Proza

De wederopstanding van Jezus en Hannie Schakema

Door Koonian Thomas | beeld: Monique Wijbrands
8 maart 2019

‘Ik ben het, Jezus,’ zei Jezus, en ik wist niet zo goed wat ik met die opmerking moest.
   ‘Hallo,’ zei ik. ‘Ik ben Hannie Schakema.’
   ‘Dat weet ik,’ zei Jezus, en ik zei: ‘Niet om vervelend te doen, maar ik geloof niet in u.’
   Ik hoorde Jezus zuchten. ‘O, oké,’ zei hij. ‘Prima.’

Ik had geen idee waar ik was. Waarschijnlijk ergens in de buurt van de windmolen, want toen ik erachter kwam dat ik niet in bus 21 gestapt was maar in lijn vijf, waren we pas een stuk of acht minuten onderweg. Nu zat ik hier. Ik hoorde geen kinderen spelen en die hoor ik normaal altijd overal bovenuit. Kinderen zijn eigenlijk mijn kompas, want A: ik hou van kinderen en B: ze zijn oprecht. Ze schreeuwen als ze spelen en huilen als ze verdrietig zijn en in een donkere wereld zijn oprechte impulsen van levensbelang.
   ‘Is er wat?’ vroeg ik, want het was erg lang stil. Er reed een auto door een plas water. Het bushokje stond ver genoeg van de stoep af, dus ik en Jezus werden niet nat.
   ‘Nee hoor, laat maar zitten,’ zei hij. Ik hoorde dat hij de andere kant op keek, want hij praatte tegen de wind in. ‘Vond het gewoon een beetje een flauwe opmerking.’
   Het lijkt nu alsof het zo’n wonderlijke samenkomst van omstandigheden was, maar ik was gewoon de verkeerde bus ingestapt en dat is helemaal niet zo wonderlijk voor mijn doen. Ik stap wel vaker de verkeerde bus in, kom dikwijls thuis met poep onder mijn schoenen en reken negen van de tien keer het verkeerde pak koffie af bij de kassa. Ik loop soms zelfs keihard tegen muren in drukke winkelstraten, maar dat doe ik liever dan de hele dag thuis zitten.
   Na een korte stilte zei hij toen, terwijl hij zijn hoofd naar mij draaide: ‘Snap je?’
   ‘Ja,’ zei ik aarzelend. ‘Maar het is wel zo. Ik geloof niet in u.’
   ‘Nee, maar snap je dat ik dat gewoon een beetje flauw vind?’ zei Jezus, alsof hij een punt wilde maken.
   Ik knikte. Ik kon me heus wel voorstellen dat hij zoiets niet prettig vond om te horen, maar ik ging ook niet liegen tegen Jezus.
   Misschien had hij me wel gevolgd vanaf het station of was hij gewoon toevallig in de buurt. Misschien zat hij al de hele dag op dat metalen witte bankje bij de bushalte te wachten op mensen om zich bij te introduceren.
   De koude lucht schuurde langs mijn gezicht. Logischerwijs zou bus vijf binnen afzienbare tijd langskomen en me terugbrengen naar het station, maar het was akelig stil bij de halte. Er ging een autoalarm af, ergens in de verte. Alladin gaapte. Dat deed hij altijd als hij nerveus was. Misschien had hij door dat ik me niet helemaal op mijn gemak voelde. Ik hield mijn taststok stevig met beide handen vast.
   Jezus zat nog steeds naast me, dat wist ik, maar hij zei niks meer. Het gewaad dat hij droeg wapperde in de wind. Het klonk als de lakens die de bovenbuurvrouw soms uithing op haar balkon. Ik vroeg me af of hij het koud had, maar ik durfde het niet te vragen.
   ‘Had je verwacht dat ik een gat in de lucht zou springen of zo dan?’ vroeg ik aarzelend om de stilte te doorbreken. Er kwam een fietser langs.
   ‘Dat is wel eens gebeurd, ja,’ zei Jezus.
   ‘Als ik spring dan val ik,’ zei ik. ‘Meestal.’
   ‘Mmm-mmm,’ zei Jezus begripvol, maar ik hoorde dat hij teleurgesteld was. Hij rook alsof hij net bij een kampvuur had gezeten.

‘Misschien een beetje een vreemde vraag,’ zei ik. ‘Maar als je Jezus bent, wat doe je dan in Budel?’
   Jezus begon te lachen en ik lachte ook. Hij had een vriendelijke lach. En gevoel voor humor, en gek genoeg stelde me dat gerust.
   ‘Ik ben teruggekeerd,’ zei hij zachtjes. ‘Al een tijdje geleden.’
   ‘O ja?’ vroeg ik. Ik voelde me een beetje dom. Had ik wat gemist?
   ‘Was gewoon voorspeld hoor,’ zei hij snel en ik probeerde mijn basisschoolkennis van de dag des oordeels voor de geest te halen. ‘Een tijdje geleden? Bedoel je dan een paar weken of vanochtend?’ Ik kon me niet herinneren dat ik iets had gehoord op het ochtendjournaal.
   ‘Paar maanden,’ zei Jezus rustig.
   ‘O,’ zei ik.
   ‘Ja,’ zei Jezus.
   Alladin begon mijn hand te likken.
   ‘Ben je nou boos?’
   ‘Het is prima.’
   Het klonk niet echt als de Jezus die ik kende.
   ‘Je klinkt boos,’ zei ik.
   ‘Is dat zo?’ zei hij, weer tegen de wind in. Er reed een bus langs, maar die stopte niet bij de halte.
   ‘Is dat bus vijf?’ vroeg ik.
   ‘Nee, bus 116. Maar die stopt hier niet,’ zei Jezus kortaf. Was hij alwetend of had hij zonet gewoon op de dienstregeling gekeken?
   ‘Oké, dank je,’ zei ik. Alladin ging weer voor me liggen. Brave hond, dacht ik, maar ik zei het niet want misschien dacht Jezus dan dat ik hem bedoelde.
   ‘Ik ben niet boos, maar je kan dingen ook gewoon op een andere manier zeggen,’ zei Jezus. ‘Maar goed, dat moet je zelf weten.’
   ‘Oké,’ zei ik.
   Toen was het stil.

Ik zat er al de hele tijd over na te denken, eigenlijk sinds hij zich had voorgesteld, maar ik aarzelde om de vraag te stellen. Misschien wilde ik het antwoord wel niet weten. Of misschien wist ik het antwoord al, maar wilde ik er gewoon niet aan. Alladin gaapte en ik besloot het maar gewoon te doen.
   ‘Kom je me genezen?’ vroeg ik zachtjes.
   ‘Als je dat wilt,’ zei Jezus meteen. Het maakte me boos. Want natuurlijk was dat zo. Waarom zegt die caissière anders lieve dingen tegen me terwijl ik heus wel hoor dat ze doodstil is tegen de persoon voor én na mij? Waarom articuleren postbezorgers ineens veel duidelijker wanneer ze zien dat ik ze niet in de ogen kijk als ze een pakketje afleveren? Hannie is zielig. Hannie moet genezen worden.
   ‘Doe maar niet,’ zei ik.
   ‘O?’ Jezus klonk oprecht verbaasd. Ik hoor altijd meteen wanneer mensen oprecht zijn en wanneer niet. Buschauffeurs bijvoorbeeld. Als je ze gedag zegt, hoor je binnen een seconde aan hun reactie hoe hun dag is en of ze lekker in hun vel zitten.
   ‘Balen hè?’ zei ik. ‘Daar gaat je plan.’
   ‘Wauw,’ zei hij beledigd. ‘Wauw.’
   Toen was hij stil. Ik hoorde hem opstaan.
   ‘Ga je nou weg?’ vroeg ik, een beetje lacherig omdat het mijn vermoeden bevestigde.
   ‘Jij wil niet genezen worden toch?’ zei hij.
   ‘Dus dan is het klaar?’ Ik trok mijn wenkbrauwen op.
   ‘Wil je dat ik blijf dan?’
   ‘Dat zeg ik niet.’
   Jezus zuchtte. En misschien had hij gelijk.
   ‘Waarom doe je nou zo moeilijk, Hannie?’
   Ik kneep hard in mijn taststok.
   ‘Omdat je het helemaal niet voor mij wilt doen, maar alleen maar voor jezelf!’ riep ik toen.
   ‘Wat heb ík eraan om jou te genezen?’
   ‘Nou, waarom zou je het wél voor mij doen? Waarom ik?’ vroeg ik.
   Hij was stil en toen realiseerde ik me dat ik waarschijnlijk niet de eerste keus was. Dat hij het waarschijnlijk al wel vaker had geprobeerd. Bij anderen. Vaker was afgewezen. Ineens herinnerde ik me het verhaal dat ik vorige week hoorde over hoe Sjaak een kerel in zijn gezicht had gemept die hem had gevraagd of hij de waarheid wilde weten over Jezus Christus.
   ‘Weet je, Jezus,’ zei ik. Ik draaide me naar hem toe en probeerde zijn handen vast te pakken. Hij stond nog, maar hij ging uit beleefdheid weer zitten en legde zijn handen in de mijne.
   ‘Je lijkt me een hele aardige knul. Zo klink je. Je hebt al die poespas niet nodig.’
   ‘Het is geen poespas,’ zei Jezus zacht. Zijn stem klonk breekbaar. ‘Wil je dat ik je genees of niet?’ vroeg hij toen, als een ultimatum.
   Ineens herinnerde ik me iets. Een heel willekeurige herinnering. Van voor het ongeluk. Ik schilderde een roos. Op een doek. Waarschijnlijk op school. Het was vaag. Meer een soort flits.
   ‘En kinderen?’ vroeg ik.
   ‘Kinderen?’ vroeg Jezus.
   ‘Wat als iemand een kindje zou willen in plaats van een genezing?’ vroeg ik zachtjes. ‘Maar die iemand kan zelf geen kindjes krijgen?’
   Jezus was stil en ik hoorde hem ademen. ‘Mag dat ook?’ vroeg ik toen.
   ‘Sorry, maar ik ben geen wensput,’ zei Jezus en hij trok zijn handen terug. Toen bedacht ik dat diezelfde trut van een caissière, die extra lief tegen mij deed toen ik de verkeerde koffie afrekende, Jezus waarschijnlijk had gevraagd of hij magisch haar uurloon zou kunnen verdubbelen zodat ze op vakantie kon naar Mallorca.
   ‘Zo bedoel ik het ook niet,’ zei ik toen.
   ‘Weet ik.’
   ‘Ik wil gewoon graag een kindje.’
   ‘Weet ik,’ zei Jezus weer. ‘Maar dat mag niet.’
   ‘Van wie niet?’ vroeg ik.
   Hij was stil. We wisten allebei wie hij bedoelde. Ineens leek Jezus op Jochem uit de zesde klas, wiens vader de eigenaar was van het grootste springkussenverhuurbedrijf van Nederland.Hij probeerde iedereen uit de klas te veroveren met kaneelstokken, kinderfeestjes en knikkers, maar niemand wilde naast hem slapen tijdens het schoolkamp.
   ‘Nou, dan mag je me ook niet genezen,’ zei ik.
   Jezus lachte.
   ‘Zo kom ik geen stap verder,’ zei hij toen.
   Ik lachte ook.
   ‘Insgelijks,’ zei ik. ‘Ik ben blind en jij bent Jezus. Hebben wij weer.’
   We lachten allebei.
   ‘Dat is de vijf,’ zei Jezus. Toen hoorde ik een bus aankomen in de verte en stond op. Alladin volgde. Ik zuchtte. Jezus was niet weggelopen, ook al had ik hem keihard afgewezen. Ik wilde hem uitnodigen voor een kopje thee bij me thuis, maar ik deed het niet want ik wist het antwoord al. Jezus openbaart zich slechts, daar bouw je geen langdurige vriendschap mee op. Hij stond op en pakte me bij mijn schouder.
   ‘Leuk je ontmoet te hebben, Hannie Schakema,’ zei hij.
   ‘Leuk je ontmoet te hebben, Jezus van Nazareth,’ zei ik. Daar lachte hij om en en ik vroeg me af of Jezus net zo’n naam was als Cher of Kluun. Niemand noemt mij Hannie van Budel.

Ik stapte naar binnen, checkte in met mijn chipkaart en groette de chauffeur. Die zei goedemiddag en aan zijn stem hoorde ik dat hij niet zomaar hard zou optrekken voordat ik op mijn plek zat. Ik ging zitten en de bus vertrok dus ik zwaaide naar buiten, zonder dat ik wist of Jezus daar nog stond. Alladin ging tussen mijn voeten liggen. Ik bedacht hoe het zou zijn om een gezinnetje te stichten met iemand als Jezus. Die was vast niet vaak thuis. Vreemde kantooruren.
   Plotseling zag ik rood. Een rode schim. Het was de stoel voor me. Ik had al dertig jaar geen rood meer gezien, maar ik herkende de kleur meteen. Ik wreef door mijn ogen. Gele patronen werden langzaam zichtbaar op de zitting.
   ‘Jezus, jij smiecht,’ fluisterde ik zachtjes terwijl ik mijn hoofd schudde.

Over de auteur

Koonian Thomas (1990) is een singer-songwriter, schrijver en scenarist. Hij studeerde af aan de gerenommeerde Koningstheateracademie, waar hij zijn geheel eigen manier van storytelling ontwikkelde. Zijn songs en verhalen beslaan een geheel eigen wereld en zoeken altijd de verbinding met elkaar op. Koonian schrijft korte verhalen met een vleugje magisch realisme. Over mensen die grandioos zijn vastgelopen en over datgene dat ons aanstaart maar waar we liever niet naar willen kijken. Verhalen over koppige individuen en diepgewortelde patronen maar ook over neergestorte aliens, huishoudrobots, holografische Sirenen en gouden eieren. Meer informatie op koonian.nl.

Over de illustrator

Monique Wijbrands (1977) werkt vanuit haar atelier in Amsterdam Oost aan zowel schilderijen als illustraties bij artikelen in tijdschriften en kranten.

Lees meer uit de categorie Proza

Paradis. Snor. Mosterd.

Door Johannes Westendorp

Naarmate hij vordert in de rij begint Lou meer en meer oor te krijgen voor de onbegrijpelijke zinsflarden rondom hem. De stem van het dikke meisje bij de kassa snijdt fel door het restaurantrumoer. Ze moet borsten als stootkussens hebben, te oordelen naar de steile hoek die haar bedrijfsschort maakt, maar Lou, normaal gesproken toch […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper