, om brood en kaas te halen in de supermarkt. Het lijkt of de drukte is verdubbeld ten opzichte van tien jaar geleden. De watten in zijn oren zijn niet bestand tegen zoveel straatlawaai, ze houden bijna geen enkel geluid tegen. Uitgeput gaat hij met zijn rug tegen een gevel staan, sluit zijn ogen en wrijft met zijn rechterhand over zijn grijze snor. Dit was een slecht idee. Hij moet hier zo snel mogelijk weg, het constante lawaai en de hoofdpijn zijn niet te harden. Hij wilde haar gewoon nog een keer zien. Hij heeft jaren met het idee gespeeld om opnieuw contact met haar op te nemen, maar ergens wist hij dat dat geen goed idee was. Het is beter om niet te weten waar je vader is dan om een vader als hij te hebben, dacht hij altijd. En nu het dichterbij komt, moet hij het toch in schoonheid kunnen afsluiten. Via Facebook kwam hij te weten dat ze serveerster is in het café hier op de hoek. Een rommelig etablissement dat stinkt naar verschraald bier en ongewassen werkmannen.
   Hoewel het café vol zit, herkent hij door het raam de vorm van haar hoekige kaaklijn meteen. Haar wangen zijn nog even bol, alleen horen ze opeens bij een volwassen vrouw. Haar engelachtige krullen hebben plaats gemaakt voor een kort kapsel. Het staat haar niet, vindt hij. Hij heeft zich de afgelopen jaren bijna dagelijks afgevraagd hoe ze eruit zou zien, maar hij heeft nooit gedacht dat het zo zou voelen om haar terug te zien. Het voelt vreemd, bijna obsceen, om hier stiekem te staan kijken naar de dochter die hij dertig jaar geleden in de steek liet.
   ‘Kan ik u helpen, meneer?’ vraagt een jonge vrouw met een herbruikbare winkeltas om de arm. Ze komt naast hem staan en kijkt hem speels vriendelijk aan, alsof ze tegen iemand met een mentale beperking praat. ‘Zal ik u helpen oversteken?’
   ‘Nee.’
De vrouw kijkt hem geschrokken aan en knikt verontschuldigend.
   ‘U hoeft niet zo te schreeuwen, ik wilde u alleen maar helpen.’ De vrouw steek bij wijze van verontschuldiging haar hand op en loopt hoofdschuddend door. Hij wacht tot ze de straat heeft overgestoken en draait zich om, weg van het café. Het is tijd om weg te gaan. Hij werpt een laatste blik op de vitrine van het café, draait zich dan om en maakt zich uit de voeten.

Pioenstraat 3, nog negenennegentig minuten
Hij doet zijn best om duidelijk en mooi te schrijven, met mooie bogen. Het lukt hem niet. Instinctief denkt hij aan de ijzeren regen van juffrouw Frieda uit het tweede leerjaar. Dat jaar is hij er niet één keer in geslaagd een voldoende te halen voor schoonschrift. Schoonschrijven was voor homofielen, vond zijn vader als hij ’s avonds alweer met blauwe knoken en strafwerk naar huis werd gestuurd. En school voor fils à papa’s. Dat heeft hij nooit aan de juf durven zeggen.
   ‘Ik wist niet hoe ik het je moest vertellen.’
Het einde van een brief is nog veel moeilijker dan de aanhef, vindt Marcel.
‘Ik hoop dat je me begrijpt. Ik doe je hier een plezier mee.’
Hij voelt een warme adem tegen zijn been, gevolgd door de harige muil die zich op de blote wreef van zijn rechtervoet legt.
   Hij zet de punt van het potlood weer op het papier, net iets te lang. Het hele plan zit al maandenlang in zijn hoofd. Hij heeft het verhaal keer op keer in zijn hoofd afgespeeld om het chronologisch op papier te kunnen krijgen. Hij bakt er niets van. De secondewijzer van het horloge tikt onverstoorbaar en oorverdovend door. Een scherpe pijn in zijn rechterslaap belet hem af te dwalen. Hij heeft te lang op dit plan gebroed. Hij moet door. Hij herleest de hakige hanenpoten op het blad. Ze zal hem wel begrijpen. Ze heeft nooit veel context nodig gehad.
   ‘Groeten van je vader. Marcel.’
Kort en krachtig, precies zoals hij wilde overkomen. Hij vouwt de brief onhandig in vieren en steekt hem in een enveloppe. Hij laat zijn tong langzaam over de lijmstrip gaan en drukt met vlakke hand op de omslag tot die blijft dichtplakken.


Guido Gezellestraat, nog vijfendertig minuten
Ze zetten er stevig de pas in. Muis is niet meer de jongste, maar hij is goed afgericht. Een sociaal dier. En stil. Waar hij ook naartoe ging, Muis ging altijd met hem mee. Naar de badkamer, naar de slaapkamer, aan de tafel in de living tijdens het dagelijkse spelletje patience. Hij merkt dat hij het moeilijk krijgt en gaat nog sneller wandelen. Volgens de gps op zijn telefoon is het nog 3 minuten wandelen. Hij bekijkt de oude gevels in het schemerdonker en ziet de lampen in de woonkamers branden.
   Nummer 9, hier is het. Er is geen weg terug. Hij gaat langzaam langs de haag naar de voordeur van het huis, neemt de voorgevel in zich op. Twee granieten treden en een zware, houten voordeur uit twee stukken. Stijlvol, stelt hij tevreden vast. Hij bukt zich voor het huis en hangt de les van Muis vast aan de loden trapleuning links van de voordeur. De hond piept en kijkt hem met een scheve kop aan, hij is het niet gewend vast te worden gemaakt.
   ‘Rustig, Muis, het is maar voor even. Het komt allemaal goed.’ Hij aait het de hond over zijn snuit en klakt zacht met zijn tong, het gebaar waarmee hij muis altijd tot de orde roept. Hij neemt de kop van het beest tussen beide handen, aait de stugge vacht nog een laatste keer en laat de rugzak van zijn schouder glijden. Een halve zak met hondenbrokken, Muis’ mand en de brief die hij thuis geschreven heeft. Als kind wilde ze altijd een hond. 


Pioenstraat 3, heden
Terwijl hij naar zijn spiegelbeeld staart, boetseert hij het watje tussen duim en wijsvinger tot een klein balletje. Een doffe blik, ingevallen wangen, een onverzorgde, te lange snor en een oude, vormeloze wollen trui. Hij ziet eruit als een varken dat onderweg is naar de slachtbank. Zijn eigen beeltenis ontstelt hem, hij heeft al lang niet meer zo bewust naar zichzelf gekeken. Het zoemen van de witte tl-lamp boven de spiegel dondert zijn oren binnen. Het lawaai is onhoudbaar. De watten helpen niet meer. Er is een andere oplossing nodig, zo kan het niet meer. Met een boog kegelt hij het balletje in de gootsteen.
   Hij opent het spiegelkastje en neemt het vouwbare scheermes en een slijpsteen van de plank. Hij gaat traag op de rand van het bad zitten, met zijn gezicht naar de spiegelkast, en knipt het metalen mes open. Levensgevaarlijk, noemde Reinhilde het altijd, maar hij zweert erbij. Hij neemt het stevig vast en laat het lemmet snel heen en weer over de slijpsteen gaan, opnieuw en opnieuw. Het krijsende geluid van metaal op steen doet zijn gezicht in een pijnlijke grimas vertrekken, maar hij stopt niet met slijpen. Het moet vlijmscherp zijn. Hij bekijkt zijn eigen blik bedachtzaam in de spiegel, legt het mes en de steen op de rand van de gootsteen en trekt zijn trui en polo in tezamen over zijn hoofd. Zijn onderhemd lijkt keer op keer op te lage temperatuur gewassen, het ziet er even grauw uit als zijn spekkige huid. Hij denkt aan Muis. Zou ze hem al gevonden hebben?
   Met zijn blik strak op zijn spiegelbeeld gericht zet hij het scherpe lemmet van het scheermes tegen zijn schedel, ter hoogte van zijn oor. Hij aarzelt. Zou Van Gogh bang geweest zijn? Hij strekt de palm van zijn rechterhand, steekt die tussen zijn tanden en klemt zijn kaken op elkaar.

Over de auteur

Annelies Leysen (1987) woont in Antwerpen, kookt graag met olijfolie en houdt niet van het getal elf. Ze behaalde in 2014 een Master in Theater- en Filmwetenschap en werkt sindsdien in een communicatiebureau. Ze vult haar dagen het liefst met boeken lezen, verhalen schrijven en in bed liggen.

Over de illustrator

Rowan David woont en werkt in Haarlem. Naast zijn werk als psychiatrisch verpleegkundige is hij een autodidactische illustrator die inspiratie put uit de natuurlijke wereld, de intuïtieve aard van de mens en de donkere kant van het leven; met een primaire focus op de psyche, folklore en surrealisme. Dit brengt hij in beeld door mixed media, lijnwerk en digitale kleuren te gebruiken. Daarnaast bedrukt hij kleding en beschildert hij spijkerjasjes. Zie zijn Instagrampagina.

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

Kadar

Door Mattijs Deraedt

Sinds Vriend gestorven is, kijk ik elke dag om 16.15 u. naar de grote kreeft in de supermarkt. Natuurlijk wandel ik niet meteen naar hem toe. Ik ga eerst een voor een de gangen af en koop wat er die dag op het boodschappenlijstje staat. Wanneer ik bij de visafdeling aankom, kniel ik voor het […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper