Kort verhaal

Rookworst op de grond

Door Michelle van der Kind | beeld: Martin Hooke
26 april 2019

‘Er ligt een rookworst op de grond, Christophe. Dát zei ik net.’ Moniek draait zich om naar het raam. 
   Wanneer hebben we voor het laatst rookworst gegeten? Ik laat mijn ogen door de kamer gaan, zoek over de grond, onder de eettafel, bij de piano, onder de kast. Onderweg kom ik de foto van de kinderen tegen. Vanaf de boekenplank staan ze in een tulpenveld naar me te glimlachen. Moniek wilde graag een plek voor haar boeken, maar nu staat er vooral troep: een vaasje met een laag stof op de bodem, een spiegeltje in een goudkleurige omlijsting en dus die foto: Moniek houdt de kinderen stevig tegen zich aangeklemd. Ze was mooi vroeger, vooral haar ogen, en erg lief voor de kinderen altijd. Echt een geweldige moeder. En een goede echtgenote. Dat ook zeker.
‘Waar?’ vraag ik. ‘Waar ligt ’ie?’
‘Buiten. Er ligt buiten een rookworst op de grond.’
‘Op straat?’ Ik schud mijn hoofd. ‘Je bedoelt: er ligt een rookworst op stráát.’
‘Dat zeg ik toch?’ Ze tikt met haar wijsvinger drie keer op het raam. ‘Op de stoep ligt hij. Voor de deur. We kunnen hem niet zo laten liggen, we moeten hem opruimen.’
Ik haal mijn schouders op, kijk naar haar rug in het grote vest. Het is me niet eerder opgevallen dat er een rij dennenbomen op haar schouders gebreid is.
‘Kom dan kijken.’ Ze tikt weer op het raam. ‘Dan zie je het zelf. Een grote rookworst, half opgegeten.’
Mijn knieën kraken als ik overeind kom. Ik ga naast haar bij het raam staan en volg haar blik. Eerst zie ik het niet, hoewel ik echt in dezelfde richting zoek.
‘Dáár!’ zegt ze, ‘midden op de stoep. Zie je het nou?’ Ze pakt mijn bovenarm en wijst.
Ik haal mijn schouders op. ‘Moet je me daarom roepen? Om die worst?’
Uit het papiertje steekt een half afgekloven worst, de roze binnenkant zweet in de zon, de huid eromheen rimpelt. Alleen de mosterdresten op het servet doen vermoeden dat er ooit met smaak van gegeten is, dat iemand eerder vandaag verlekkerd zijn mond heeft afgeveegd.

Toen ik haar stem vanuit de huiskamer hoorde, stond ik in de keuken. De waterkoker danste op het aanrecht. Het is weer een nieuwe, merk Hema dit keer, maar ook deze loeit als een verstopte stofzuiger. Alleen mijn naam verstond ik: ‘Christophe?’  Daarna flarden van woorden.
Wat het verschil is met de twee andere waterkokers die we deze maand kochten, weet ik niet. Zij wel. Moniek weet tegenwoordig alles over die apparaten. Ze zijn niet meer in staat stille waterkokers te fabriceren, zegt ze, allemaal maken ze verdomde veel lawaai. Zoveel kabaal dat we de televisie niet eens meer horen, zegt ze, het geluid moet vier streepjes harder als we thee willen zetten.
Ik wachtte tot het water kookte, over het bubbelen heen opnieuw haar stem.
Het is of ze het expres doet: de hele dag zegt ze nauwelijks iets, maar als ik thee ga zetten en bij de razende waterkoker moet wachten, gaat ze opeens praten. Vroeger vertelde ze weleens iets over haar werk, we discussieerden over de opvoeding van de kinderen, of we bespraken een krantenartikel, maar nu, sinds we allebei niet meer werken en veel samen thuis zijn —.
Ik was niet meteen naar haar toegegaan om te horen wat ze zei. Eerst goot ik het hete water over de thee, pakte het blik met koekjes, zette twee kopjes klaar. Met het wiebelende dienblad liep ik naar de huiskamer. Ze stond al bij het raam, zoals nu. De theepot rookte een vredespijp. Earl Grey.
‘Heb je de schoteltjes ook?’ vroeg ze zonder zich om te draaien. ‘Anders krijgen we kringen.’
Ik zette het dienblad op de salontafel naast de vaas met droogbloemen en liep terug naar de keuken om de schoteltjes te halen, maar moest nog heen en weer lopen omdat ik niet meer wist welk servies ik vandaag heb gekozen: de bruine kopjes met de klokken, of juist het bloemmotief. En al die tijd stond ze maar bij het raam, haar rug naar me toe. Op heuphoogte haar verzameling punnikpoppen die verbleekt door de zon vanaf de vensterbank naar buiten kijken. Ik heb haar nooit zien punniken. Volgend jaar kunnen we een rij waterkokers in de vensterbank tentoonstellen.
‘Wat zei je nou net?’ vroeg ik .
Ik ging op de bank zitten, mijn knieën kraakten. Met de jaren wordt alles stram.
‘Niets,’ zei ze, ‘Alleen dat over die schoteltjes, verder helemaal niets.’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Daarvóór,’ zei ik, ‘toen ik in de keuken stond. Ik hoorde je wel, maar de waterkoker – hij maakt veel geluid, het is net een snuivende draak. En hij bonkt, zodra het water kookt bonkt hij op het aanrecht.’
Ze draaide zich om, keek me verbaasd aan, ze zei: ‘Ik dacht juist dat deze redelijk geluidloos was. Dat zei je gisteren zelf ook.’
‘Dát zei ik niet, Moni.’ Ik zette de kopjes op de schoteltjes, draaide het motief naar me toe. Voor haar de Zaanse klok 1710, voor mij de lantaarnklok 1640. ‘Je moet eens echt luisteren. Je verdraait mijn woorden. Ik stelde voor om gewoon weer een fluitketel aan te schaffen. Zoals vroeger. Geen slecht idee als je het mij vraagt. We hebben nu genoeg geprobeerd. Het werkt niet.’
‘Wat werkt niet?’ Ze sloeg haar armen over elkaar en bleef me aankijken met die blik van haar die net zo goed verbazing (gespeeld) als boosheid kon betekenen.
Ik zweeg en schonk de thee in. Mijn hand trilde een beetje, ik morste bijna niet. Uit voorzorg had ik de kopjes op het dienblad laten staan.
‘Wil je thee?’ vroeg ik.
Toen had ze bij het raam geknikt en was ze zuchtend over die rookworst begonnen.

   ‘Wie doet dat nou, zomaar een worst weggooien?’ vraagt ze.
‘Iemand die er genoeg van heeft misschien?’
‘Dat vind ik zielig.’
‘Hij had geen trek meer. Dat kan toch, Moniek? Ik ben het wel met je eens dat het niet netjes is. Verderop staat een vuilnisbak.’
Ze schudt haar hoofd. ‘Het gaat mij om dat varken,’ zegt ze, ‘Dat varken is voor niets gestorven. Als je vlees koopt, moet je het opeten.’
Ik frons. ‘Wat maak jij je opeens zorgen over het lot van varkens? Je bent dol op vlees. Er gaat geen dag voorbij zonder gehaktballen, biefstuk of slavinken. Van mij hoeft het niet iedere maaltijd, dat weet je, maar jíj —’
‘Je moet het wel helemaal opeten. Voor die dode varkens dus. Dat vind jij toch ook, Stoffer? Daar hebben we het laatst nog over gehad.’
Ik kijk naar de worst op de stoep. Vermalen varkens uit de bio-industrie, een fabrieksworst. Een herdershond snuffelt eraan, loopt verder.

Haar bezorgdheid duurt nooit lang. Ze haalt haar schouders op, pakt haar thee van het dienblad en gaat zitten, haar benen over elkaar geslagen, het porseleinen oortje breekbaar tussen duim en wijsvinger. Ze brengt het kopje naar haar mond, drinkt niet.
‘Zullen we morgen even een nieuwe waterkoker zoeken?’ vraagt ze. ‘Er is een zaakje met keukenspullen in de Haarlemmerstraat, misschien hebben ze daar een goede. Het kan me niet schelen om iets meer te betalen dit keer.’
Ik knik: morgen ja. Morgen weer een dag. Dan is ze hopelijk minder spraakzaam. Of vinden we een waterkoker die nog meer ruis veroorzaakt.

Ze drinkt van haar thee, kijkt me niet aan. Haar blik dwaalt over de tafel met de theepot. Het water is afgekoeld, de tuit rookt niet meer. Ze zegt: ‘Ruim jij straks even die troep op voor de deur? Het ziet er niet uit zo: wat moeten de buren wel niet denken?’
Ik zeg niets, zet mijn kopje op het dienblad, sta op, pak de bezem en een vuilniszak, trek mijn jas aan.

Over de auteur

Michelle van der Kind is docente Nederlands en schrijft korte verhalen. Ze publiceerde o.a. in Hoogtelijn, tijdschrift van de NKBV, in ‘Zin en waanzin’ van literairwerk.nl en in ‘Het debuut’ van de Dordtse boekenmarkt. Ze won de schrijfwedstrijd van het Haarlems Dagblad en werd geselecteerd voor Scheltema’s schrijversacademie in samenwerking met literair tijdschrift De Gids. Op dit moment werkt ze aan haar literaire debuut.

Over de illustrator

Martin Hooke (1988) is overdag ontwerper bij singulier sokkenmerk Alfredo Gonzales en ’s nachts een veelzijdig geïnteresseerd multimediaal maker. Zo heeft hij al creatieve paden bewandeld als muziekproducent, 3D-ontwerper, graficus, fotograaf en textielontwerper, telkens met de aandachtsspanne van een fruitvlieg. instagram.com/martinhooke

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

Meer dan een mens

Door Marjolijn van de Gender

Ik noemde mijn zwangerschap een zuurtje op mijn tong. Wanneer je het snoepje in je mond stopt, brandt het bijna door je smaakpapillen heen. Je wilt schreeuwen, het uitspugen, maar je beheerst je, want je weet dat een zuurtje lekker hoort te zijn. Na de eerste seconden verdwijnt het vuur en wordt het snoepje aangenaam […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper