Proza

Het park

Door Ralph Schippers | beeld: Iris Mathilde
20 april 2019

Er lag een dode man in het park. Hij droeg een verschoten spijkerpak en gympen. Hij had een glimlach op zijn gezicht.

De jongen loopt door het Aemstelpark, voluit het Gijsbrecht van Aemstelpark. Het is een keurig park – een tekentafelpark. Er zijn rechthoekige grasvelden met keurig gras. Langs elk grasveld staan twee bankjes – steeds op dezelfde plek. De grasvelden worden verbonden door een pad met vierkante grijze tegels. Het zijn geen stoeptegels maar ze lijken er wel op.
   Er zijn veel tegels in Buitenveldert. Elke plek in Buitenveldert is gemakkelijk per voet bereikbaar. Natuurlijk zijn er straten met asfalt. Maar de mensen in de auto’s rijden nooit hard. En ze stoppen voor iedereen die wil oversteken. De voetgangers bedanken hier altijd voor met een handgebaar. Dit wordt gewaardeerd door de automobilisten. Daarom stoppen ze de volgende keer weer.
   De jongen loopt over de tegels van het pad. Het is warm. Het is juli. Het duurt nog een paar uur voor de zon ondergaat. De jongen kijkt of zijn vrienden ergens zijn. Ze hangen vaak rond in het park. Op een bankje of, als ze stoned zijn, op een grasveld. Ze zijn vaak stoned. En dan vinden ze het fijn om met gekruiste benen in het gras te zitten. Het gras is fris en het ruikt lekker.
   De jongen heeft een dealer. Hij heet Karel en hij woont op Uilenstede. Karel heeft een baard en studeert rechten. Al tien jaar. Het bevalt hem goed op Uilenstede. In zijn flatje liggen tientallen pakjes vloei waarvan de flap is afgescheurd. Die gebruikt Karel als filter voor zijn joints. Van één flap kan hij drie filters maken. Voor een joint gebruikt hij drie vloeitjes (de jongen gebruikt er altijd twee). Als hij aan de flap van een nieuw pakje begint, heeft hij dus 41 vloeitjes over. Of een paar minder; soms gaat er iets mis.
   Alle gangen in Uilenstede zijn hetzelfde. Als de jongen er voor het eerst komt, valt het hem op hoe stil het er is. En hij komt niemand tegen op de gang. Karels flatje is op tweehoog. De jongen moet van tevoren altijd bellen, of hij mag komen. Dat mag bijna altijd. Als hij binnenkomt, draait Karel altijd een joint. Karel heeft sinds kort hasjolie. Hij spuit de olie met een injectiespuit – zonder naald – op het vloei en doet er dan tabak op. Als de jongen dit voor de eerste keer rookt, gaat hij bijna out.
   De jongen heeft thuis al een paar joints met hasjolie gedraaid. Hij wil niet in het openbaar gaan zitten kliederen. Hij wil niet opvallen. Hij is nu bij het derde keurige grasveld. Hij ziet zijn vrienden nog steeds niet. Zouden ze ergens anders zitten? Het jongerencentrum is nog niet open. En in het café van Uilenstede zijn ze vast niet, want daar mag je geen joints roken.
   Hij gaat op een bankje zitten. Hij heeft best zin in een joint. Zal hij op zijn vrienden wachten of niet? Hij haalt een joint uit zijn pakje Samson. De joint is goed gedraaid, niet te strak en ook niet te los. Hij strijkt hem glad en steekt hem aan met een lucifer. Voorzichtig, zodat hij aan alle kanten goed brandt. Hij voelt de olie vrijwel meteen zijn hoofd binnen dobberen. Het voelt goed. Het voelt heel goed. Hij zit in het zonnetje knetter stoned te worden. Ik zit in het zonnetje knetterstoned te worden, denkt hij. Ha ha. Zonnetje. Knetterstoned. Te worden.
  Hij denkt niet meer aan zijn vrienden. Er komt een jonge vrouw met een kinderwagen voorbij. De jongen zwaait naar haar. De vrouw kijkt hem even schichtig aan en versnelt dan haar pas. De jongen begrijpt het niet. Zij kan toch ook genieten van het lekkere zonnetje? Of lekker in het zonnetje. Ha ha. Waarom kan zij niet genieten zoals hij? En ze heeft ook nog een baby. Nog een reden om happy te zijn. Vrouwen willen graag baby’s. De jongen weet niet waarom ze dat willen, maar het is een feit. Hij staat op en kijkt de vrouw na. Ze kijkt om en loopt daarna nog wat harder met haar kinderwagen.

De jongen gaat op het gras zitten. Hij kruist zijn benen. Dit is fijn, denkt hij. En zo simpel. Gewoon hier zitten, waar het zo lekker ruikt. Iedereen maakt alles altijd zo ingewikkeld. Terwijl het zo simpel is. Iedereen zit vast. Maar ik maak me los. Lekker in het zonnetje. In het lekkere zonnetje.
   Er vallen een paar druppels uit de lucht.
   In het lekke zonnetje, denkt hij. Ha ha. Ik heb me nog nooit zo goed gevoeld, denkt hij. Wat is het leven toch mooi.
   Dat denkt hij nooit. Hij vindt het leven helemaal niet mooi. Hij haat school. Hij durft niet met meisjes te praten. Thuis wil hij alleen maar met rust gelaten worden, want ze begrijpen hem toch niet. Dat kunnen ze niet helpen. Maar het is zo erg als ze het proberen. Dat is het ergste wat er is. Dat maakt alles nog erger. Als ze met hem willen praten. Als ze zeggen dat hij alles tegen hen kan zeggen. Want hij wil helemaal niks zeggen. Hij wil met rust gelaten worden en zijn elpees van Todd Rundgren draaien. Todd begrijpt hem wel. Todd begrijpt alles. Zij – hij en Todd – hebben een geheime connectie. Die openbaarde zich toen hij voor het eerst “Sometimes I don’t know what to feel” hoorde.
   Misschien komt er een tijd dat hij het wel weet. Maar dat zal dan onbewust zijn. Dan zal hij gewoon voelen wat hij voelt. Misschien is dat moment wel nu. Ja! Want hij voelt zich nu zo goed. Hij heeft zich nog nooit zo goed gevoeld.
   De lucht is dicht getrokken en de regen stort neer. De jongen staat op en spreidt zijn armen uit. Het is zomerregen. Die is zacht. Wat is dit heerlijk, denkt hij. Ik heb me nog nooit zo goed gevoeld. De regen stort op hem neer. Het water loopt van zijn haar in zijn ogen en op zijn neus en in zijn mond. Hij drinkt van het pure water. Ik ben één met alles, denkt hij. Dit is wat ik altijd gewild heb.
   Maar… Als het leven altijd zo erg is… En ik voel me nu zo geweldig, zoals ik me nog nooit gevoeld heb…
   Dan… Dan… Dan ben ik dood! Ik ben dood!
   Hij springt op en neer in de regen. Maar als dit de dood is, dan is het geweldig om dood te zijn! Ik ben dood! Ik ben dood! Het is geweldig! Ha ha! Ha ha!

Een man in een verschoten spijkerpak liep door het Aemstelpark, steunend op zijn stok. Hij volgde de route die hij al zo vaak gevolgd had. Waarom ging hij altijd terug naar het Aemstelpark? Hij wist het niet. Maar hij wist het wel.
   Hij liep over een pad met grijze tegels. Het waren geen stoeptegels maar ze leken er wel op. Hij kwam bij het derde keurige grasveld. Hij ging op een bankje zitten en trok zijn jack uit. Hij keek omhoog. Hij wachtte. Eindelijk begon het, met een paar druppels. Daarna stortte de regen op hem neer. Hij dacht aan Todd. “Just one victory and I’m on my way”, hoorde hij in zijn hoofd. Hij kwam moeizaam overeind. Hij wilde op en neer springen.

Over de auteur

Ralph Schippers (1957) werd geboren in Amsterdam, waar hij nog steeds woont en werkt. Hij was inspiciënt, barman, journalist, zanger/tekstdichter, bibliothecaris, notulist en winkelbediende, en werkte in de jaren 80 als literair recensent voor Vrij Nederland en Het Vaderland. In 1981 trad hij met zijn punkgroep Funeral Directors op in de grote zaal van Paradiso. Sinds 1996 schrijft hij scenario’s voor tv-series (veel soap, heel veel soap, heel erg veel soap) en sinds 2013 truecrimeboeken (o.a. Seriemoordenaars in Nederland).

Over de illustrator

Iris Mathilde (1994) is een kunstenaar uit Amsterdam. Ze tekent graag bergen en lichamen en werkt in een kunstgalerie voor activistische kunst. Meer beeldend werk is te zien op haar instagrampagina.

Lees meer uit de categorie Proza

DE NIEUWE LICHTING: Ines Nijs

Door Ines Nijs

De Optimist vroeg de nieuwe lichting afgestudeerden van schrijfopleidingen in Nederland en Vlaanderen om hun eindwerk in te sturen. In DE NIEUWE LICHTING presenteren wij fragmenten uit dat werk en stellen wij de schrijvers van de toekomst voor. Deel 2: Ines Nijs met Zoé, een coming-of-ageverhaal waarin een dochter zich losmaakt van haar moeder, waarmee ze […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper